Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO3757

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-02-2004
Datum publicatie
16-02-2004
Zaaknummer
09.900.795-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte in de onderhavige strafzaak is een man met een verstandelijke handicap die...niet in staat is de ernst van zijn daden in te zien...Over verdachte is gerapporteerd door zowel de psycholoog [ ] als de psychiater [ ]. Ook zij komen in hun respectievelijke rapporten ... tot de conclusie dat er geen gesprek is te voeren met verdachte en dat hij niet weet wat hij fout heeft gedaan. Zij zijn van mening dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van het telastgelegde strafbare feit...Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de deskundigen relateren dat verdachte het niveau heeft van een kind van 7 jaar. Nu ingevolge artikel 486 van het Wetboek van Strafvordering kinderen jonger dan 12 jaar niet strafrechtelijk mogen worden vervolgd, ligt vervolging in dezen niet in de rede.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 39
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 348
Wetboek van Strafvordering 486
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 244
NBSTRAF 2004/171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VONNIS)

parketnummer : 09.900.795-03;

's-Gravenhage, 9 februari 2004.

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte :

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

In verzekering gesteld op 31 augustus 2003;

In bewaring gesteld op 3 september 2003.

Schorsing van de voorlopige hechtenis op 3 september 2003.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 februari 2004.

De verdachte is niet verschenen.

Zijn raadsman, mr. T. Venneman, is verschenen en gehoord.

Mr. Venneman verklaart ter terechtzitting door verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd namens hem het woord te voeren.

Ter terechtzitting is als getuige gehoord [getuige], groepsleider te [plaats] tevens begeleider van verdachte.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.1. en A.2.

Beoordeling met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Beoordeling ex artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering betreffende de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Als argument voor het aanbrengen van de zaak voor de rechtbank heeft de officier van justitie genoemd de ernst van het feit.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij een strafvervolging van verdachte niet opportuun acht nu verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is.

De rechtbank is van oordeel dat naast de ernst van het feit, ook de persoon van de dader zwaar moet wegen bij de beslissing tot verdere vervolging.

De verdachte in de onderhavige strafzaak is een man met een verstandelijke handicap die, naar uit een brief van de orthopedagoog F. Elbers blijkt, niet in staat is de ernst van zijn daden in te zien. Hij kan zich niet inleven in een ander en realiseert zich niet wat hij heeft gedaan.

Daarnaast kan hij slechts beperkt of in het geheel niet vragen (zoals van de rechtbank) gericht beantwoorden. Ook kan hij moeilijk met stresssituaties omgaan, zodat zijn aanwezigheid op de terechtzitting kan leiden tot decompensatie.

Een en ander is bevestigd door de getuige die ter terechtzitting is gehoord.

Over verdachte is gerapporteerd door zowel de psycholoog dr. P.M. van den Bergh als de psychiater drs. E.V. Kwidamar.

Ook zij komen in hun respectievelijke rapporten van 20 november 2003 en 5 januari 2004 tot de conclusie dat er geen gesprek is te voeren met verdachte en dat hij niet weet wat hij fout heeft gedaan. Zij zijn van mening dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van het telastgelegde strafbare feit.

Mocht de rechtbank de conclusies van de rapporten overnemen dat is verdachte niet strafbaar en kan slechts een maatregel worden opgelegd.

Een dergelijke maatregel zal de maatschappij niet extra beschermen aangezien verdachte reeds vele jaren met een rechterlijke machtiging is geplaatst in een gesloten inrichting.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de deskundigen relateren dat verdachte het niveau heeft van een kind van 7 jaar.

Nu ingevolge artikel 486 van het Wetboek van Strafvordering kinderen jonger dan 12 jaar niet strafrechtelijk mogen worden vervolgd, ligt vervolging in dezen niet in de rede.

Daarbij komt dat de ouders van het slachtoffer de officier van justitie hebben verzocht de zaak in te trekken, omdat in hun ogen verdachte een kind is dat er niets van begrijpt en het uitstekend met het slachtoffer gaat.

Voorts merkt de rechtbank nog op dat het politieonderzoek in deze zaak niet volledig is geweest. Verdachte is niet door deskundigen gehoord, maar door gewone politiemensen; hij heeft zelf toestemming gegeven voor het afnemen van een zedenset en het studioverhoor van het slachtoffer bevat "sturende" elementen.

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het Openbaar Ministerie onder de speciale omstandigheden van dit geval redelijkerwijs niet had kunnen komen tot de beslissing tot verdere vervolging en desondanks wel vervolgende heeft gehandeld in strijd met een goede strafprocesorder, redenen waarom de officier van justitie in haar vervolging niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

BESLISSING :

De rechtbank,

verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vervolging.

Dit vonnis is gewezen door

mrs F.J.A. Quadekker, voorzitter,

J.T. van Belzen en A. Teerds, rechters,

in tegenwoordigheid van M.L.A. van der Togt, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2004.

zijnde mr. Teerds buiten staat mede te ondertekenen.