Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO5427

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-02-2004
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
AWB 02/27960
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Centraal-Irak / geloofwaardigheid asielrelaas / ex-nunctoetsing.

Marginaal toetsend is de rechtbank van oordeel dat verweerder - in onderlinge samenhang bezien - voldoende steekhoudende argumenten heeft aangedragen om het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig te achten. Gelet op de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas behoeft de zwaarwegendheid ervan niet te worden beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat de vraag of de gewijzigde situatie in Irak met toepassing van artikel 83 Vw 2000 moet worden meegenomen in het kader van de beoordeling van het individuele relaas niet meer aan de orde kan komen.

De rechtbank deelt onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak 200305232/1 van 12 januari 2004 niet het standpunt van verweerder dat de goede procesorde zich verzet tegen toepassing van artikel 83 Vw 2000 dan wel dat de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. Artikel 8:69 Awb brengt met zich dat de omvang van het geschil niet in een later stadium van de beroepsprocedure kan worden uitgebreid. Dit laat onverlet dat binnen de grondslag van het aanhangige beroep nieuwe feiten en omstandigheden ex artikel 83 Vw 2000 hangende de beroepsprocedure nog kunnen worden ingeroepen. Een andersluidende opvatting zou met zich brengen dat aan artikel 83 Vw 2000 geen betekenis meer toekomt. Het besluitmoratorium is niet van toepassing op de onderhavige asielaanvraag, doch dit laat onverlet dat het standpunt van de minister omtrent de ingeroepen feiten en omstandigheden in zoverre duidelijk is dat het thans niet mogelijk is om een inhoudelijk oordeel te geven omtrent de asielaanvraag. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ’S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummer : AWB 02/27960

Datum uitspraak: 19 februari 2004

Uitspraak op het beroep in het geschil tussen:

A, hierna te noemen: eiser,

gemachtigde mr. G.J. Lemmen, advocaat te Heythuysen,

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, hierna te noemen: verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 4 februari 1999 heeft eiser, van Iraakse nationaliteit, een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling.

Bij besluit van 1 maart 2000, aan eiser uitgereikt op 19 april 2000, heeft verweerder de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling niet ingewilligd en ambtshalve besloten eiser geen vergunning tot verblijf te verlenen.

Bij brief van 16 mei 2000 heeft eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. De gronden van het bezwaar dateren van 26 juli 2000 en 25 augustus 2000.

Bij brief van 20 november 2000, verzonden op 21 november 20000, is eiser medegedeeld dat hij de behandeling van het ingediende bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten.

Op 4 december 2000 heeft eiser de president van deze rechtbank (thans: voorzieningenrechter) verzocht om bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting van eiser achterwege wordt gelaten totdat op het bezwaar zal zijn beslist. Het verzoek is geregistreerd onder zaaknummer AWB 01/1488.

Bij besluit van 5 april 2002 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het besluit is op diezelfde dag verzonden aan de gemachtigde van eiser.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 9 april 2002 beroep ingesteld. Het beroepschrift is op diezelfde dag op het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken te Haarlem ontvangen. Bij brief van 1 juli 2002 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld.

Bij schrijven van 9 april 20002 is tevens verzocht het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in dier voege te lezen dat wordt verzocht te bepalen dat uitzetting van eiser achterwege wordt gelaten totdat op het beroep zal zijn beslist.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De behandeling van het beroep en het verzoek heeft gelijktijdig plaatsgevonden ter zitting van 19 december 2003, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.J.T. de Kan, kantoorgenote van zijn gemachtigde. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door J.W.A.M. Schilperoort.

Op 26 januari 2004 is het onderzoek heropend, om verweerder in de gelegenheid te stellen alsnog een schriftelijke reactie, als bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Vw2000, te geven op het verzoek van eiser om de gewijzigde situatie in Irak bij de beoordeling van het bestreden besluit te betrekken.

Bij schrijven van 9 februari 2004 heeft de gemachtigde van verweerder aan de rechtbank laten weten dat de ingeroepen feiten en omstandigheden geen aanleiding zijn om het bestreden besluit te wijzigen of in te trekken en is de rechtbank voorts gemotiveerd verzocht het bestreden besluit ex tunc te toetsen.

Bij schrijven van 11 februari 2004 heeft de gemachtigde van eiser aan de rechtbank laten weten de door verweerder voorgestane ex tunc-toetsing te betwisten.

