Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO4335

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-02-2004
Datum publicatie
13-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/5596 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

verzoekers bijstandsuitkering met ingang van 1 november 2003 is beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2004, 95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 03/5596 ABW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

ten aanzien van het besluit van 13 januari 2004 van het college van burgemeesters en wethouders van Den Haag, verweerder, waarbij verzoekers bijstandsuitkering met ingang van 1 november 2003 is beëindigd.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 2 februari 2004.

Verzoeker is in persoon verschenen, vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door mr. J.L.Plokker, advocaat te Den Haag.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de voorzieningenrechter het volgende vast.

Verzoeker heeft sedert 1 mei 1985 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan ontvangen naar de norm voor gehuwden.

Bij brief van 13 november 2003 is aan verzoeker meegedeeld dat zijn bijstandsuitkering met ingang van 1 november 2003 is stopgezet omdat het recht op uitkering niet kan worden beoordeeld. Daarbij is aan verzoeker meegedeeld dat hij binnen 14 dagen na dagtekening van de brief contact diende op te nemen met zijn bijstandsmedewerker en dat, indien hij niet binnen de genoemde termijn reageert, het recht op uitkering wordt opgeschort met als mogelijke consequentie dat zijn uitkering wordt ingetrokken en dat een boete wordt opgelegd.

Bij besluit van 15 december 2003 is verzoekers uitkering ingevolge de Abw met ingang van 1 november 2003 ingetrokken op de grond dat verzoeker de in de brief van 13 november 2003 gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken dan wel dat hij in onvoldoende mate aan de gestelde verplichtingen heeft voldaan.

Namens verzoeker is tegen dit besluit bij brief van 30 december 2003 bezwaar gemaakt. Tevens is bij brief van gelijke datum de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 13 januari 2004 heeft verweerder verzoekers bijstands-uitkering met ingang van 1 november 2003 beëindigd. Daarbij heeft verweerder overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat verzoeker werkzaamheden verricht, waardoor het recht op bijstand niet is te bepalen en waardoor er geen recht op bijstand bestaat.

Bij besluit van 21 januari 2004 is aan verzoeker meegedeeld dat het besluit van 15 december 2003 geheel of gedeeltelijk onjuist is en dat hij dit besluit als vervallen dient te beschouwen.

Bij brief van 22 januari 2004 is namens verzoeker bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 januari 2004. Bij brief van 26 januari 2004 zijn de gronden van het verzoek om voorlopige voorziening aangevuld.

Verweerder heeft de uitkering beëindigd omdat verzoeker werkzaamheden zou verrichten bij het meubelstofferingbedrijf [naam], gevestigd aan de [adres] te [woonplaats]. Het standpunt van verweerder is met name gebaseerd op de observaties die in de periode van 10 november 2003 tot en met 16 december 2003 hebben plaatsgevonden nadat op 8 oktober 2003 een anonieme telefonische melding bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (DSZW) was binnengekomen.

Verzoeker ontkent daarentegen dat hij bij het genoemde stoffeerbedrijf werkzaamheden heeft verricht. Hij stelt dat hij zich elke ochtend door zijn zoon bij het stoffeerbedrijf laat afzetten om een babbeltje te maken en koffie te drinken en daar dan een uur tot anderhalf uur blijft. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft verzoeker een verklaring overgelegd van de eigenaar van het stoffeerbedrijf die een goede vriend van hem is. Hij wijst er nog op dat hij door de DSZW ingeschakelde keuringsarts volledig arbeidsongeschikt wordt geacht.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (WWB) in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Als gevolg van de gefaseerde invoering van de WWB worden een aantal artikelen uit de Abw pas ingetrokken als de betreffende artikelen uit de WWB in werking zijn getreden. In het onderhavige geval zijn de artikelen 11 WWB en 65 Abw van toepassing. Ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Invoeringswet WWB (IWWB) dient met betrekking tot artikel 65 Abw met toepassing van de Abw te worden beslist.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Awb doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op, het geldend maken daarvan, de hoogte of duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de inlichtingenplicht van artikel 65 van de Abw in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Abw (thans artikel 11, eerste lid, WWB) een rechtsgrond zijn voor de weigering dan wel de beëindiging van de bijstandsuitkering, wanneer als gevolg daarvan het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld.

Gelet op hetgeen uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gezegd dat verweerder zich op onjuiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker werkzaamheden heeft verricht bij het meubelstofferingbedrijf [naam]. Hoewel aan verzoeker kan worden toegegeven dat nimmer is vastgesteld dat hij, zoals door verweerder wordt aangenomen, daadwerkelijk gedurende zes uur per dag in het stoffeerbedrijf aan het werk was, is tijdens de verrichte observaties wel met grote regelmaat waargenomen dat verzoeker ’s ochtends tegen 8.30 uur bij het bedrijf aankwam en de loods betrad. Ook op 1 december 2003 is waargenomen dat verzoeker de loods heeft betreden, hoewel hij en zijn echtgenote even na het spreekuur op het wijkkantoor waren uitgenodigd. Voorts is op 15 december 2003 gezien dat verzoeker met een man de loods uitkwam en een in plastic verpakte driezitsbank in een bus heeft ingeladen. Verzoeker ontkent ook niet dat hij iedere dag in de loods aanwezig was. Dat verzoeker daar slechts kwam om een babbeltje te maken en koffie te drinken, komt de voorzieningenrechter niet geloofwaardig voor.

Op grond van de anonieme tip, de verrichte observaties en de verklaring van verzoeker heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht geconcludeerd dat door verzoeker werkzaamheden zijn verricht. Door hiervan geen melding te doen heeft verzoeker de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

Gelet op het vorenstaande zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit na heroverweging in bezwaar niet in stand zal kunnen worden gelaten. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb komt mitsdien niet voor inwilliging in aanmerking.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2004, in tegenwoordigheid van de griffier M. van Vlodrop.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: