Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO5465

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-03-2004
Datum publicatie
16-03-2004
Zaaknummer
09/037444-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(...) De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte het gebruik van fors geweld ten opzichte van de vrouw met wie hij samenwoonde niet heeft geschuwd. Dit gebeurde vaak nadat zij beiden de nodige alcohol hadden gebruikt.

Op 14 september 2002 heeft verdachte een onderbeen van die vrouw zodanig weggedraaid dat hierdoor de kniebanden zijn gescheurd en zij tien weken lang met een brace heeft moeten lopen.

Op 14 april 2003 heeft verdachte het slachtoffer dusdanig mishandeld dat zij hieraan een blauw oog heeft overgehouden.

Op 6 augustus 2003 heeft verdachte het slachtoffer thuis opgewacht nadat zij eerder die avond in een café ruzie hadden gehad en verdachte uit het café was verwijderd. Eenmaal thuisgekomen heeft verdachte het slachtoffer naar binnen gesleurd en haar meermalen in het gezicht geschopt en geslagen. Hierna is verdachte op haar gezicht gaan staan en heeft meermalen tegen het lichaam van het slachtoffer geschopt en geslagen. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/037444-03

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 11 maart 2004

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

GBA- en postadres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 26 februari 2004.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Y. Polko, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. Paulus heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij

- gewijzigde - dagvaarding onder 1 impliciet primair, 2 primair en 3 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde reclasseringsbegeleiding gedurende de proeftijd (ook indien dit inhoudt deelname aan therapie in De Waag).

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopieën van de dagvaarding, gemerkt A1, A2 en A3, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A4.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding impliciet primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair en 3 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopieën daarvan, gemerkt B1, B2 en B3.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte het gebruik van fors geweld ten opzichte van de vrouw met wie hij samenwoonde niet heeft geschuwd. Dit gebeurde vaak nadat zij beiden de nodige alcohol hadden gebruikt.

Op 14 september 2002 heeft verdachte een onderbeen van die vrouw zodanig weggedraaid dat hierdoor de kniebanden zijn gescheurd en zij tien weken lang met een brace heeft moeten lopen.

Op 14 april 2003 heeft verdachte het slachtoffer dusdanig mishandeld dat zij hieraan een blauw oog heeft overgehouden.

Op 6 augustus 2003 heeft verdachte het slachtoffer thuis opgewacht nadat zij eerder die avond in een café ruzie hadden gehad en verdachte uit het café was verwijderd. Eenmaal thuisgekomen heeft verdachte het slachtoffer naar binnen gesleurd en haar meermalen in het gezicht geschopt en geslagen. Hierna is verdachte op haar gezicht gaan staan en heeft meermalen tegen het lichaam van het slachtoffer geschopt en geslagen.

Het door verdachte toegepaste geweld had naar het oordeel van de rechtbank het leven van het slachtoffer kunnen kosten.

Zeker is dat het slachtoffer tengevolge van dit feit geopereerd moest worden en een blijvend litteken onder het ooglid heeft.

De rechtbank heeft acht geslagen op het op 6 september 2003 omtrent verdachte uitgebrachte rapport van dr. B.A. Blansjaar, psychiater te Den Haag. De conclusie van het rapport is onder meer dat het telastgelegde verdachte volledig kan worden toegerekend.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het voorlichtingsrapport van Psycho-medisch centrum Parnassia te 's-Gravenhage, opgemaakt en ondertekend d.d. 15 januari 2004 door M. Gernler en P.P. Meilink, respectievelijk manager Reclassering en reclasseringsmedewerker. In dit rapport wordt geadviseerd tot het opleggen van (onder meer) een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden verplicht contact met de verslavingsreclassering van Parnassia in verband met het alcoholgebruik van verdachte en behandeling bij De Waag in verband met de agressieproblematiek van verdachte.

Het hiervoor overwogene, alsmede de omstandigheid dat ter zitting is gebleken dat verdachte afstand genomen heeft van zijn relatie, hij werk gevonden heeft en bij De Waag reeds enkele gesprekken heeft gehad, brengen de rechtbank ertoe de navolgende straf op te leggen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 45, 57, 287, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij -gewijzigde - dagvaarding onder 1 impliciet primair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair en 3 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1 impliciet subsidiair:

POGING TOT DOODSLAG;

2:

ZWARE MISHANDELING;

3:

MISHANDELING;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 37 DAGEN;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 06-08-2003,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 08-08-2003,

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van : 12-09-2003;

veroordeelt verdachte voorts tot:

gevangenisstraf voor de duur van 6 MAANDEN;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens van Psycho-medisch centrum Parnassia te 's-Gravenhage, ook indien dit inhoudt behandeling van verdachte in De Waag, zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 (tweehonderdveertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Timmermans, voorzitter,

Van Wesenbeeck en Van Wezel, rechters,

in tegenwoordigheid van Groot, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 maart 2004.