Beide partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

II. OVERWEGINGEN

Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de plaats getreden van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40), verder te noemen Vw (oud). Nu het bestreden besluit is bekendgemaakt na 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het thans geldende materiële recht van toepassing.

Aan de orde is de vraag of het besluit van 5 april 2002 in rechte stand kan houden.

Ter onderbouwing van zijn aanvraag en beroep heeft eiser het volgende aangevoerd.

Eiser, die afkomstig is uit Centraal Irak, heeft vervangende dienstplicht vervuld: van 1993 tot aan zijn vertrek was hij aangesloten bij de Cheta (een legereenheid van een stam). Vanaf 1992 tot zijn vertrek was eiser daarnaast ook automonteur en samen met zijn neef eigenaar van een autoreparatiebedrijf te B. Op 6 oktober 1998 kwam ene C, een functionaris van de PKK, zijn auto laten repareren. Even later kwamen er nog vier mannen die, onder bedreiging van pistolen, een auto wegnamen en met C wegreden. Eiser vermoedt dat de vier mannen van de KDP waren. Direct na de ontvoering heeft eiser, die dit zag gebeuren, de garage gesloten en is naar zijn ouders gegaan. Deze hebben hem naar een kennis gebracht, waar hij twee dagen ondergedoken heeft gezeten uit angst door de autoriteiten als medeplichtige te worden aangezien. Eiser heeft gehoord dat de veiligheidsdienst bij zijn ouders langs is geweest en naar hem heeft geïnformeerd. Nog op dezelfde avond van de ontvoering zijn eisers neef en een medewerker van het garagebedrijf door de veiligheidsdienst gearresteerd. Ook een personeelslid van een buurgarage werd opgepakt. Uit angst heeft eiser op 8 oktober 1998 zijn woonplaats verlaten.

Eiser stelt ook problemen te hebben met de ouders van zijn vrouw. Ondanks het feit dat hij geen toestemming had gekregen van haar ouders om met haar te trouwen, heeft eiser haar toch meegenomen naar zijn ouderlijk huis. Op 5 maart 1998 is eiser met haar getrouwd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 kan worden verleend in de in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde gevallen.

Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), verder te noemen het Verdrag, is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de vreemdeling, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Voorop wordt gesteld dat de algehele situatie in Irak niet zodanig is dat vreemdelingen die daaruit afkomstig zijn zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Eiser dient derhalve aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Dat standpunt is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de Vw 2000, dat op dat punt overeenkomt met artikel 15c van de Vw (oud).

Verweerder heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit te kunnen vaststellen. Eiser heeft volgens verweerder voor wat betreft het overleggen van die documenten een eigen verantwoordelijkheid, zodat zijn verklaring dat hij niet tegen het advies van zijn reisagent durfde ingaan om zijn tas met documenten in Istanbul achter te laten, niet tot een ander oordeel leidt. Voorts heeft verweerder ernstige twijfels bij de door eiser opgegeven reisroute, omdat eiser geen reisdocumenten heeft overgelegd, noch daarvan coherente en gedetailleerde verklaringen afgelegd. Bovendien is het volgens verweerder erg vreemd dat eiser de afstand Istanbul-Amsterdam met een vrachtwagen die vrijwel non-stop heeft doorgereden in acht dagen heeft afgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op dat standpunt kunnen stellen, zodat op voorhand twijfel is ontstaan aan de oprechtheid van eiser en afbreuk is gedaan aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas.

In beroep is het standpunt van verweerder aangaande hetgeen door eiser is vermeld inzake zijn vrees voor bloedwraak niet bestreden. Het beroep richt zich op het standpunt van verweerder inzake de door eiser gestelde vrees voor vervolging ten gevolge van de omstandigheid dat hij getuige is geweest van de ontvoering van een PKK-lid door de KDP.

Verweerder heeft het asielrelaas van eiser primair ongeloofwaardig geacht.

Naar de mening van verweerder heeft eiser niet onderbouwd en/of met bewijzen gestaafd, noch anderszins aannemelijk gemaakt, dat de gestelde ontvoerders lid zouden zijn van de KDP en evenmin dat het slachtoffer van de ontvoering een lid zou zijn van het centrale comité van de PKK. Eisers verklaring dienaangaande is volledig gebaseerd op vermoedens en niet geconcretiseerd, waardoor niet aannemelijk is dat deze vermoedens op waarheid berusten. Eiser stelt het vorenstaande te hebben vernomen van vrienden en kennissen zonder dat hij op steekhoudende wijze kan aangeven hoe zij aan deze informatie zijn gekomen. Voorts acht verweerder het niet aannemelijk dat de KDP op Centraal-Iraaks grondgebied zou komen om een lid van de PKK te arresteren, waarbij van belang is dat de KDP geen macht heeft op Centraal-Iraaks grondgebied. De stelling dat de Iraakse autoriteiten eiser zouden beschuldigen van medeplichtigheid en zijn neef, een compagnon, een medewerker en een personeelslid van een buurgarage zouden hebben opgepakt, is evenmin onderbouwd en/of met bewijzen gestaafd, noch anderszins aannemelijk gemaakt. Verder wekt het bevreemding bij verweerder dat eiser zijn huisnummer niet kan noemen.

Marginaal toetsend is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het voorgaande - in onderlinge samenhang bezien - voldoende steekhoudende argumenten heeft aangedragen om het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig te achten. Gezien het voorgaande komt eiser niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, onder a of b, van de Vw 2000.

Nu, gelet op de ongeloofwaardigheid van het individuele asielrelaas van eiser, de zwaarwegendheid ervan niet behoeft te worden beoordeeld, is de rechtbank van oordeel dat de vraag of de gewijzigde situatie in Irak met toepassing van artikel 83 van de Vw 2000 moet worden meegenomen in het kader van de beoordeling van het individuele relaas niet meer aan de orde kan komen. Immers, de ingeroepen nieuwe feiten en omstandigheden kunnen in casu slechts relevant zijn bij een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas, waarvan in dit geval gelet op het vorenoverwogene geen sprake is.

Eiser heeft in beroep tevens aanspraak gemaakt op toelating op grond van artikel 29, onder d, van de Vw 2000, zulks op grond van het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Centraal Irak.

De rechtbank constateert dat ook in dit kader namens eiser is verzocht de gewijzigde situatie in Irak met toepassing van artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 bij de beoordeling van het bestreden besluit te betrekken.

Verweerder heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het op dit moment niet mogelijk is om te beoordelen wat de gevolgen van deze gewijzigde omstandigheden zijn voor de bestreden beschikking. Verweerder meent dan ook dat de goede procesorde zich ertegen verzet dat bij de rechterlijke beoordeling van het beroep rekening wordt gehouden met de onzekere situatie in Irak, althans dat de afdoening van de onderhavige zaak hierdoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. Verweerder heeft in dit verband ook verwezen naar artikel 8:69 van de Awb.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat de ingeroepen feiten en omstandigheden zijn opgekomen na het nemen van het bestreden besluit en dat deze relevant kunnen zijn voor de ter beoordeling voorliggende beschikking omtrent de verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

De rechtbank deelt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 januari 2004, zaaknummer 200305232/1, niet het standpunt van verweerder dat de goede procesorde zich verzet tegen toepassing van artikel 83 van de Vw 2000, dan wel dat de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

Voor zover verweerder heeft beoogd te stellen dat artikel 8:69 van de Awb niet toestaat dat hangende de beroepsprocedure alsnog nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 83 van de Vw 2000 worden ingeroepen, deelt de rechtbank deze stellingname niet. Immers, artikel 8:69 van de Awb brengt met zich dat de omvang van het aanhangig gemaakte geschil niet in een later stadium van de beroepsprocedure alsnog kan worden uitgebreid, doch dit laat onverlet dat binnen de grondslag van het aanhangige beroep nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83 van de Vw 2000 hangende de beroepsprocedure nog kunnen worden ingeroepen. Een andersluidende opvatting zou met zich brengen dat aan artikel 83 van de Vw 2000 geen betekenis meer toekomt.

Weliswaar is het door de minister ingestelde besluitmoratorium niet van toepassing op de onderhavige asielaanvraag, doch dit laat onverlet dat vastgesteld moet worden dat het standpunt van de minister omtrent de ingeroepen feiten en omstandigheden in zoverre duidelijk is dat het thans niet mogelijk is om een inhoudelijk oordeel te geven omtrent de asielaanvraag. Derhalve moet het er voor worden gehouden dat verweerder de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering thans niet onverkort handhaaft.

De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen bij gebreke van een deugdelijke motivering als bedoel in artikel 7:12 van de Awb.

Het beroep van eiser is derhalve gegrond.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

? 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

? 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

? waarde per punt € 322,-;

? wegingsfactor 1.

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Daar in de onderhavige zaken geen griffierecht is geheven behoeft dit niet te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.M. de Kruif als griffier op 19 februari 2004.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschriften verzonden: 20 februari 2004