Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO3826

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
AWB 04/2032, 04/1957
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Bewaring / kennisgeving / nieuwe maatregel.

Eiser was eerder in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek bij uitspraak van 10 december 2003 geoordeeld dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig was. Vervolgens heeft verweerder de maatregel opgeheven, omdat de rechtbank niet tijdig in kennis was gesteld van het voortduren van de bewaring. Aansluitend is eiser op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000 gesteld. De rechtbank kan niet treden in de vraag of de eerdere inbewaringstelling onrechtmatig is geworden, omdat geen tijdige kennisgeving was gedaan van het voortduren ervan. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000 in bewaring mocht stellen, na opheffing van de eerdere maatregel, nu deze inbewaringstelling op een andere grond berust. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 04/2032 VRONTN S4

AWB 04/1957 VRONTN S4

uitspraak: 28 januari 2004

U I T S P R A A K

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren [...] 1965,

van Zaïrese (Congolese) nationaliteit,

IND-dossiernummer: 9402.24.0079,

thans verblijvende in het huis van bewaring te Ter Apel,

eiser,

gemachtigde: mr. Z.M.K.J. Berger, advocaat te Venlo,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: drs. A.M. Zeeman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

PROCESVERLOOP

Bij besluit van 12 januari 2004 is eiser op de voet van artikel 59, tweede lid, Vw 2000 in bewaring gesteld.

Namens eiser is op 14 januari 2004 beroep ingesteld tegen het voornoemde besluit waarbij is verzocht om schadevergoeding. Deze zaak is geregistreerd onder Awb 04/2032.

Namens verweerder is de rechtbank op 14 januari 2004 op grond van artikel 94, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van dit besluit. Deze zaak is geregistreerd onder Awb 04/1957.

Eiser is, bijgestaan door zijn gemachtigde, op 21 januari 2004 ter zitting gehoord.

Ter zitting was een tolk in de Franse taal aanwezig.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken omtrent het voortraject van de inbewaringstelling en omtrent de voor terugkeer noodzakelijke bescheiden. Zowel de rechtbank als de gemachtigde van eiser hebben kennis genomen van de op 23 januari 2004 ingekomen stukken van verweerder. De gemachtigde van eiser heeft op 26 januari 2004 op voornoemde stukken gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat nadere zitting achterwege kan blijven, nu partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Aangezien verweerder de rechtbank ingevolge artikel 94, eerste lid, Vw 2000 in kennis heeft gesteld van het aan de vreemdeling gerichte besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 Vw 2000, op dezelfde dag dat het beroepschrift is ingediend, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van de kennisgeving. Deze met een eerste beroep gelijk te stellen kennisgeving zal daarom niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Met betrekking tot het beroep van 14 januari 2004 overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser op 22 december 2002 reeds in vreemdelingenbewaring was gesteld. Na eerdere uitzettingspogingen is op 3 december 2003 twee maal geprobeerd om eiser uit te zetten. Aan het eind van de dag is eiser teruggebracht naar het huis van bewaring te Ter Apel. Op 4 december 2003 is vervolgens een brief uitgegaan van verweerder aan deze rechtbank, zitting houdende te Groningen, waarin was vermeld dat de bewaring was opgeheven. Op 5 december 2003 heeft de toenmalige gemachtigde van eiser het beroep ingetrokken en op 8 december 2003 heeft de gemachtigde vervolgens verzocht om de intrekking als niet verzonden te beschouwen. Deze rechtbank, zitting houdende te Groningen, heeft het onderzoek naar aanleiding van de kennisgeving van 24 november 2003 van het voortduren van de op 22 december 2002 opgelegde maatregel, op 9 december 2003 gesloten en heeft bij uitspraak van 10 december 2003 geoordeeld dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig is. Op 12 januari 2004 om 17.00 uur heeft verweerder de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 opgeheven en aansluitend is eiser op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000 in vreemdelingenbewaring gesteld.

Beoordeeld dient te worden of de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

De rechtbank overweegt als volgt.

De procedure leidend tot het besluit tot oplegging van de maatregel is in overeenstemming met de wettelijke vereisten. Hierbij acht de rechtbank het volgende van belang. Thans staat ter toets de inbewaringstelling van eiser op 12 januari 2004 op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000. De rechtbank kan niet treden in de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring die berust op het besluit van 22 december 2002. Deze rechtbank, zitting houdende te Groningen, heeft laatstelijk bij uitspraak van 10 december 2003 geoordeeld dat het voortduren van de bewaring tot en met 9 december 2003 niet onrechtmatig was. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de vraag of de bewaring op 3 december 2003 was opgeheven niet door de onderhavige rechtbank kan worden beoordeeld. Gelet hierop kan de rechtbank ook niet treden in de vraag of bij de pogingen om eiser uit te zetten sprake is geweest van daadwerkelijk verzet van eiser.

Nu het beroep is gericht tegen de inbewaringstelling van 12 januari 2004 kan de rechtbank ook niet treden in de vraag of de eerdere inbewaringstelling onrechtmatig is geworden, omdat er geen tijdige kennisgeving was gedaan van het voortduren er van. De eventuele onrechtmatigheid van het voortduren van de eerdere bewaring dient via een beroep gericht tegen die maatregel te worden beoordeeld.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000 in bewaring mocht stellen, na opheffing van de maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000, nu deze inbewaringstelling op een andere grond berust. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 februari 2003, nr. 200205755/1, JV 2003/133.

Ingevolge artikel 59, tweede lid, Vw 2000 wordt het belang van de openbare orde geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen, indien de voor terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, en l.

Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij ten onrechte op grond van voormeld artikel in bewaring is gesteld, komt de rechtbank slechts een terughoudende toets toe. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juli 2003, nr. 20030256/1, JV 2003/397.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voor terugkeer noodzakelijke bescheiden binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, nu er voor eiser eerder reeds drie maal een EU-document is verstrekt en voormeld document opnieuw is aangevraagd door de Unit Facilitering Terugkeer.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van voldoende zicht op uitzetting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat eiser in de eerste week van februari 2004 middels een overheidsvlucht zal worden uitgezet. Indien dit niet lukt zal eiser op 9 of 10 februari 2004 middels een vlucht worden uitgezet. Op grond van het vorenstaande overweegt de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt.

Voldoende is gebleken dat de gronden voor de bewaring nog steeds bestaan. Ook overigens zijn de rechtbank geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht.

Het bovenstaande brengt mee dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring niet in strijd zijn met de Vreemdelingenwet 2000 noch bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd zijn.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59 Vw 2000 niet onrechtmatig is. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Het verzoek om schadevergoeding dient derhalve te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de kennisgeving onder kenmerk Awb 04/1957 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep onder kenmerk Awb 04/2032 ongegrond;

-wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Krachtens artikel 95 Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor partijen hoger beroep open. Het beroepschrift dient binnen één week na verzending van deze uitspraak te worden ingediend bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Bij de indiening van het beroepschrift dient tegelijkertijd een afschrift van de bestreden uitspraak te worden gevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Hut als griffier en uitgesproken op 28 januari 2004.

Afschrift verzonden: 29 januari 2004