Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO5280

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-01-2004
Datum publicatie
25-03-2004
Zaaknummer
AWB 02/1011, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verblijf bij referent / strafrechtelijke procedure.

Eisers beogen verblijf bij ouders. Uit verklaringen van referenten blijkt dat referenten niet de ouders maar de grootouders zijn. Verweerder stelt dat referent in verband hiermee onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van valsheid in geschrifte. De informatie in het dossier dienaangaande is tegenstrijdig en niet valt in te zien dat verweerder de veroordeling van referent niet met meer stukken kon onderbouwen. Een en ander klemt te meer nu verweerder kennelijk groot belang hechtte aan de uitkomst van de strafrechtelijke procedure. Voorts betrekt de rechtbank in haar overweging dat verweerder de primaire beschikking eerst acht jaar na de aanvraag heeft genomen. Dit tijdsverloop is ontstaan door de pogingen die zijn gedaan om de familierechtelijke relatie tussen eisers en referenten te achterhalen, aldus de bestreden beschikking. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hiermee slechts wordt gedoeld op het afwachten van de strafrechtelijke procedure tegen referent. De bestreden beschikking berust niet op een deugdelijke motivering. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nrs.: AWB 02/1011 BEPTDN en AWB 02/5976 BEPTDN (beroepszaken)

AWB 02/1010 BEPTDN en AWB 02/5963 BEPTDN (voorlopige voorzieningen)

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter, inzake de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening van:

A, geboren op [...] 1983 en

B, geboren op [...] 1985, beiden van Turkse nationaliteit, eisers/verzoekers,

gemachtigde: mr. V. Kü?ükerbil, advocaat te Den Haag,

tegen een besluit van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. H. Ipenburg, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij beslissing van 10 december 2001 heeft verweerder het bezwaar van eisers/verzoekers (hierna te noemen: eisers) tegen zijn besluit van 11 augustus 2000 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van A van 25 maart 1992 en van B van 1 juni 1992 om hen een vergunning tot verblijf te verlenen niet ingewilligd. Eisers hebben tegen de beslissing van 10 december 2001 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

De behandeling van het beroepschrift mogen eisers niet in Nederland afwachten. Eisers hebben de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting achterwege dient te blijven, zolang niet op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 11 november 2003. Ter zitting hebben eisers en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van de beroepen

In de hoofdzaak dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van het bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of deze beslissing de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Met ingang van 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) in werking getreden. Artikel 122 Vw bepaalt dat de tot dan geldende vreemdelingenwet wordt ingetrokken.

Ten aanzien van het toepasselijke materiële recht in een situatie als in dit geding aan de orde is bij de Vw geen overgangsrecht tot stand gebracht. Gegeven het onmiddellijkheidsbeginsel van wetgeving leidt dit tot de conclusie dat direct toetsing aan het nieuwe materiële recht dient plaats te vinden.

Eisers leggen aan de aanvraag ten grondslag dat zij in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij ouders, C en D" (hierna: referenten). Nadat C op 9 februari 2000 is overleden, hebben eisers aangegeven verblijf bij D te beogen.

Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. In bezwaar hebben eisers aangevoerd dat zij thans in het bezit zijn van een op hun naam staand paspoort en dat hieruit valt af te leiden dat zij wel degelijk de kinderen zijn van referenten. Eisers worden hierin niet gevolgd. Referenten en ook andere familieleden hebben verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat referenten niet de ouders maar de grootouders van eisers zijn. Van deze verklaringen zijn processen-verbaal opgemaakt d.d. 21 oktober 1993, 22 oktober 1993 en 8 november 1993. Naar aanleiding van deze verklaringen zijn verscheidene strafrechtelijke onderzoeken gestart hetgeen in ieder geval heeft geleid tot de veroordeling van referent door de politierechter van het parket te Rotterdam tot een detentieperiode van drie maanden met een proeftijd van twee jaar. Tegen deze uitspraak is door de Officier van Justitie beroep aangetekend. De in de primaire beschikking genoemde cassatieprocedure bij de Hoge Raad is, zo is ter zitting (van de ambtelijke commissie) gebleken, voortijdig afgebroken in verband met het overlijden van referent.

Nu referenten zelf hebben verklaard dat de huidige identiteit van eisers in Turkije op onjuiste wijze tot stand is gekomen, kan aan de overgelegde paspoorten en geboorteakten geen waarde worden gehecht. Derhalve is de juiste familierechtelijke relatie tussen eisers en referenten niet vast komen te staan.

Ten aanzien van eisers beroep op het driejarenbeleid wordt overwogen dat aan één of meer voorwaarden niet is voldaan, nu er ernstige twijfels bestaan omtrent de identiteit van eisers. Voorts bestaat geen aanleiding om de gevraagde vergunning in afwijking van het gevoerde beleid te verlenen. Evenmin is sprake van een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Eisers bestrijden dit besluit en voeren daartegen aan dat eerst na acht jaar een primaire beslissing is genomen. Het paspoortvereiste is ten onrechte aan eisers tegengeworpen. Eisers hebben steeds aan de voorwaarden voor verlening van de vergunning voldaan. De standstill bepaling van het associatieverdrag EU-Turkije is van toepassing. Opgemerkt wordt dat alle relevante officiële stukken betreffende de familierechtelijke relatie zijn overgelegd. Deze stukken zijn niet vals althans verweerder heeft dit niet kunnen aantonen. Verweerder dient de aan de weigeringsbeslissing ten grondslag liggende feiten aannemelijk te maken. Ten onrechte is het beroep op het driejarenbeleid niet gehonoreerd. Als verweerder er in tien jaar niet in slaagt om een onherroepelijke beslissing te bewerkstelligen kan en mag dit niet voor rekening van eisers komen. Eisers zijn in de Nederlandse samenleving geïntegreerd. Gelet op de totale duur en aard van het verblijf hier te lande, verzetten humanitaire redenen zich tegen terugkeer naar Turkije.

Ingevolge artikel 13 Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien - voor zover hier van belang- internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Ingevolge artikel 14, eerste lid onder a, Vw is onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen. Ingevolge het tweede lid van evengenoemd artikel wordt een vergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

Ingevolge artikel 3.13 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 genoemde voorwaarden.

In hoofdstuk B2/6.3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is neergelegd dat ook altijd voldaan dient te worden aan de voorwaarde dat de familierechtelijke betrekking tot degene bij wie verblijf wordt beoogd, door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden wordt aangetoond.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verweerder eerst ruim acht jaar na het indienen van de onderhavige aanvragen een primaire beschikking heeft genomen. Als verklaring hiervoor heeft verweerder ter zitting aangegeven dat uit zorgvuldigheidsoverwegingen is gewacht op een onherroepelijke uitspraak in de strafrechtelijke procedure die tegen referent is gevoerd. De rechtbank concludeert hieruit dat verweerder groot belang heeft gehecht aan de uitkomst hiervan. De bestreden beschikking steunt dan ook in belangrijke mate op deze strafrechtelijke veroordeling.

Eisers ontkennen ten stelligste dat referent onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van een strafbaar feit. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier inderdaad onvoldoende aanknopingspunten voor deze conclusie. In het dossier bevinden zich twee telefoonnotities van verweerder. In de telefoonnotitie van 2 maart 2000 staat het volgende: (…) Deze is op 16-12-98 bij politierechter geweest en vrijgesproken. OvJ is hier tegen in hoger beroep gegaan, 3 maanden geëist met proeftijd van 2 jaren. Thans in cassatie, bij Hoge Raad: parketnummer 22.000.254-99.

In de telefoonnotitie van 8 november 2001 staat te lezen: In vervolg op produktie 11, telefoongesprek dd 2 maart 2000. Parketnummer 10.070571.91 (C). Op 16/12/98 bij politierechter en vrijgesproken. OvJ in beroep, C kreeg 3 maanden en 2 jaar proeftijd. In cassatie bij Hoge Raad, uitspraak 4/7/00: OM niet-ontvankelijk. In de bestreden beschikking staat evenwel dat referent door de politierechter van het parket Rotterdam is veroordeeld tot een detentieperiode van drie maanden met een proeftijd van twee jaar. Tegen deze uitspraak is door de Officier van Justitie beroep aangetekend. De in de primaire beschikking genoemde cassatieprocedure bij de Hoge Raad is voortijdig afgebroken in verband met het overlijden van referent. De overweging in de bestreden beschikking is derhalve niet in overeenstemming met de informatie die in de telefoonnotities is neergelegd. Gelet hierop en in aanmerking nemend dat niet valt in te zien dat verweerder niet meer stukken in kon brengen om te onderbouwen dat referent onherroepelijk is veroordeeld, acht de rechtbank niet uitgesloten dat referent niet onherroepelijk is veroordeeld, zoals door eisers stellig is betoogd. Een en ander klemt te meer nu verweerder, zoals hiervoor reeds overwogen, kennelijk groot belang hechtte aan de uitkomst van de strafrechtelijke procedure tegen referent.

Vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en derhalve is genomen in strijd met artikel 3:2 Awb.

Voorts heeft de rechtbank in haar overwegingen betrokken dat verweerder in de bestreden beschikking heeft overwogen dat het tijdsverloop in de onderhavige procedure is ontstaan door de pogingen die zijn gedaan om de familierechtelijke relatie tussen eisers en referenten te achterhalen, onder meer door het afwachten van het strafrechtelijk onderzoek. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd evenwel verklaard dat daarmee slechts wordt gedoeld op het afwachten van het strafrechtelijk onderzoek. De bestreden beschikking komt derhalve tevens voor vernietiging in aanmerking, nu deze op dit onderdeel niet berust op een deugdelijke motivering en is genomen in strijd met artikel 3:46 Awb.

Gelet op het vorenstaande behoeven de grieven die zijn aangevoerd in het kader van het driejarenbeleid geen verdere bespreking.

De beroepen zijn mitsdien gegrond.

De bestreden beschikking kan niet in stand blijven. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van de voorlopige voorzieningen

Gegeven de beslissing inzake de beroepen is er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorzieningen, zodat de verzoeken zullen worden afgewezen.

Ten overvloede voegt de rechtbank daar het volgende aan toe. Na deze uitspraak treedt de fase van bezwaar opnieuw in. In artikel 118, tweede lid, Vw is bepaald dat op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit dat bekend is gemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe Vreemdelingenwet, het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing blijft. Nu verweerder in het onderhavige geval schorsende werking heeft verleend aan het bezwaar, brengt het bepaalde in genoemd artikel met zich mee dat deze beslissing nog van kracht is.

Ten aanzien van de voorlopige voorzieningen en de beroepen

In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten.

De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-).

Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal € 109,- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

ten aanzien van de hoofdzaken:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van eisers, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet voldoen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad € 109,-.

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorzieningen:

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet voldoen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad € 109,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Borkent, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2004, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Bressers als griffier.

afschrift verzonden op: 2 februari 2004

RECHTSMIDDEL

Ingevolge artikel 120 Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.