Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO3447

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-02-2004
Datum publicatie
11-02-2004
Zaaknummer
AWB 02/3074 WW 44, 02/3092 WW 44 en 02/3465 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een bouwvergunning verleend voor het verbouwen van twee woningen en winkel- en bedrijfsruimten tot elf appartementen, een winkelruimte en vier bedrijfsruimten.

Huidige gebruikers zijn geen belanghebbenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nrs. AWB 02/3074 WW 44, 02/3092 WW 44 en 02/3465 ALGEM

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

1. de Stichting De Fabel van de Illegaal;

2. de Stichting Vrijplaats Koppenhinksteeg;

3. de Vereniging Vrienden Vrijplaats Koppenhinksteeg,

hierna aangeduid als eiseressen, alle gevestigd te Leiden,

eiseres sub 3. mede namens een groot aantal individuele personen, wonende te Leiden en elders, hierna aangeduid als eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders te Leiden, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 23 oktober 2001 heeft verweerder, onder verlening van vrijstelling op grond van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, aan de Dienst Bouwen en Wonen van de gemeente Leiden en de Woningbouwvereniging Leiden (thans Portaal Leiden) een bouwvergunning verleend voor het verbouwen van twee woningen en winkel- en bedrijfsruimten tot elf appartementen, een winkelruimte en vier bedrijfsruimten aan de Hooglandse Kerkgracht 2 en 4 en aan de Koppenhinksteeg 2,4,6 en 8 te Leiden.

Tegen dit besluit is namens eiseressen en eisers afzonderlijk bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 mei 2002, verzonden 4 juli 2002, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften, de bezwaren, voorzover ontvankelijk, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eiseressen (eiseres sub 3. mede namens eisers) afzonderlijk beroep ingesteld.

Het beroep van eiseres sub 2. is bij uitspraak van 24 december 2002, wegens het ontbreken van gronden, niet ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het verzet van eiseres sub 2. bij uitspraak van 21 maart 2003 gegrond verklaard.

Verweerder heeft de op de zaak hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

De beroepen zijn op 19 mei 2003 ter zitting behandeld.

Eiseressen en eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door P.J. Bos.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Kooy, W. Griffioen, R.F.M. Bakker en S.M. Flohr.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en partijen om nadere schriftelijke inlichtingen gevraagd.

Na ontvangst van de gevraagde inlichtingen hebben eiseressen nog schriftelijk gereageerd op de door verweerder ingezonden informatie.

Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven verdere behandeling

ter zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft hierop het onderzoek gesloten.

Motivering

Ontvankelijkheid

Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit beslist, overeenkomstig het advies van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften (hierna: de commissie) dat de ingediende bezwaren, voorzover ontvankelijk, geen aanleiding geven de verleende bouwvergunning te herroepen.

Eiseressen stellen zich op het standpunt dat verweerder op deze wijze niet duidelijk heeft gemaakt welke indieners van bezwaarschriften als belanghebbenden worden aangemerkt. Verweerder heeft de wettelijke plicht expliciet te beslissen welke bezwaren niet-ontvankelijk zijn.

De commissie heeft in haar advies overwogen dat de vraag welke indieners van bezwaarschriften als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb kunnen worden beschouwd ingeval van verlening van een bouwvergunning, moet worden beantwoord aan de hand van het in de jurisprudentie ontwikkelde nabijheids- en zichtcriterium. Personen die niet in Leiden dan wel niet op relatief korte afstand van de betreffende panden wonen en daar geen zicht op hebben en evenmin uit anderen hoofde enig belang of recht hebben dat rechtstreeks bij de vergunningverlening betrokken is, kunnen niet als belanghebbenden worden aangemerkt.

Bezwaren, ingediend door personen die tot laatstgenoemde categorie behoren acht de commissie niet ontvankelijk. De commissie heeft wel enige voorbeelden genoemd van personen die wel en die niet als belanghebbenden zijn aan te merken, doch de bezwaarschriften van de individuele indieners zijn verder niet aan de hand van het genoemde criterium getoetst. De commissie heeft zich, nu vaststaat dat er in elk geval ontvankelijke bezwaarschriften zijn ingediend die in volle omvang de verleende vrijstelling en bouwvergunning aanvechten, beperkt tot de vraag of de heroverweging aanleiding behoort te zijn het besluit te herroepen.

De rechtbank acht deze handelwijze niet juist. Tegen verweerders besluit is een zeer groot aantal, deels gelijkluidende, bezwaarschriften ingediend. De wettelijke regeling, zoals blijkend uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, gaat uit van een individuele beoordeling van elk bezwaarschrift op het punt van ontvankelijkheid. Blijkbaar acht verweerder in een situatie als hier aan de orde, waarbij vast staat dat een integrale inhoudelijke toetsing van het aangevochten besluit toch zal plaatsvinden, beoordeling en beslissing van alle afzonderlijke bezwaarschriften op het punt van ontvankelijkheid om praktische redenen niet nodig. Dit is echter onvoldoende om het wettelijk voorschrift ter zijde te stellen, reeds vanwege de mogelijkheid voor iedere bezwaarmaker om in beroep de jegens hem genomen beslissing gericht te kunnen bestrijden. Verweerder had aan de hand van het door hem gehanteerde criterium voor ontvankelijkheid bij zijn beslissing expliciet onderscheid dienen te maken tussen de ontvankelijke bezwaren van belanghebbenden (omwonenden) en de niet-ontvankelijke bezwaren van anderen die niet kunnen worden geacht negatieve gevolgen van de uitvoering van het bouwplan te ondervinden. Daarvoor was overigens geen zeer omvangrijk onderzoek nodig. De rechtbank leidt uit de nadere schriftelijke inlichtingen die zij heeft ontvangen van eiseres sub 3. af dat zich in de groep personen namens wie deze eiseres mede in beroep is gekomen slechts vijf belanghebbende omwonenden bevinden ([omwonenden 1 t/m 5]).

