Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO3999

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-02-2004
Datum publicatie
25-03-2004
Zaaknummer
AWB 02/70114, 02/70115
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid asielrelaas / traumatabeleid.

Niet in geschil is dat de gewelddadige dood van de ouders van eisers een traumatische ervaring betreft die onder de limitatieve opsomming van het traumatabeleid valt. Gelet op hetgeen eisers tijdens hun nadere gehoren hebben verklaard, kan met verweerder worden toegegeven dat niet zonder meer duidelijk is geworden of de ouders van eisers door de militairen dan wel de politie zijn vermoord. Echter uit hetgeen eisers hebben verklaard is wel aannemelijk geworden dat de daders geüniformeerde mannen zijn geweest, hetgeen aannemelijk maakt dat de moorden van overheidswege zijn geschied. Voorts valt niet in te zien hoe eisers zich tijdens de gestelde gebeurtenis die duidelijk een doodsbeangstigend effect op eisers heeft gehad, op de hoogte hadden moeten stellen van de daders. Aan eisers, die tijdens de gebeurtenis veertien en dertien jaar oud waren, kunnen bezwaarlijk en niet zonder meer dezelfde (bewijs en redeneer-)eisen worden gesteld die aan volwassen asielzoekers plegen te worden gesteld. Ook in het beleid is gesteld dat het toetsingskader voor minderjarige asielzoekers gelijk is aan het toetsingskader voor volwassen asielzoekers, waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere positie waarin minderjarigen kunnen verkeren en dat in het Handbook is aangegeven dat bij de beoordeling of er sprake is van vluchtelingenschap rekening gehouden moet worden met de mate van geestelijke ontwikkeling en volwassenheid van de alleenstaande minderjarige. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te ’s-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/70114 BEPTDN (beroep eiser)

AWB 02/70115 BEPTDN (beroep eiseres)

inzake: A, geboren op [...] 1987, eiser en B, geboren op [...] 1988, eiseres, beiden van Angolese nationaliteit en wonende te C, hierna tezamen eisers,

gemachtigde: mr. M. Pals, medewerker van de Stichting Rechtsbijstand Asiel Noordoost-Nederland te Zwolle,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: drs. P.E.G. Heijdanus Meershoek, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 22 februari 2002 hebben eisers aanvragen ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 17 juni 2002 heeft verweerder aan eisers schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvragen af te wijzen. Bij brief van 9 augustus 2002 hebben eisers hun zienswijze naar voren gebracht. Bij afzonderlijke besluiten van 16 augustus 2002 heeft verweerder de aanvragen afgewezen.

2. Bij beroepschriften van 12 september 2002 hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van de beroepen zijn ingediend bij brief van 14 oktober 2002. Op 28 augustus 2003 zijn de op de zaken betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. De beroepen zijn aangevuld bij schrijven van 8 oktober 2003. In het verweerschrift van 30 oktober 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2003. Eisers en hun gemachtigde zijn aldaar met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Bij de besluiten van 16 augustus 2002 is aan eisers een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, geldig van 22 februari 2002 tot 22 februari 2003.

III. ASIELRELAAS

Eisers hebben - zakelijk weergegeven - naar voren gebracht dat hun ouders op 20 januari 2002 zijn vermoord door de politie, omdat hun vader, die militair bij de Forcas Armadas Angolas (FAA) was, ervan werd beschuldigd van de UNITA te zijn. Eisers konden aan de schietpartij ontkomen omdat zij zich op bevel van hun vader in hun slaapkamer hadden verstopt. Zij hebben gehoord hoe er werd geschoten. Toen zij later beneden kwamen, vonden zij hun vermoorde ouders. Zij zijn direct gevlucht naar een vriend van hun vader, D. Deze vertelde eisers dat het ook voor hen niet meer veilig was om in Angola te blijven en heeft voor hen de reis naar Nederland geregeld.

IV. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 en heeft de aanvragen afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Niet aannemelijk is dat eisers gegronde vrees voor vervolging hebben. Niet aannemelijk is dat hun ouders door de politie zijn gedood, omdat eisers dit slechts baseren op vermoedens. Zij hebben de daders niet gezien en hebben ook bij de buren niet geïnformeerd. Ook hun vriend D heeft zich op vermoedens gebaseerd. De problemen van hun vader vormen evenmin aanleiding om tot vluchtelingschap te concluderen. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat eisers in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan, nu niet is gebleken dat zij door de autoriteiten werden gezocht.

Bij terugkeer lopen eisers geen risico op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts kunnen eisers geen geslaagd beroep doen op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, omdat niet aannemelijk is dat hun ouders van overheidswege zijn gedood.

2. Eisers leggen aan hun beroepen ten grondslag dat zij in aanmerking komen voor de gevraagde verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Het is wel aannemelijk dat militairen ofwel de politie hun ouders hebben vermoord en niet medeburgers, omdat zich in Luanda geen andere geüniformeerde oppositionele groepen bevinden. Voorts kan van eisers vanwege hun minderjarigheid niet worden verwacht dat zij zaken zelfstandig uitzoeken. Bovendien hebben zij zich door volwassenen laten leiden. Vanwege klemmende redenen van humanitaire aard, verband houdende met persoonlijke omstandigheden, en bezien tegen de achtergrond van de situatie in Angola, kan van eisers in redelijkheid niet worden gevergd om terug te keren. Subsidiair is het traumatabeleid ten onrechte door de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 gewijzigd terwijl uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het traumatabeleid gehandhaafd zou blijven. Voorheen kon men wel een verblijfsvergunning krijgen indien medeburgers de ouders hadden vermoord.

V. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

4. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

5. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

6. De rechtbank stelt vast - naar aanleiding van hetgeen door verweerder desgevraagd ter zitting is gesteld - dat verweerder het relaas van eisers niet als ongeloofwaardig heeft aangemerkt, maar dat verweerder zich op het standpunt stelt dat niet aannemelijk is dat de ouders van eisers van overheidswege zijn vermoord. Het beroep heeft zich gespitst op de vraag of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

7. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat de gewelddadige dood van de ouders van eisers een traumatische ervaring betreft die onder de limitatieve opsomming van gebeurtenissen valt die aanleiding kunnen geven tot verblijfsaanvaarding op grond van het traumatabeleid. Blijkens paragraaf C1/4.4.2.1 van de Vc 2000 ziet het traumatabeleid, voor zover hier van belang, op traumatiserend geachte ervaringen die zijn veroorzaakt van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden.

8. In dit kader is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun ouders van overheidswege zijn vermoord. Gelet op hetgeen eisers tijdens hun nadere gehoren hebben verklaard, kan met verweerder worden toegegeven dat niet zonder meer duidelijk is geworden of de ouders van eisers door de militairen dan wel de politie zijn vermoord. Echter, uit hetgeen eisers hebben verklaard, is wel aannemelijk geworden dat de daders geüniformeerde mannen zijn geweest, hetgeen aannemelijk maakt dat de moorden van overheidswege zijn geschied. In ieder geval heeft ook de contactambtenaar in zijn vraagstelling gebruik gemaakt van de woorden “politie” en “militairen”.

De rechtbank vermag voorts niet in te zien hoe eisers zich - in de door hen (eenduidig) beschreven situatie - tijdens de moordpartij, die duidelijk een doodsbeangstigend effect op eisers heeft gehad, op de hoogte hadden moeten stellen van de daders. Ten aanzien van de stelling dat zij ook niet bij de buren hebben geïnformeerd, hebben eisers aangegeven dat de buren tijdens de gebeurtenis niet wakker zijn geworden, omdat deze bang waren dat zij anders ook zouden worden doodgeschoten.

Bovendien hebben eiser reeds in het voornemen aangevoerd - en in beroep herhaald - dat wel degelijk aannemelijk is dat ofwel militairen ofwel de politie de ouders van eisers hebben vermoord, nu in de woonplaats van eisers, Luanda, zich geen andere geüniformeerde oppositionele groepen bevonden en de UNITA zich buiten een straal van 50 kilometer buiten Luanda bevond. Ter ondersteuning hebben eisers beiden verklaard dat er “UNITA-verrader” werd geschreeuwd.

9. De rechtbank is bovendien van oordeel dat verweerder in het geheel voorbij is gegaan aan het jeugdige beoordelingsvermogen van eisers en dat zij zich na de schokkende gebeurtenis als minderjarigen natuurlijkerwijs en vanzelfsprekend hebben laten leiden door een volwassene die zij vertrouwden. Aan eisers, die tijdens de gebeurtenis op 20 januari 2002 respectievelijk 14 en 13 jaar oud waren, kunnen bezwaarlijk en niet zonder meer dezelfde (bewijs en redeneer-)eisen worden gesteld die - om een relaas aannemelijk te maken - aan volwassen asielzoekers plegen te worden gesteld. Ook in verweerders beleid (paragraaf C2/7.2 en C2/7.3.2 van de Vc 2000) is gesteld dat het toetsingskader voor minderjarige asielzoekers gelijk is aan het toetsingskader voor volwassen asielzoekers, waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere positie waarin minderjarigen kunnen verkeren en dat in het “Handbook on procedures and criteria for determining refugee status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees” van de United Nations High Commissioner for Refugees in de paragrafen 213 tot en met 219 is aangegeven dat bij de beoordeling of er sprake is van vluchtelingenschap rekening gehouden moet worden met de mate van geestelijke ontwikkeling en volwassenheid van de alleenstaande minderjarige.

In aanmerking genomen enerzijds de nog zeer jeugdige leeftijd van eisers tijdens de gebeurtenis en anderzijds de door hen tijdens het nader gehoor afgelegde (eenduidige) verklaringen, valt naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid niet in te zien waarom eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de moord op hun ouders is verricht van overheidswege.

10. Bovendien merkt de rechtbank op dat het verlenen van een verblijfsvergunning asiel wegens klemmende redenen van humanitaire aard niet beperkt is tot het traumatabeleid, als neergelegd in paragraaf C1/4.4.2.1 en volgende, van de Vc 2000. Verweerder heeft eveneens onvoldoende gereageerd op hetgeen door eisers is aangevoerd over hun persoonlijke omstandigheden in het kader van de bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard, als bedoeld in paragraaf C1/4.4.2.4 van de Vc 2000.

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de bestreden besluiten onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid en een voldoende daadkrachtige motivering ontberen. De beroepen dienen derhalve gegrond te worden verklaard en de bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Verweerder dient nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

12. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (twee keer 1 punt voor het beroepschrift, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

VI . BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart de beroepen gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met in-achtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

Gewezen door mr. E.H. de Jong-van Dooijeweert, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. Tajik-Smeets, griffier, en openbaar gemaakt op 10 februari 2004.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op: 10 februari 2004

Conc: DT

Coll: AHZ

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.