Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO5550

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-03-2004
Datum publicatie
25-05-2004
Zaaknummer
AWB 04/447 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstandsuitkering afgewezen, aangezien het bezit van verzoeker het voor hem geldende vrij te laten vermogen overtreft, zodat verzoeker geacht wordt in de kosten van het bestaan te kunnen voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2004, 136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 04/447 ABW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

ten aanzien van het besluit van 23 december 2003 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (voorheen: de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag), verweerder, waarbij afwijzend is beslist op verzoekers aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

Ontstaan en loop van het geding

Verzoeker heeft op 22 september 2003 een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Abw ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

Bij het thans bestreden besluit van 23 december 2003 heeft verweerder verzoekers aanvraag afgewezen, aangezien het bezit van verzoeker het voor hem geldende vrij te laten vermogen overtreft, zodat verzoeker geacht wordt in de kosten van het bestaan te kunnen voorzien.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 27 januari 2004 bij verweerder bezwaar gemaakt. Voorts heeft verzoeker bij brief van eveneens 27 januari 2004, aangevuld bij brief van 20 februari 2004, de voorzieningen-rechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van het besluit van 23 december 2003.

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 1 maart 2004.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mw. mr. E.P. Niemeijer, advocaat te ’s-Gravenhage.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mw. mr. M.I.E. Rhuggenaath.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Verweerder heeft zich blijkens de overgelegde stukken op het standpunt gesteld dat het vermogen van verzoeker € 6.745,52 bedraagt. Het vermogen overtreft derhalve het voor verzoeker geldende vrij te laten vermogen, zodat verzoeker volgens verweerder geacht moet worden zelf in de noodzakelijke bestaanskosten te kunnen voorzien. Volgens verweerder komt verzoeker dan ook niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering.

Verzoeker heeft, kort samengevat, tegen het bestreden besluit aangevoerd dat verweerder zijn vermogen te hoog heeft vastgesteld. Volgens verzoeker bedraagt zijn vermogen minder dan het voor hem geldende vrij te laten vermogen, zodat hij wel in aanmerking komt voor een uitkering. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat, voor zover zijn vermogen ten tijde van de bijstandsaanvraag het vrij te laten vermogen wel overtrof, het vermogen ten tijde van de beslissing op de aanvraag zodanig was ingeteerd dat hij alsnog in aanmerking kwam voor een bijstandsuitkering.

De voorzieningenrechter dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit na heroverweging in bezwaar stand zal kunnen houden.

Bij de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (WWB) in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Het bezwaarschrift is ingediend na 31 december 2003 en er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 21 van de Invoeringswet WWB (IWWB) op grond waarvan de Abw van toepassing is. Beslist dient derhalve te worden met toepassing van de WWB.

In artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is bepaald dat onder vermogen wordt verstaan: de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

Ingevolge artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt niet als vermogen in aanmerking genomen: het bij de aanvraag van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid.

Artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde vermogens-grens voor een alleenstaande € 4975,-- is.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 34 van de WWB (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr. 3) blijkt dat de vermogenspositie van een betrokkene, aansluitend op jurisprudentie in het kader van de Abw, dient te worden gesteld op het saldo van de waarde van de bezittingen en de schulden. Hierbij geldt dat de bezittingen zowel uit geldswaarden als uit op geld waardeerbare goederen kunnen bestaan en dat, wil van een feitelijk aanwezige schuld sprake zijn, een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling dient te bestaan.

