Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO6150

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2004
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
09/753478 - 03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(...) Verdachte heeft zich een aantal maanden bezig gehouden met de handel in amfetamine en cocaïne. Door zo te handelen heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan het in omloop geraken van harddrugs. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/753478-03

rolnummer 0002

's-Gravenhage, 19 maart 2004

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [adres],

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 maart 2004.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. W.S.A.H. Croes, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Baldinger heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Verder heeft de officier van justitie opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gevorderd.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 2 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding onder 1 vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden, waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft zich een aantal maanden bezig gehouden met de handel in amfetamine en cocaïne. Door zo te handelen heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan het in omloop geraken van harddrugs. Deze verdovende middelen leveren een gevaar op voor de volksgezondheid en het gebruik ervan werkt criminaliteit in de hand. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van amfetamine en cocaïne een ernstige bedreiging vormt voor de gezondheid en de psychische stabiliteit van de gebruikers en dat het leidt tot allerlei maatschappelijke problemen en problemen van sociale veiligheid. De rechtbank rekent het verdachte daarbij zwaar aan, dat hij bij deze activiteiten slechts oog heeft gehad voor zijn eigen geldelijk gewin.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland d.d. 15 januari 2004, waarin wordt geadviseerd om verdachte regulier af te straffen. Opgemerkt wordt dat er geen zwaarwegende negatieve gevolgen ten aanzien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te verwachten zijn.

Namens verdachte is aangevoerd dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf tot onoverkomelijke problemen voor hem en zijn toekomst zal leiden. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit en uit generaal preventief oogpunt, een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op zijn plaats is. Gelet op het feit dat verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld, kan een deel van deze straf voorwaardelijk worden opgelegd, mede als stok achter de deur teneinde verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom aan soortgelijke feiten schuldig te maken. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf, bestaande uit een werkstraf passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 6 verbeurdverklaren, zijnde deze voorwerpen voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze aan verdachte toebehorende voorwerpen geheel of grotendeels door middel van het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit zijn verkregen.

De rechtbank zal voorts het blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 27 onttrekken aan het verkeer, zijnde dit voorwerp voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit voorwerp is vervaardigd of bestemd tot het begaan van het onder 2 telastgelegde feit (en waarvan verdachte is vrijgesproken) en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 2 telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding onder 1 telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 4 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op :2 december 2003,

in voorlopige hechtenis gesteld op :5 december 2003,

welke voorlopige hechtenis werd geschorst van 12 december 2003 tot en met 17 december 2003; van 8 januari 2004 tot en met 9 januari 2004; van 15 januari 2004 tot en met 23 januari 2004 en met ingang van 9 februari 2004 tot heden;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis;

en

een taakstraf, bestaande uit:

een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid voor de tijd van 240 uren;

beveelt voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

verklaart verbeurd de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 6, te weten: 4 biljetten van € 50,= en 1 biljet van € 5,= ;

verklaart onttrokken aan het verkeer het blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 27, te weten: een biljet van € 50,=;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Poustochkine, voorzitter,

Bonneur en Bergman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Dingley, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2004.