Bovendien acht de rechtbank verweerders oordeel ten aanzien van de ontvankelijkheid niet juist, nu daarin geen onderscheid is gemaakt tussen de gebruikers van de huidige panden aan de Koppenhinksteeg en de Hooglandse Kerkgracht en de overige bezwaarden. Deze gebruikers zijn eiseressen sub 1. en 2. en een aantal personen namens wie eiseres sub 3. in beroep is gekomen. Eiseres sub 3 is een vereniging van gebruikers van de panden en sympathisanten van deze gebruikers. Blijkens haar statutaire doelstelling streeft zij na: “het behoud van de vrijplaats, gesitueerd in de panden in de Koppenhinksteeg te Leiden.”. Gezien deze doelstelling moet eiseres sub 3. op één lijn worden gesteld met de gebruikers van de panden.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gebruikers, met inbegrip van eiseres sub 3., niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb aan te merken.

De gebruikers ontlenen hun belang aan hun positie in het bestaande gebruik van de ruimten en voorzieningen in de panden, welk gebruik tot dusverre, al dan niet op basis van overeenkomsten met de eigenaar(s) van deze panden, plaatsvindt. Het enkele gegeven dat voor dit gebruik na uitvoering van het bouwplan geen plaats meer zal zijn betekent niet dat het belang van deze gebruikers rechtstreeks bij het besluit tot vrijstelling en vergunningverlening is betrokken. De beëindiging van het bestaande gebruik wordt veroorzaakt door de beslissing van de eigenaar(s) om de panden niet langer voor dat doel te laten aanwenden. Deze beslissing houdt hier verband met het plan tot verbouw en nieuwbouw, maar dat is geen noodzakelijk verband. De gebruikers zijn immers voor hun positie afhankelijk van de eigenaar(s), en ook om andere redenen had het gebruik kunnen worden beëindigd.

De aanvraag en het daarop door verweerder genomen besluit betreffen de situatie waarin het huidige gebruik er niet meer is. De vergunningverlening is aldus niet de oorzaak van de beëindiging van dat gebruik. Hoezeer ook de gebruikers zich feitelijk getroffen achten, hun huidige positie ten opzichte van de panden maakt hen niet tot belanghebbenden bij het besluit, nu op voorhand vaststaat dat die positie en een daaraan te ontlenen belang bij uitvoering van het bouwplan er al niet meer zullen zijn. Deze gebruikers kunnen derhalve geen gevolgen van de (uitvoering van) de vergunning, bijvoorbeeld de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan, ondervinden, zodat van rechtstreekse betrokkenheid bij het besluit geen sprake is. Verweerder had derhalve de bezwaarschriften van deze gebruikers niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Inhoudelijk oordeel

In artikel 51, eerste lid van de Woningwet (WW) is bepaald dat de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning wordt aangehouden indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en de aanvraag een bouwwerk betreft, behorend tot een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988, waarvoor nog geen ter bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan geldt. De aanhoudingsplicht kan volgens het derde lid van artikel 51 van de WW worden doorbroken indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde, ter bescherming van het beschermde stads- of dorpsgezicht strekkende bestemmingsplan en vooraf van gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar tegen het verlenen van de vergunning is ontvangen.

Het gebied waar het bouwplan is gelegen is in 1982 aangewezen als beschermd stadsgezicht.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Pancrast West” uit 1981. Dit bestemmingsplan is geen ter bescherming van het stadsgezicht vastgesteld plan. Blijkens mededeling van verweerder was ten tijde van het bestreden besluit nog geen ontwerp voor een beschermend bestemmingsplan opgesteld, er was slechts sprake van een ambtelijk voorbereidingsstuk zonder status.

Weliswaar heeft verweerder van gedeputeerde staten de in artikel 51, derde lid, van de WW genoemde verklaring ontvangen, waarin is vermeld dat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg is gehoord, maar aan de eis dat een beschermend bestemmingsplan in voorbereiding is wordt niet voldaan. Het door verweerder genoemde ambtelijk stuk kan niet als zodanig gelden. De rechtbank verwijst bij dit oordeel naar inmiddels gevestigde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Dit betekent dat verweerder de bouwvergunning niet had mogen verlenen, doch de aanvraag had moeten aanhouden.

De beroepen zijn derhalve gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 51 van de WW. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de bij het primaire besluit verleende bouwvergunning te herroepen. In verband hiermee behoeven de overige in beroep aangevoerde bezwaren geen bespreking.

Nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 28 mei 2002;

herroept de bij besluit van 23 oktober 2001 verleende bouwvergunning en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat de gemeente Leiden de door eiseressen sub 1., 2. en 3. betaalde griffierechten (elk € 218,-) vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. E.R. Eggeraat en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2004, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.M. Grot

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: