Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO4477

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-01-2004
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/9815
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kirgizië / geloofwaardigheid asielrelaas.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. Ten aanzien van het standpunt dat eiseres niet als vluchteling is aan te merken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn standpunt onvoldoende gemotiveerd heeft. De rechtbank merkt op dat een relevant en recent ambtsbericht over de situatie in Kirgizië ontbreekt. Uit een door eiseres aangehaald Country Report van 2001 blijkt dat de situatie in Kirgizië niet rooskleurig is. Het asielrelaas van eiseres past in het beeld van de toestand zoals deze naar voren komt in het Country Report. Niet duidelijk is of de autoriteiten van Kirgizië eiseres bescherming kunnen en willen geven, temeer daar uit de verklaringen van eiseres volgt dat zij stelt te vrezen voor de politie. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij aangifte heeft gedaan van de gebeurtenissen, hetgeen niet heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek. Voorts heeft eiseres zich gewend tot een mensenrechtenorganisatie. Gelet op het voorgaande mocht verweerder niet zomaar voorbij gaan aan de stelling van eiseres dat zij geen bescherming kon verwachten van de autoriteiten. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Zutphen

Registratienummer: Awb 03/9815

UITSPRAAK

op het beroep in het geschil tussen:

A

geboren op [...] 1962,

van Kirgizische nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. C.D. den Hartogh, advocaat te Zutphen,

en

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

verweerder,

gemachtigde: mr. R. Jonkman, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2003 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij brief van 15 februari 2003 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is behandeld ter zitting van 10 oktober 2003, waar eiseres en haar gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. Motivering

2.1 Op grond van artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan, voor zover van belang, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Onder verdragsvluchteling wordt, voor zover van belang, verstaan: elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2.2 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.3 Het asielrelaas van eiseres luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

Eiseres is afkomstig uit Bishkek, Kirgizië en behoort tot de Russische bevolkingsgroep. In verband met zijn etnische afkomst is de zoon van eiseres een paar keer in elkaar geslagen. Voorts is geprobeerd de woning van eiseres en haar zoon in brand te steken, waarbij de schuur in vlammen opging. Toen de zoon van eiseres op een leeftijd kwam dat hij een oproep voor militaire dienst kon verwachten, is hij op advies van zijn moeder gevlucht. In april 2001 ontving eiseres een oproep voor militaire dienst voor haar zoon. Na 20 juni 2001 werd zij een aantal keren bezocht door mannen die zich voorstelden als politieagenten. Zij vroegen eiseres waar haar zoon was, uitten bedreigingen en vroegen om geld. Eiseres voldeed niet aan hun verzoek, waarna de mannen vertrokken. Op 27 augustus 2001 werd eiseres door twee dronken Kirgizische mannen een auto ingetrokken. Zij mishandelden haar, dwongen haar tegen haar wil wodka te drinken en probeerden haar te verkrachten. Eiseres herkende één van hen als één van de politiemannen die bij haar had geïnformeerd naar haar zoon. Nadat het eiseres gelukt was om te vluchten, heeft zij een dag later van het gebeurde aangifte gedaan. Tevens heeft er een medisch gerechtelijk onderzoek plaatsgevonden. Toen eiseres in november 2001 ging informeren wat er met haar aangifte was gedaan, werd haar schriftelijk medegedeeld dat er geen strafrechtelijk onderzoek kwam. De politie gaf haar het advies zich te wenden tot het Openbaar Ministerie. Op 4 december 2001 kwam de politie bij eiseres langs en nam haar mee. Zij werd drie dagen vastgehouden en is op 7 december 2001 weer vrijgelaten. Daarna durfde zij niet meer in haar huis te wonen en is naar een bevriende familie gegaan. Na dit voorval heeft eiseres juridische hulp gezocht bij een advocaat. Tevens heeft zij zich gewend tot het Comité voor de mensenrechten. Op advies van deze organisatie heeft eiseres zich vervolgens rond 10 december 2001 schriftelijk gewend tot het hoogste Openbaar Ministerie, ‘General Procuratura’, alwaar het verzoek van eiseres in behandeling is genomen. Eiseres heeft op advies van haar advocaat op 31 december 2001 haar land verlaten en is op 4 januari 2002 Nederland ingereisd.

2.4 Verweerder heeft de aanvraag primair op grond van de onder 2.2 vermelde bepalingen afgewezen en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiseres niet geloofwaardig is.

Verweerder heeft daartoe - kort samengevat - overwogen dat:

- eiseres toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ten behoeve van de vaststelling van haar identiteit, nationaliteit en reisroute alsmede ter adstructie van haar asielrelaas;

- eiseres door het vernietigen van haar paspoort en een geldig visum voor Frankrijk de Nederlandse autoriteiten de mogelijkheid heeft ontnomen om deze documenten op authenticiteit te controleren;

- de echtheid van de overgelegde geboorteakte niet kan worden vastgesteld blijkens het proces-verbaal van de Kmar van 16 januari 2002;

- eiseres haar reisverhaal niet heeft onderbouwd met het gebruikte grensoverschrijdingsdocument. Nu zij haar paspoort heeft vernietigd is niet onomstotelijk komen vast te staan dat zij daadwerkelijk op de door haar aangegeven vlucht Nederland is ingereisd;

- eiseres en haar zoon, die in de eerste helft van 2001 Nederland is ingereisd, geen eenduidige verklaringen hebben afgelegd over de ontstane schade ten gevolge van de door hen gestelde brand in de ouderlijke woning;

- in het overgelegde rapport van de brandweer het huisnummer van het pand wel overeenkomt met de verklaring van eiseres, doch niet met de verklaring van haar zoon;

- eiseres en haar zoon tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over de verblijfplaats van de moeder van eiseres;

- de verklaringen van eiseres dat de mannen die haar lastigvielen politiefunctionarissen waren en haar angst dat deze mannen voornemens waren drugs in haar woning te verstoppen, gebaseerd zijn op vermoedens en op geen enkele manier nader onderbouwd zijn;

- het bevreemding wekt dat eiseres louter en alleen vanwege de slechte staat van haar gebit pas na twee en een halve maand naar het politiebureau is gegaan om te informeren naar de stand van zaken betreffende de door haar gedane aangifte;

- aan de overgelegde documenten niet die waarde kan worden gehecht die eiseres daaraan gehecht zou willen zien, nu niet duidelijk is geworden op wiens advies eiseres zich tot de hogere autoriteiten heeft gewend;

- eiseres tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het al dan niet naar huis zijn geweest de periode direct na de door haar gestelde detentie.

2.5 Volgens vaste rechtspraak behoort de vaststelling of en in hoeverre bij de beoordeling van een asielrelaas wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder. Die vaststelling kan door de rechtbank slechts terughoudend worden getoetst.

2.6 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres toerekenbaar geen dan wel onvoldoende documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar identiteit en nationaliteit en dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

2.7 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 27 januari 2003, nr. 200206297/1, brengt dit met zich dat in het relaas voor het overige geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.8 Verweerder heeft overwogen dat de verklaringen van eiseres en haar zoon met betrekking tot het huisnummer van hun woning niet overeenkomen. Zo heeft eiseres tijdens het eerste gehoor verklaard dat zij op huisnummer 262 heeft gewoond, terwijl haar zoon in eerste instantie heeft verklaard dat hij op huisnummer 62 heeft gewoond.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat door verweerder niet weersproken is dat de zoon van eiseres in de correcties en aanvullingen in zijn procedure het huisnummer heeft gewijzigd in 262. De rechtbank overweegt verder dat verweerder heeft overwogen dat uit een rapport van de brandweer is gebleken dat het huisnummer van het daarin genoemde pand overeenkomt met het huisnummer dat eiseres heeft opgegeven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat aan eiseres niet kan worden tegengeworpen dat haar verklaring met betrekking tot het huisnummer niet overeenkomt met de verklaring van haar zoon hieromtrent.

Voor zover verweerder eiseres heeft tegengeworpen dat zij en haar zoon tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over de brand in de ouderlijke woning, overweegt de rechtbank dat verweerder op basis van de verklaringen, zoals die door eiseres zijn afgelegd en weergegeven in het rapport van aanvullend gehoor, in redelijkheid niet tot dat oordeel heeft kunnen komen. Niet zonder meer valt in te zien dat de tijdens het aanvullend gehoor naar voren gebrachte verklaring van eiseres dat men geprobeerd heeft het huis in brand te steken en dat daarbij alleen de schuur is afgebrand, als strijdig moet worden aangemerkt met de door de zoon van eiseres afgelegde verklaring, dat de voordeur en de schuur in brand stonden. Overigens merkt de rechtbank in dit verband op dat eiseres de brand heeft aangehaald naar aanleiding van de problemen die haar zoon heeft ondervonden vanwege zijn etnische afkomst.

Verweerder heeft eiseres verder tegengeworpen dat haar verklaringen over de woon/verblijfplaats van haar moeder tegenstrijdig zijn met de verklaringen van haar zoon hieromtrent. Zo heeft eiseres verklaard dat haar moeder in dezelfde straat op huisnummer 260 woonde, terwijl haar zoon op de vraag of hij op hetzelfde adres met zijn moeder woonde, heeft geantwoord met ‘ja, ook met mijn oma’.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat de verklaring van eiseres inhoudende dat haar moeder in de naastgelegen woning woonde niet strijdig behoeft te zijn met de verklaring van haar zoon dat hij ook met zijn oma woonde. In de dagelijkse praktijk is een sterke verweving van de huishoudens van eiseres en haar moeder aannemelijk te achten.

De rechtbank overweegt voorts dat niet valt in te zien dat aan de overgelegde documenten niet die waarde kan worden gehecht die eiseres daaraan gehecht zou willen zien, omdat aan verweerder niet duidelijk is geworden op wiens advies eiseres zich tot de hogere autoriteiten heeft gewend. De rechtbank merkt in dit verband op dat eiseres in het aanvullend gehoor heeft verklaard dat zij medio november 2001 naar de politie is gegaan om te informeren naar de afhandeling van haar aangifte. Nadat zij had gehoord dat er geen strafrechtelijk onderzoek was ingesteld en om uitleg vroeg, heeft zij het advies gekregen om zich te wenden tot het Openbaar Ministerie. Volgens het aanvullend gehoor, pagina 10, heeft zij zich in eerste instantie op advies van de politie gericht tot het Openbaar Ministerie dat bij het stadsdistrict behoort. Volgens pagina 11 van het aanvullend gehoor heeft eiseres zich eerst rond 10 december 2001 op advies van het Comité voor de mensenrechten gericht tot het hoogste niveau van het Openbaar Ministerie. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt kunnen stellen dat niet duidelijk is geworden op wiens advies eiseres zich tot de hogere autoriteiten heeft gericht.

Verweerder heeft tenslotte gesteld dat eiseres tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het al dan niet naar huis zijn geweest in de periode direct na de door haar gestelde detentie. Eiseres heeft dit ter zitting nader toegelicht en verklaard dat zij na haar vrijlating even naar huis is geweest om haar paspoort op te halen, doch dat zij niet meer in het huis heeft gewoond. Eiseres heeft tevens verklaard dat haar moeder de overige documenten voor haar heeft opgehaald.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de verklaringen van eiseres op dit onderdeel tegenstrijdig zouden zijn, te meer daar eiseres op pagina 13 van het aanvullend gehoor eveneens heeft verklaard dat zij niet meer thuis woonde, doch alleen maar heel even naar binnen is gegaan om een paar dingen te pakken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is.

