Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO3807

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-02-2004
Datum publicatie
16-02-2004
Zaaknummer
09/028839-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(...) Verdachte heeft zich samen met twee mede-winkeliers schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon die zij van winkeldiefstal verdachten. Verdachte en zijn mededaders hebben verhaal gehaald bij het slachtoffer dat zich inmiddels op de openbare weg bevond en hebben hiermee het recht in eigen hand genomen, hetgeen volstrekt onaanvaardbaar is. Met de groep heeft verdachte het slachtoffer een schop gegeven, geslagen en geduwd, terwijl zij hem daarbij te verstaan hebben gegeven dat hij zich uit de voeten moest maken. Het slachtoffer heeft hierdoor pijn ondervonden en hij is door het voorval ontzettend geschrokken. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/028839-03

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 13 februari 2004.

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 30 januari 2004.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr Spigt, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr Degeling heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot (hoofdelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een (voorschot)bedrag van € 2.500,= en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding subsidiair vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

Strafbaarheid van verdachte.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte ten aanzien van het subsidiair telastgelegde dient te worden ontslagen van rechtsvervolging. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd, kort samengevat en zakelijk weergegeven:

Vaststaat dat het geweld van cliënt direct plaatsvond nadat hij bemerkt had dat [slachtoffer] uit zijn winkel gestolen had. Pas op dat moment ontstond er bij cliënt een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de diefstal door [slachtoffer]. De raadsman betoogt dat hierdoor sprake is van noodweerexces als bedoeld in artikel 41, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman stelt dat de schop door cliënt kan worden aangemerkt als een rechtstreeks en onmiddellijk gevolg van de bij hem ontstane hevige gemoedsbeweging, die niet disproportioneel is. Hoewel de schop van cliënt plaatsvond nadat de noodweersituatie was beëindigd, komt verdachte in het licht van de uitspraken van de Hoge Raad d.d. 18 oktober 1988 (NJ 1989, 511) en 18 mei 1993 (NJ 1993, 691) toch een beroep op noodweerexces toe, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De door de raadsman genoemde arresten geven aan dat een beroep op noodweerexces niet is uitgesloten indien als gevolg van een door een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging een afweerhandeling eerst wordt ingezet op het moment dat de aanranding al is beëindigd. De vraag is nu of verdachte zich in de omstandigheden van dit geval met succes op deze modaliteit van noodweerexces kan beroepen.

Vaststaat dat er enige tijd verstreken is tussen het moment dat het slachtoffer bij verdachte in zijn winkel is geweest en het moment dat verdachte met zijn mededaders op het slachtoffer is toegelopen om het slachtoffer duidelijk te maken dat zijn aanwezigheid bij hen in het dorp niet gewenst was.

Immers, het slachtoffer is na de winkel van verdachte verlaten te hebben eerst nog naar verscheidene andere winkels in het dorp gegaan voordat hij in het plantsoen ging zitten. De bij verdachte ontstane gevoelens van woede jegens het slachtoffer zijn het gevolg geweest van de vondst van een leeg zakje snoep/noten dat het slachtoffer net daarvoor had weggegooid en dat het slachtoffer ondanks de opmerkzaamheid van verdachte uit zijn winkel had gestolen. Verdachte heeft zich vervolgens met zijn mededaders gewelddadig jegens het slachtoffer uitgelaten door hem te schoppen, te duwen en te slaan.

Naar het oordeel van de rechtbank was er op het moment van deze gewelddadige uitlating echter geen sprake van een situatie die noodzakelijke verdediging gebood. Het slachtoffer werd door verdachte met zijn twee mededaders met een overmacht geconfronteerd en heeft zich daarbij op geen enkele wijze dreigend opgesteld of bedreigend uitgelaten. Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is geweest van een verdediging die noodzakelijk is geweest, kan het beroep van verdachte op de schuldloze overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet slagen.

Verdachte is deswege strafbaar, nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft zich samen met twee mede-winkeliers schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon die zij van winkeldiefstal verdachten. Verdachte en zijn mededaders hebben verhaal gehaald bij het slachtoffer dat zich inmiddels op de openbare weg bevond en hebben hiermee het recht in eigen hand genomen, hetgeen volstrekt onaanvaardbaar is. Met de groep heeft verdachte het slachtoffer een schop gegeven, geslagen en geduwd, terwijl zij hem daarbij te verstaan hebben gegeven dat hij zich uit de voeten moest maken. Het slachtoffer heeft hierdoor pijn ondervonden en hij is door het voorval ontzettend geschrokken. Dergelijke feiten, in groepsverband in het openbaar gepleegd, veroorzaken grote angst en gevoelens van onveiligheid, niet alleen bij de slachtoffers en omstanders die van het geweld ongewild getuige zijn geweest, maar ook in de samenleving in zijn algemeen. De rechtbank rekent het feit verdachte dan ook ernstig aan.

Blijkens een op naam van verdachte staand uittreksel uit het algemeen documentatieregister is verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank na te melden straffen passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij.

[slachtoffer], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 28.313,90.

Deze vordering is deels door de bij het Voegingsformulier gevoegde overgelegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die gedeeltelijk eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder subsidiair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering voor dat deel niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij gedeeltelijk ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering tot een bedrag van € 500,00 hoofdelijk toewijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 166,66 (zijnde 1/3 van € 500,=) ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding primair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding subsidiair telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 UREN;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uur per dag, zodat 230 uren resteren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 115 DAGEN;

in verzekering gesteld op : 17 juli 2003,

in vrijheid gesteld op : 22 juli 2003,

veroordeelt verdachte te dier zake voorts tot:

gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], wonende te [postcode] [woonplaats], [adres] een bedrag van € 500,00, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, en dat deze zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 166,66 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de verdachte opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat van voormeld bedrag van € 166,66 ten behoeve van de benadeelde partij de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij met een zelfde bedrag doet verminderen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag van € 166,66 aan de benadeelde partij door de verdachte de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling aan de staat tot een zelfde bedrag doet vervallen, alsmede dat betaling door de medeverdachten van méér dan € 333,32 aan de benadeelde partij, de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling aan de staat voor dat meerdere doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Dettmeijer-Vermeulen, voorzitter,

Bosma en Van Harte, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Van der Kleijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2004.

mr Van Harte is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.