Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO5984

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2004
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
09/753477-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(...) Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna een jaar bezig gehouden met de handel in amfetamine en cocaïne. Door zo te handelen heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan het in omloop geraken van harddrugs. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/753477-03

rolnummer 0003

's-Gravenhage, 19 maart 2004

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [adres],

thans gedetineerd in de P.I. Rijnmond, Huis van Bewaring De Schie te Rotterdam.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 maart 2004.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. P.J.J. Meijers, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Baldinger heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden ontrokken aan het verkeer.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden, waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna een jaar bezig gehouden met de handel in amfetamine en cocaïne. Door zo te handelen heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan het in omloop geraken van harddrugs. Deze verdovende middelen leveren een gevaar op voor de volksgezondheid en het gebruik ervan werkt criminaliteit in de hand. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van amfetamine en cocaïne een ernstige bedreiging vormt voor de gezondheid en psychische stabiliteit van de gebruikers en dat het leidt tot allerlei maatschappelijke problemen en problemen van sociale veiligheid. De rechtbank rekent het verdachte daarbij zwaar aan, dat hij bij deze activiteiten slechts oog heeft gehad voor zijn eigen geldelijk gewin.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland d.d. 27 januari 2004, waarin wordt geadviseerd verdachte naast een eventuele onvoorwaardelijke gevangenisstraf een aanzienlijk deel voorwaardelijk op te leggen. Een verplicht reclasseringscontact wordt niet noodzakelijk geacht.

De rechtbank heeft overwogen dat de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur zonder meer rechtvaardigen. Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat hij, blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 1 december 2003, niet eerder is veroordeeld. Daarnaast pleit voor verdachte dat hij bij de politie en ter terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven en spijt heeft betuigd. De rechtbank ziet aanleiding een gevangenisstraf van kortere duur dan geëist door de officier van justitie op te leggen, maar dan wel in combinatie met een taakstraf. Het aan verdachte opgelegde voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf strekt ertoe hem ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan dergelijke feiten

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 28 tot en met 43 onttrekken aan het verkeer, zijnde deze voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezenverklaarde feit is begaan en deze gezamenlijkheid van voorwerpen van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 (oud), 2, en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

Voor wat betreft de periode van 1 januari 2003 tot en met 16 maart 2003:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 (oud), eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

Voor wat betreft de periode van 17 maart 2003 tot en met 28 november 2003:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op :28 november 2003,

in voorlopige hechtenis gesteld op :1 december 2003;

en

een taakstraf, bestaande uit:

een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid voor de tijd van 240 uren;

beveelt voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 28 tot en met 43, te weten: een doosje met scheermesjes, 3 wikkels, een buis met brokje witte stof, een sigarettendoos met wikkels, een rietje, folie, twee plastic zakken met wit poeder, een doosje met 3 pillen, een wikkel, 2 bekraste cd's, een doosje met 2 wikkels en een scheermesje, een wikkel, een plastic pijp, een wikkel en een gripzak;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Poustochkine, voorzitter,

Bonneur en Bergman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Dingley, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2004.