2.9 Nu de rechtbank anders dan verweerder niet twijfelt aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas, dient te worden beoordeeld of eiseres gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag.

2.10 Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat eiseres niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag. Verweerder heeft daartoe overwogen dat:

- eiseres zelf ontslag heeft genomen uit haar betrekking in het onderwijs;

- de oproep voor dienstplicht betrekking heeft op de zoon van eiseres;

- met betrekking tot de gestelde ontvoering en mishandeling niet gebleken is dat er een relatie is met de autoriteiten van het land van herkomst of met een groepering waartegen de autoriteiten geen bescherming kunnen bieden;

- het er meer op lijkt dat de bij de gebeurtenissen betrokken mannen op eigen initiatief hebben gehandeld;

- uit de overgelegde correspondentie blijkt, dat de hoogste autoriteiten de klacht van eiseres serieus in behandeling hebben genomen;

- de bescherming van het Verdrag niet met succes kan worden ingeroepen tegen een normale strafvervolging wegens verdenking van een commuun delict.

2.11 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat de daders tot de politie behoorden en dat zij van de autoriteiten niet de gevraagde bescherming kreeg nu de autoriteiten niet tot vervolging van de daders overgingen.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de positie van vrouwen in Kirgizië bijzonder wankel is, dat seksueel geweld en andere misdragingen van politiefunctionarissen tegen vrouwen geregeld voorkomt en dat de vervolging van voor deze daden verantwoordelijke politieagenten zeer te wensen overlaat. Verwezen wordt onder meer naar Country Reports on Human Rights Practices 2001, 4 maart 2002.

2.12 De rechtbank oordeelt dat voor zover eiseres stelt dat zij verdragsvluchteling is, voorop moet worden gesteld dat de situatie in Kirgizië niet zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als verdragsvluchteling behoren te worden aangemerkt. Eiseres zal aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot haar persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die haar vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin kunnen rechtvaardigen.

2.13 De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres niet als vluchteling kan worden aangemerkt. De rechtbank merkt in dit verband op dat een – voor onderhavige zaak relevant en recent – ambtsbericht over de situatie in Kigizië ontbreekt. Uit het door eiseres aangehaalde Country Report van 2001 inzake Kirgizië blijkt naar het oordeel van de rechtbank, dat de situatie in Kirgizië niet rooskleurig is en dat de politie zich schuldig maakt aan mishandeling. Tevens blijkt dat de autoriteiten geen actie ondernemen tegen verkrachting van vrouwen.

De rechtbank overweegt dat het relaas van eiseres past in het beeld van de huidige toestand in Kirgizië zoals dat naar voren komt in bovengenoemd Country Report van 2001. Bovendien is niet duidelijk of de autoriteiten in Kirgizië eiseres bescherming kunnen en willen geven, temeer daar uit de verklaringen van eiseres volgt, dat zij stelt te vrezen voor de politie. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij aangifte heeft gedaan van de gebeurtenissen, hetgeen niet heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast heeft zij zich gewend tot een Mensenrechtenorganisatie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op het voorgaande niet zomaar voorbij mocht gaan aan de stelling van eiseres dat zij geen bescherming kon verwachten van de autoriteiten.

2.14 Geoordeeld moet derhalve worden dat een deugdelijke motivering in het onderhavige geval ontbreekt en dat het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt.

2.15 Het voorgaande brengt met zich mee dat het beroep van eiseres gegrond is. De rechtbank vernietigt derhalve het bestreden besluit en zal verweerder opdragen hierover opnieuw te beslissen.

2.16 Gelet op het bovenstaande bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor 1).

Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,- ter zake van rechtsbijstand te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de rechtbank, zittingsplaats Zutphen, door storting op bankrekeningnummer 1923.25.922 ten name van Arrondissement DS 547 Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer.

Aldus gegeven door mr. E.G. de Jong en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2004 in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff als griffier.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak dient te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 8 januari 2004