Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO3813

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-02-2004
Datum publicatie
16-02-2004
Zaaknummer
09/037590-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(...) Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van een mobiele telefoon van een jongen die, op verzoek van verdachte om even van zijn telefoon gebruik te mogen maken, in goed vertrouwen zijn telefoon aan verdachte gaf. Verdachtes mededader heeft zich evenwel direct daarna met de mobiele telefoon van het slachtoffer uit de voeten gemaakt.

Voorts heeft verdachte samen met een ander op de openbare weg een jongen onder bedreiging van geweld gedwongen tot afgifte van zijn mobiele telefoon. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/037590-03

rolnummer 0006

's-Gravenhage, 13 februari 2004.

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, Huis van Bewaring Zoetermeer te Zoetermeer.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 30 januari 2004.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr De Deugd, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr Paulus heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 299,98.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 299,98 subsidiair 6 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 1].

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van een mobiele telefoon van een jongen die, op verzoek van verdachte om even van zijn telefoon gebruik te mogen maken, in goed vertrouwen zijn telefoon aan verdachte gaf. Verdachtes mededader heeft zich evenwel direct daarna met de mobiele telefoon van het slachtoffer uit de voeten gemaakt.

Voorts heeft verdachte samen met een ander op de openbare weg een jongen onder bedreiging van geweld gedwongen tot afgifte van zijn mobiele telefoon.

Dergelijk handelen van verdachte geeft blijk van minachting van persoon en eigendom van een ander, terwijl verdachte geheel voorbij is gegaan aan de psychische gevolgen die zijn handelwijze voor zijn slachtoffers had kunnen hebben. Bovendien worden door dergelijke feiten de in de samenleving bestaande gevoelens van angst en onveiligheid bevestigd en versterkt.

Blijkens een op naam van verdachte staand uittreksel uit het algemeen documentatieregister is verdachte reeds eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Uit deze veroordeling heeft hij kennelijk geen lering getrokken.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een straf zoals door de officier van justitie is geëist passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 299,98.

Deze vordering is door de bij het Voegingsformulier gevoegde overgelegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 1 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering hoofdelijk toewijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 149,99 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 1].

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

feit 1:

Diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 2:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 20 oktober 2003,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 23 oktober 2003,

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 1], wonende te [postcode] [woonplaats], [adres] , een bedrag van € 299,98, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 149,99 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 1];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

bepaalt dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de staat doet vervallen, alsmede dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Dettmeijer-Vermeulen, voorzitter,

Bosma en Van Harte, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Van der Kleijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2004.

mr Van Harte is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.