Blijkens de overgelegde stukken heeft verweerder bij de beoordeling van verzoekers bijstandsaanvraag het vermogen van verzoeker per datum aanvraag, rekening houdend met verzoekers bezittingen en gebleken schulden, berekend op € 6.745,52. Ter zitting heeft verweerder een nieuwe, van deze eerdere berekening afwijkende, berekening van het vermogen per datum aanvraag overgelegd. Bij deze berekening heeft verweerder een dubbeltelling gecorrigeerd en is verweerder ervan uit gegaan dat verzoeker alsnog voldoende heeft aangetoond dat hij naast de reeds gebleken schuld bij Primeline ook een schuld heeft bij de Postbank. Voorts heeft verweerder bij deze berekening het totaalbedrag van de door verzoeker gedane contante opnamen in de maand september als vermogen aangemerkt. Aldus heeft verweerder het vermogen van verzoeker berekend op € 7.146,67. Ter zitting heeft verweerder nog aangegeven dat gebleken is dat op dit bedrag, wegens dubbeltelling, nog een bedrag van € 1.391,-- in mindering dient te worden gebracht; het totale vermogen van verzoeker per datum aanvraag overtreft daarmee volgens verweerder nog steeds het voor hem geldende vrij te laten vermogen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder, gezien de overgelegde stukken met betrekking tot verzoekers vermogenspositie, zowel bij de berekening die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, als bij de berekening die ter zitting is ingebracht, uit lijkt te zijn gegaan van financiële gegevens van een latere datum dan de datum aanvraag, 22 september 2003. Zo heeft verweerder, onder meer, het saldo van verzoekers girorekening in aanmerking genomen zoals dit saldo is vermeld op een bankafschrift van 30 september 2003 en is het saldo van verzoekers lening bij Primeline als uitgangspunt genomen zoals dit is vermeld op een rekeningoverzicht van 15 oktober 2003.

Deze wijze van berekening van de vermogenspositie verdraagt zich naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, evenals het in de berekening betrekken van voorafgaand aan de bijstandsaanvraag gedane contante opnamen, niet met artikel 34 van de Abw. Ingevolge dit artikel is immers het in aanmerking te nemen vermogen waarover de belanghebbende ten tijde van de aanvraag feitelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken bepalend voor de beantwoording van de vraag of dat vermogen aan toekenning van bijstand in de weg staat. Het enkele feit dat verzoeker voorafgaande aan de bijstandsaanvraag meerdere keren contant geld van zijn bankrekening heeft opgenomen, rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat hij ten tijde van deze aanvraag feitelijk nog beschikte over het totaal van de opgenomen bedragen, zoals verweerder thans aanneemt. De voor-zieningenrechter verwijst in dit verband nog naar de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) inzake de vaststelling van vermogen in het kader van de Abw, zoals de uitspraak van de CRvB van 20 februari 2001, gepubliceerd in JABW 2001/98. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat een berekening van het vermogen waarbij rekening wordt gehouden met (kort) vóór de bijstandsaanvraag gedane contante opnamen wel enige betekenis zou kunnen hebben bij de beoordeling of de betrokkene een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan voorafgaand aan de bijstandsaanvraag verweten kan worden en hem in dit verband een maatregel zou moeten worden opgelegd.

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de afwijzing van verzoekers bijstandsaanvraag op de grond dat zijn bezit het voor hem geldende vrij te laten vermogen overtreft in bezwaar geen stand zal kunnen houden. Het kan evenwel niet uitgesloten worden geacht dat het besluit tot afwijzing van verzoekers bijstandsaanvraag op andere grondslag wel stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat verzoeker ter zitting heeft aangevoerd dat hij met de in september contant opgenomen bedragen gokschulden heeft willen afbetalen. Verzoeker heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk dergelijke schulden heeft (gehad) en dat hij met bedoelde contante opnamen schulden heeft afbetaald; verzoeker heeft zijn stelling ook niet op andere wijze onderbouwd. Naar het oordeel van de voorzieningen-rechter heeft verzoeker aldus vooralsnog onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie ten tijde van de bijstandsaanvraag, als gevolg waarvan het recht op bijstand (nog) niet kan worden vastgesteld.

De voorzieningenrechter ziet, gezien het hiervoor overwogene, geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb komt dan ook niet voor inwilliging in aanmerking.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2004, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.B.E. Hersmis.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: