Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO3394

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-01-2004
Datum publicatie
05-03-2004
Zaaknummer
AWB 01/36366, 02/51784
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2004:AP4768
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / artikel 1F VSV.

De rechtbank deelt de conclusie van verweerder dat eiser de negatieve gevolgen van zijn werkzaamheden voor de WAD heeft proberen te minimaliseren. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen beslissen dat eisers verklaring niet geloofwaardig is, omdat zij in strijd is met hetgeen uit algemeen toegankelijke bronnen bekend is. De omstandigheid dat eiser in redelijkheid artikel 1F, aanhef en onder a, VSV is tegengeworpen leidt op zichzelf nog niet tot de conclusie dat de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd terecht is ingetrokken. De vreemdeling heeft onjuiste gegevens verstrekt die hebben geleid tot het verlenen van de vergunning. In het voornemen heeft verweerder erop gewezen dat weliswaar in 1994 al bekend was dat het communistische bewind in Afghanistan mensenrechtenschendingen heeft gepleegd, maar dat het op dat moment nog niet tot in detail bekend was welke functionarissen daarvoor persoonlijk verantwoordelijk konden worden gehouden. Het feit dat dat inzicht eerst later is ontstaan houdt volgens verweerder verband met de omstandigheid dat het veel tijd en inspanning heeft gekost voordat vanuit de Nederlandse ambassade te Islamabad specifiek onderzoek naar deze problematiek kon worden verricht. Verweerder heeft hiermee een afdoende verklaring gegeven voor het tijdstip waarop tot intrekking van de verblijfsvergunning is overgegaan, zodat geen sprake is van een situatie waarin het recht om de vergunning in te trekken is verwerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK te ‘s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Almelo

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

meervoudige kamer

regnr.: Awb 01/36366 OVERIO C

Awb 02/51784 BEPTDN BE

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1969,

van Afghaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9811.23.8089,

eiser,

gemachtigde: mr. B. Werink, advocaat te Groningen;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

voorheen de Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. D.W. Stevens, ambtenaar ten departemente.

1 Procesverloop

1.1 Op 24 november 1998 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij besluit van 4 oktober 1999, uitgereikt op 13 oktober 1999, heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Wel heeft verweerder aanleiding gezien aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) te verlenen met ingang van 24 november 1998, geldig tot 24 november 1999. Bij brief van 9 november 1999 is bezwaar gemaakt tegen de niet inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling. Omdat de aanvraag om toelating als vluchteling op grond van artikel 117 van de op 1 april 2001 in werking getreden Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, wordt het bezwaar geacht gericht te zijn tegen het niet verlenen van een dergelijke vergunning. Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 6 juli 2001 niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 2 augustus 2001, aangevuld bij brief van 19 september 2001 is daartegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder Awb 01/36366 OVERIO C.

1.2 Op 11 september 2000 heeft de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV) een advies uitgebracht. Naar aanleiding van dit ACV-advies en gelet op het bepaalde in artikel 3.107 juncto 3.77 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft verweerder op 26 september 2001 in een kennisgeving het voornemen tot intrekking van de aan eiser verleende, en laatstelijk tot 24 november 2001 verlengde, verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bekend gemaakt. Bij brief van 17 oktober 2001 heeft eiser hierop gereageerd met een zienswijze. Op 25 april 2002 heeft eiser gebruik gemaakt van de gelegenheid om de zienswijze ten overstaan van een ambtelijke commissie toe te lichten. Bij besluit van 12 juni 2002 is verweerder overgegaan tot de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij brief van 5 juli 2002, aangevuld bij brief van 2 augustus 2002 is daartegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder Awb 02/51784 BEPTDN BE.

1.3 Op 22 september 2003 heeft verweerder in beide zaken een verweerschrift ingediend.

1.4 De beroepen zijn ter zitting van 24 november 2003 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Inzake de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. De rechtbank zal daarbij op grond van artikel 83 Vw 2000 rekening houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

3 Standpunten

3.1 Verweerder heeft de aan eiser verleende vvtv, thans, na de inwerkingtreding van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingetrokken, omdat is gebleken dat artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals dit Verdrag is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (verder: Vluchtelingenverdrag), op eiser van toepassing is. Verweerder komt tot deze conclusie op basis van het advies van de ACV. In dit advies, dat in het voornemen is herhaald en ingelast, komt de ACV tot de slotsom dat er ten aanzien van eiser ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij, gelet op zijn werkzaamheden voor en zijn positie bij de Khadinat-e-Atal’at-e Dowlatie (KhAD) dan wel de Wazarat-e-Amaniat Dowlati (WAD) en de door hem beklede rangen, misdrijven als bedoeld in artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd waarvoor hij verantwoordelijk kan en dient te worden gehouden. Daaraan voegt verweerder in het voornemen, dat in het bestreden besluit is herhaald en ingelast, nog toe dat de door en/of onder de verantwoordelijkheid van eiser gepleegde gewelddaden bovendien zijn aan te merken als ernstige, niet-politieke misdrijven als bedoeld in artikel 1 (F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag.

3.2 Eiser stelt zich op het standpunt dat het in strijd is met de rechtszekerheid dat de aan hem verleende verblijfsvergunning wordt ingetrokken. Hoewel verweerder op het moment van beslissen al op de hoogte was van berichten dat alle mensen die werkzaam waren geweest bij de KhAD bij mensenrechtenschendingen betrokken waren geweest, heeft hij daarin geen reden gezien de zaak van eiser nader te onderzoeken of hem een verblijfsvergunning te onthouden. Door eiser toch een verblijfsvergunning te verlenen heeft verweerder het recht verspeeld om later, op grond van dezelfde informatie, de verleende verblijfsvergunning weer in te trekken, aldus eiser. Overigens betwist eiser dat hij voor de KhAD heeft gewerkt. Weliswaar moest hij medewerkers van de veiligheidsdienst bewaken, maar zelf werkte hij voor het ministerie van Defensie. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst hij naar hetgeen in het gehoor bij de ambtelijke commissie aan de orde is geweest. Dat pas bij die gelegenheid helderheid is ontstaan over eisers dienstverband, wijt eiser aan de omstandigheid dat het ten tijde van het nader gehoor voor verweerder nog niet zo belangrijk was of iemand in dienst was (geweest) van de KhAD.

Tijdens het nader gehoor en ook tijdens de nabespreking is daar dan ook niet zoveel aandacht aan besteed. Wel valt op dat op pagina 5 en verder van het nader gehoor door eiser nergens expliciet gezegd wordt dat hij in dienst is geweest van de KhAD. Eiser had laatstelijk de rang van eerste kapitein. Dit is een militaire rang, hetgeen ook juist is nu eiser immers werkte voor het ministerie van Defensie. Eiser is van mening dat er in het nader gehoor en ook tijdens het gehoor bij de ACV langs elkaar is gepraat: verweerder heeft wel gedacht dat eiser bedoelde dat hij in dienst was van de Veiligheidsdienst, maar eiser heeft dat nergens gezegd. Nu eiser niet voor de WAD en de KhAD heeft gewerkt, kan de redenering dat hij op grond van zijn werkzaamheden geacht wordt betrokken te zijn geweest bij mensenrechtenschendingen alleen al om die reden niet meer opgaan. Ook wordt het ineens eens stuk geloofwaardiger dat hij niets of weinig wist van de wreedheden gepleegd door de KhAD en de WAD.

Ook als eiser wel werknemer van de KhAD en de WAD zou zijn geweest, dan is het nog maar zeer de vraag of hem op voorhand artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen kan worden. Tijdens de hoorzitting heeft eisers gemachtigde dat betoogd aan de hand van een artikel van dr. L. Zegveld, gepubliceerd in de NAV 1/2002. In het thans bestreden besluit wordt daar echter met geen woord op ingegaan. Aangezien dat een belangrijk onderdeel van het verweer van eiser vormde, is het besluit onvoldoende gemotiveerd, aldus eiser.

Nu enkel op grond van het feit dat eiser voor de KhAD/WAD heeft gewerkt artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag niet tegengeworpen kan worden en eiser ‘personal participation’ ontkent, hoeft in feite het criterium van ‘knowing participation’ niet meer besproken te worden. Toch wenst eiser daar nog over op te merken dat het heel moeilijk is om achteraf vast te stellen wat de mensen in Afghanistan destijds zelf wisten van de gang van zaken binnen de KhAD/WAD. De rapporten van mensenrechtenorganisaties waren in Afghanistan verboden en dus onbekend. Er was een strenge geheimhouding, zodat alleen direct betrokkenen wisten wat zich in de verhoorcentra afspeelde. Of er een sfeer van angst was, is een subjectieve waarneming.

Er is derhalve volgens eiser volstrekt onvoldoende reden om artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag tegen te werpen. Er is geen sprake van meer dan een redelijk vermoeden van schuld. Het ambtsbericht laat veel te veel vragen open en is bovendien te algemeen om in de concrete zaak van eiser tot stellige conclusies te leiden. Nu het Vluchtelingenverdrag geen collectieve aansprakelijkheid kent, en de KhAD/WAD bovendien niet voldoet aan de criteria van de ACV voor collectieve aansprakelijkheid, kan het enkele dienstverband bij de KhAD/WAD ook niet tot een beroep op voornoemd artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag leiden.

4 Overwegingen

4.1 Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 29 van de Vw 2000, worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of het verlengen zouden hebben geleid.

4.2 Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 29 van de Vw 2000 worden ingetrokken indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

4.3 Gelet op het gestelde in hoofdstuk C6/31.2.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) dient de verblijfsvergunning asiel te worden ingetrokken indien achteraf wordt vastgesteld dat artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is.

4.4 Ingevolge C1/5.13.3 juncto B1/2.2.4 van de Vc 2000 wordt de aanvraag afgewezen op grond van het gegeven dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, indien ten aanzien van de vreemdeling ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingverdrag.

4.5 Bij de beoordeling van het onderhavige geschil staat de vraag centraal of verweerder terecht is overgegaan tot de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning in verband met diens werk voor de KhAD/WAD. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht artikel 1 (F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing heeft geacht.

4.6 Artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Verdrag bepaalt dat de bepalingen van dit Verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten die zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen.

Ingevolge artikel 1 (F), aanhef en onder b, van het Verdrag, gelden de bepalingen van het Verdrag evenmin voor een persoon die een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.

4.7 Bij de toepassing van deze bepaling gaat het niet alleen om rechtstreekse betrokkenheid bij martelingen of mensenrechtenschendingen, maar ook om betrokkenheid op afstand bij die gedragingen, indien die betrokkenheid voldoende aannemelijk is. De rechtbank verwijst naar paragraaf 43 van de UNHCR Guidelines on the application of the exclusion clauses van 2 december 1996. Daarin is onder meer het volgende vastgelegd: „Voluntary continued membership of a part of a government engaged in criminal activities may constitute grounds for exclusion where the member cannot rebut the presumptions of knowledge and personal implication.“

4.8 Uit algemene publicaties handelend over de activiteiten van de KhAD/WAD en het ministerie van Staatsveiligheid, waaronder de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 september 1999 en 29 februari 2000, blijkt dat deze organisaties zich op grote schaal schuldig hebben gemaakt aan grove mensenrechtenschendingen. Aard en omvang van deze mensenrechtenschendingen rechtvaardigen toepassing van de hiervoor weergegeven paragraaf 43 van de Guidelines on the application of the exclusion clauses, en wel in die zin dat tegenwerping van artikel 1 (F) is gerechtvaardigd indien de door de betrokkene beklede functie ligt op een niveau waarop formele medeverantwoordelijkheid voor -en wetenschap van- mensenrechtenschendingen mag worden verondersteld. In zo’n geval ligt het op de weg van de betrokkene om informatie te verschaffen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat bedoelde tegenwerping, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet gerechtvaardigd is.

4.9 Met name het voornoemde ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 over veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan verschaft inzicht in de hiërarchie, structuur en werkwijze van de KhAD/WAD. Uit dit ambtsbericht komt onder meer naar voren dat een promotie tot officier van de KhAD en de WAD niet kon plaatsvinden als de betrokken medewerker niet concreet blijk had gegeven van zijn of haar onvoorwaardelijke loyaliteit aan het communistische bewind (paragraaf 2.4). Dit gold ook voor promoties die officieren van de KhAD en de WAD ten deel vielen na afronding van hun opleiding. Iedere officier die tijdens zijn diensttijd is bevorderd is -aldus dit ambtsbericht- betrokken geweest bij arrestaties, ondervragingen, martelingen en zelfs executies.

Volgens het ambtsbericht is het ondenkbaar dat iemand die werkzaam was binnen deze diensten, ongeacht het niveau waarop hij werkzaam was, niet op de hoogte was van de grove schendingen van de mensenrechten die plaatsvonden. Vanaf de rang van onderofficier heeft zelfs iedereen actief deelgenomen aan de schendingen.

4.10 De gemachtigde van eiser heeft in de gronden van het beroepschrift onder verwijzing naar het artikel van dr. Zegveld aangegeven dat hij zich afvraagt of algemene deskundigenrapporten, zoals ambtsberichten of rapporten van Amnesty International, niet te algemeen zijn om op grond daarvan in een individueel geval te kunnen concluderen dat sprake is van meer dan een redelijk vermoeden van schuld, hetgeen volgens dr. Zegveld nodig is om aan te kunnen nemen dat sprake is van ‘ernstige redenen’ om te vermoeden dat iemand een in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag genoemd misdrijf heeft gepleegd. De raadsman plaatst vraagtekens bij het feit dat het algemene ambtsbericht over de KhAD/WAD wordt gebruikt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ’personal participation’ en ‘knowing participation’. Hij wijst erop dat het ambtsbericht vragen open laat. Zo vraagt de raadsman zich af wat hij moet met de opmerking in paragraaf 2.3, dat de informatie over de organisatiestructuur van de KhAD en de WAD niet uitputtend is. Ook vraagt hij zich af of uit het feit dat iemand regelmatig promotie maakte dan nog wel een meer dan redelijk vermoeden volgt dat hij bijzonder goed functioneerde, of dat de mogelijkheid blijft bestaan dat de persoon in kwestie slechts op grond van tijdsverloop in rang steeg. Voorts ziet de gemachtigde van eiser niet in hoe de Minister van Buitenlandse Zaken weet dat ieder die ooit een officiersrang heeft bekleed ook daadwerkelijk de volledige officiersopleiding, met daarbij de Parwachi en de Azmajchi heeft doorlopen. Tevens vraagt hij zich af of de Parwachi en de Azmajchi ook deel uitmaakten van de verkorte opleiding, die bestemd was voor personen die al op voorhand betrouwbaar werden geacht en of het denkbaar is dat iemand die betrouwbaar werd geacht onder omstandigheden de hele opleiding kon overslaan. Op deze vragen wordt in het ambtsbericht geen overtuigend antwoord gegeven, hetgeen ook niet mogelijk is nu de Minister van Buitenlandse Zaken volgens de gemachtigde zelf toegeeft geen volledig inzicht te hebben in de organisatiestructuur van de desbetreffende veiligheidsdiensten. Eisers gemachtigde concludeert hieruit dat het ambtsbericht dus niet de conclusie kan dragen dat sprake is van meer dan een redelijk vermoeden.

De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de conclusies van de genoemde ambtsberichten in twijfel te trekken. Daarbij wijst zij erop dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) (onder meer de uitspraak van 12 oktober 2001, kenmerk 200103977/1) een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land worden kan worden aangemerkt als deskundigenadvies aan de Minister ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, mag verweerder bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Eisers gemachtigde heeft ook met de verwijzing naar de in het artikel van dr. Zegveld opgeworpen vragen en bedenkingen geen concrete aanknopingspunten aangevoerd voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het algemene ambtsbericht over de KhAD/WAD. Hij heeft enkel vragen opgeworpen, maar hij heeft geen argumenten aangevoerd waaruit concreet blijkt dat de in het ambtsbericht opgenomen informatie niet juist is. Weliswaar heeft eisers raadsman erop gewezen dat de Minister zou hebben aangegeven zelf geen volledig inzicht te hebben in de organisatiestructuur van de KhAd/WAD, maar dat betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de informatie in het ambtsbericht niet juist zou zijn. Wel zou dat kunnen betekenen dat met betrekking tot hetgeen thans reeds in grote lijnen bekend is over de organisatiestructuur in de toekomst meer details bekend worden.

4.11 Op grond van de hiervoor weergegeven paragraaf 43 van de UNHCR Guidelines on the application of the exclusion clauses kan tegenwerping van artikel 1 (F) van het Verdrag gerechtvaardigd zijn indien bij eiser wetenschap van -en daarmee formele medeverantwoordelijkheid voor- mensenrechtenschendingen mag worden verondersteld. Het ligt in dat geval op de weg van eiser om informatie te verschaffen op grond waarvan bedoelde tegenwerping, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet gerechtvaardigd is.

4.12 Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser in redelijkheid artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag heeft kunnen tegenwerpen. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend.

Voorop staat dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank, voor wat betreft eisers verklaringen in zijn algemeenheid en meer in het bijzonder voor wat betreft zijn verklaringen over zijn functie, heeft kunnen uitgaan van hetgeen eiser in het nader gehoor heeft verklaard. Weliswaar heeft eiser steeds verklaard dat hij werkzaam is geweest als lijfwacht van eerst generaal Naser en daarna generaal Atiq, maar in het beroepschrift en tijdens het gehoor door de ambtelijke commissie heeft hij, anders dan in het nader gehoor, verklaard dat hij niet bij de veiligheidsdienst KhAD werkzaam was, maar bij het ministerie van Defensie. Deze verklaringen heeft verweerder in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten. De verklaring die eiser geeft voor de wijzigingen in zijn verklaringen met betrekking tot zijn dienstverband, namelijk dat hij in het nader gehoor nimmer expliciet heeft gezegd dat hij in dienst is geweest van de KhAD, maar dat hij heeft gezegd dat hij bij de veiligheidsdienst werkte, heeft verweerder in redelijkheid niet aannemelijk kunnen achten. Zoals verweerder in het primaire besluit van 12 juni 2002 en in het verweerschrift terecht heeft opgemerkt heeft eiser tijdens het eerste gehoor verklaard: ‘Ik was ambtenaar van de veiligheidsdienst’, en tijdens het nader gehoor: ‘Ik behoorde tot het ministerie van Veiligheid’. In de correcties en aanvullingen is nog aangegeven dat: ‘het uiteraard van groot belang is dat hij heel lang voor de KhAD heeft gewerkt. Daarnaast speelt een rol dat hij lid was van de geheime dienst’. Ook heeft eiser ten overstaan van de ACV verklaard dat ‘hij na de middelbare schoolopleiding een opleiding tot lijfwacht heeft gevolgd bij de WAD’, en uit de zienswijze blijkt dat ‘verzoeker werkzaam is voor de veiligheidsdienst in Afghanistan’. Bovendien heeft eiser in het nader gehoor nog verklaard dat hij zijn personeelskaart van de KhAD op de grens van de Sovjet Unie is kwijtgeraakt.

Voor zover eiser met zijn stelling dat het ten tijde van zijn nader gehoor voor verweerder nog niet zo belangrijk was of iemand in dienst was van de KhAD en dat aan dat aspect van zijn relaas tijdens het nader gehoor en de nabespreking daarvan niet zoveel aandacht is besteed, wil aangeven dat het aan verweerder is te wijten dat eisers verklaringen op dit punt niet voldoende specifiek zijn, merkt de rechtbank het volgende op. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS is het aan de vreemdeling om, met name in het nader gehoor, zelf zijn vluchtmotieven naar voren te brengen en niet aan verweerder om deze met vragen nader aan het licht te brengen. Het verslag van het nader gehoor biedt geen grond voor het oordeel dat eiser daartoe niet of onvoldoende in staat is gesteld. Evenmin biedt het grond om aan te nemen dat eiser en verweerder tijdens het nader gehoor langs elkaar heen hebben gepraat, in die zin dat verweerder er -volgens eiser ten onrechte- van is uitgegaan dat eiser bedoelde dat hij in dienst was van de veiligheidsdienst, terwijl eiser dat niet zou hebben verklaard. De hierboven geciteerde verklaringen laten, naar het oordeel van de rechtbank, aan duidelijkheid niet te wensen over. Dat geldt evenzeer voor de verklaringen die eiser ten overstaan van de ACV heeft afgelegd. Eiser heeft bij die gelegenheid verklaard dat hij bij de WAD heeft gewerkt, hetgeen in de ogen van eiser niet betekent dat hij voor de WAD heeft gewerkt, nu hij immers niet heeft verklaard dat hij op de loonlijst van de WAD stond. De rechtbank is van oordeel dat eiser met deze woordspelingen niet kan verbloemen dat hij ten dienste van de WAD heeft gewerkt.

4.13 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat eiser in het voorjaar van 1987 uit eigen vrije wil is gaan werken bij de WAD. Eiser verkoos dit werk boven het vervullen van zijn reguliere dienstplicht. Om als lijfwacht te kunnen gaan werken diende hij daartoe eerst een opleiding te volgen. Volgens eiser werd je alleen tot de opleiding toegelaten als je betrouwbaar was, hetgeen in de periode voorafgaand aan de opleiding werd vastgesteld, en in eisers geval ook daadwerkelijk is nagegaan. Eiser heeft ook verklaard dat het mogelijk is dat het betrouwbaarheidsonderzoek is voortgezet nadat hij al tot de opleiding was toegelaten. Na de afronding in 1987 van zijn drie maanden durende opleiding kreeg eiser de rang van tweede luitenant en werd hij tewerkgesteld bij de WAD als lijfwacht van generaal Naser, hoofd Staatsveiligheid van de afdeling Baghlan. Vervolgens is eiser, naar hij stelt op basis van anciënniteit, een aantal keren bevorderd; bij het verlaten van de WAD had hij inmiddels de rang van eerste kapitein. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder er op basis van het ambtsbericht van 29 februari 2000 op goede gronden vanuit kunnen gaan dat eiser, die een officiersfunctie binnen de WAD bekleedde, de Parwachi en de Azmajchi heeft doorlopen. Dat eiser ter zitting heeft verklaard dat deze opvoedingsperiode en proeftijd niets met de KhAD/WAD te maken hebben en deze termen heeft geprojecteerd op het lidmaatschap van de DVPA, hoeft, mede gelet op de ambtsberichten, niet tot een andere conclusie te leiden dan door verweerder is getrokken.

4.14 Over de WAD heeft eiser verteld dat er veel afdelingen en directies waren. Al het werk was volgens eiser vertrouwelijk en hij wist niet wat er op andere afdelingen gebeurde. Eiser weet dat er afdelingen bestonden waar mensen werden verhoord, maar hij stelt niet te weten op welke manier die verhoren plaatsvonden. Hij heeft nooit gehoord dat er door de WAD mensen werden mishandeld. Zoiets zou ook nooit mogelijk zijn, omdat alles volgens de regels en wetten moest verlopen, aldus eiser. Alles ging volgens een geordend systeem en er gebeurden geen onrechtmatige dingen. Er wordt volgens eiser wel veel gepraat over Afghanistan. Als er slechte dingen worden verteld over de WAD, dan gebeurt dit door tegenstanders van de WAD en door andere partijen, zo stelt eiser.

4.15 Over zijn eigen positie als lijfwacht van generaal Naser heeft eiser aangegeven dat de generaal nooit met hem sprak over zijn werkzaamheden, maar dat eiser wel wist wat de functie van zijn baas was. De generaal nam bijvoorbeeld deel aan vergaderingen van het Provinciaal Comité en het garnizoen, hij inspecteerde het personeel, personeelsleden brachten rapport bij hem uit en hij hield zich bezig met logistieke zaken, zoals kleding en voedsel. Desgevraagd geeft eiser aan dat het mogelijk is dat aan de generaal ook rapporten over personen werden uitgebracht. Voor de veiligheid van de afdeling moest iedereen contact hebben met het hoofd. De generaal liet nooit iemand arresteren, aldus eiser. Arrestaties verliepen via de Openbare Aanklager van het militaire tribunaal.

4.16 Eén à twee maanden na de val van Najibullah in 1992 is eiser als lijfwacht in dienst getreden van generaal Atiq. Deze heeft eiser persoonlijk gevraagd om als lijfwacht bij hem in dienst te treden. Als lijfwacht van generaal Atiq heeft eiser van de Jonbesh-i-Islami de rang van kapitein senior gekregen. Generaal Atiq heeft eiser als lijfwacht gevraagd, omdat eiser bekend stond als iemand die betrouwbaar was en die nooit iets over zijn werk vertelde. Generaal Atiq had voor de val van het regime van Najibullah bij het ministerie van Staatsveiligheid gewerkt.

4.17 De rechtbank deelt de conclusie van verweerder dat eiser de negatieve gevolgen van zijn werkzaamheden voor de WAD heeft proberen te minimaliseren onder andere door te verklaren dat medewerkers van de WAD geen ontoelaatbare handelingen hebben verricht en nimmer maatregelen tegen vermeende opposanten hebben getroffen. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen beslissen dat eisers verklaring niet geloofwaardig is, omdat zij in strijd is met hetgeen uit algemeen toegankelijke bronnen bekend is.

Dat eiser van dit alles niets zou hebben geweten heeft verweerder eveneens ongeloofwaardig kunnen achten, te meer als daarbij in aanmerking wordt genomen dat de reputatie van de KhAD/WAD op het gebied van de mensenrechtenschendingen zowel door de grootschaligheid als de gruwelijkheid ervan in Afghanistan algemeen bekend was, ook reeds ten tijde van het communistische regime. Daar komt bij dat eiser vijf jaren bij de WAD heeft gewerkt als lijfwacht van het hoofd Staatsveiligheid in de provincie Baghlan en dat eiser binnen de WAD is gepromoveerd van tweede luitenant tot uiteindelijk eerste kapitein. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat deze bevorderingen, anders dan eiser stelt, niet hebben kunnen plaatsvinden enkel op basis van anciënniteit. Uit het ambtsbericht van 29 februari 2000 blijkt immers dat een promotie tot officier van de WAD niet kon plaatsvinden als de betrokken medewerker niet concreet blijk had gegeven van zijn of haar onvoorwaardelijke loyaliteit aan het communistische bewind (paragraaf 2.4).

Dit gold ook voor promoties die officieren van de WAD ten deel vielen na afronding van hun opleiding. Iedere officier die tijdens zijn diensttijd is bevorderd is -aldus dit ambtsbericht- betrokken geweest bij arrestaties, ondervragingen, martelingen en zelfs executies. Volgens het ambtsbericht is het ondenkbaar dat iemand die werkzaam was binnen deze diensten, ongeacht het niveau waarop hij werkzaam was, niet op de hoogte was van de grove schendingen van de mensenrechten die plaatsvonden. Vanaf de rang van onderofficier heeft zelfs iedereen actief deelgenomen aan de schendingen. Aangezien eiser uiteindelijk de rang van eerste kapitein bezat, was hij officier binnen de WAD. Dit impliceert dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat er ten aanzien van eiser ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij, gelet op zijn werkzaamheden voor en zijn positie bij de WAD, alsmede gezien de door hem beklede rangen, op concrete wijze betrokken moet zijn geweest bij, en daarmee verantwoordelijkheid draagt voor de door de WAD begane schendingen van de mensenrechten, als bedoeld in artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag.

4.18 De vraag of verweerder ook terecht artikel 1 (F), aanhef en onder b, heeft tegengeworpen, zoals eiser ter zitting heeft betoogd, behoeft gelet op het vorenstaande geen bespreking meer.

4.19 De omstandigheid dat eiser in redelijkheid artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen leidt op zich zelf evenwel nog niet tot de conclusie dat de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd terecht is ingetrokken.

Immers, ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 - voor zover van belang - kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd slechts worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot het verlenen van de vergunning. De rechtbank is in casu met verweerder van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in laatstvermelde bepaling. De rechtbank merkt in dit verband onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State (ARVS) van 1 juli 1991 (RV 1991, 36) allereerst op dat onder het verstrekken van onjuiste gegevens mede moet worden verstaan het achterhouden van gegevens waarvan betrokkene geacht moet worden te begrijpen dat bekendheid hiermede van essentieel belang is. Daarbij doet niet ter zake of het verstrekken van de onjuiste gegevens al dan niet opzettelijk is geschied. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat geconstateerd moet worden dat eiser, die over de exacte aard en omvang van de activiteiten van de WAD tijdens het nader gehoor informatie heeft achtergehouden en tijdens de zitting van de ACV zelfs heeft ontkend dat medewerkers van de WAD ontoelaatbare handelingen zouden hebben verricht en maatregelen tegen vermeende opposanten zou hebben getroffen, op het punt van zijn betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Naar moet worden aangenomen heeft eiser dit gedaan om deze betrokkenheid te verhullen. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen concluderen dat eiser tijdens zijn gehoor op 26 april 1999 ten onrechte heeft verklaard dat hij alles heeft verteld dat voor de beoordeling van zijn aanvragen van belang kan zijn.

De door verweerder hieraan verbonden gevolgtrekking, dat moet worden aangenomen dat artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag op eiser zou zijn toegepast als hij geen onjuiste gegevens had verstrekt, zodat hem in dit geval geen vvtv zou zijn verleend, wordt door de rechtbank gevolgd. Mitsdien heeft verweerder op voormelde grond in redelijkheid kunnen overgaan tot de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning.

4.20 Van een situatie waarin verweerder het recht verwerkt zou hebben om tot intrekking van de verblijfsvergunning over te gaan, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daartoe is van belang dat eiser door het verstrekken van onjuiste gegevens, dan wel het achterhouden van voor de beoordeling van zijn aanvraag relevante gegevens, het risico heeft genomen dat zijn verblijfsvergunning zou worden ingetrokken. Eiser heeft tevens de grief opgeworpen dat al de feiten die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan de intrekking van de aan eiser verleende vergunning ook al in oktober 1999, ten tijde van het verlenen van die vergunning, bekend waren. Verweerder heeft daarin destijds geen reden gezien om de zaak van eiser verder te onderzoeken of hem een verblijfsvergunning te onthouden. Eiser is van mening dat verweerder ook hierom het recht heeft verwerkt om nu, om grond van diezelfde informatie, de verleende verblijfstitel in te trekken. In het voornemen, dat in het thans bestreden besluit is herhaald en ingelast, heeft verweerder er in dit verband op gewezen dat weliswaar in 1994 al wel bekend was dat het communistische bewind in Afghanistan mensenrechtenschendingen heeft gepleegd, maar dat het op dat moment nog niet tot in detail bekend was welke functionarissen ((onder-)officieren) daarvoor persoonlijk verantwoordelijk konden worden gehouden. Het feit dat dat inzicht eerst later is ontstaan houdt volgens verweerder verband met de omstandigheid dat het veel tijd en inspanning heeft gekost voordat vanuit de Nederlandse ambassade te Islamabad specifiek onderzoek naar deze problematiek kon worden verricht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee een afdoende verklaring heeft gegeven voor het tijdstip waarop tot intrekking van de verblijfsvergunning is overgegaan.

4.21 In de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Jabari (11 juli 2000, RV 2000, 2), heeft het EHRM, naar de rechtbank begrijpt, het standpunt ingenomen dat op het nationale rechtscollege de plicht rust om altijd inhoudelijk in te gaan op een asielverzoek, indien wordt aangevoerd dat bij uitzetting artikel 3 van het Europees Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zal worden geschonden, ook al heeft de asielzoeker zich niet gehouden aan de nationale procedureregels. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om, ondanks het feit dat eiser eerst ter zitting een beroep heeft gedaan op artikel 3 EVRM, deze grief mee te nemen in haar beoordeling. In dat kader merkt de rechtbank allereerst op dat artikel 3 EVRM niet ziet op de toelating van de vreemdeling, maar bescherming beoogt te bieden in het geval de vreemdeling bij uitzetting naar zijn land van herkomst in dat land een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Ter zitting heeft verweerder betoogd dat artikel 3 EVRM in de weg staat aan eisers uitzetting. Aangezien eiser blijkens zijn verklaringen zijn land van herkomst is ontvlucht vanwege zijn vrees voor vervolging van de zijde van de Taliban en de Taliban in Afghanistan niet langer aan de macht is, kan een gedwongen terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst in verband met zijn asielmotieven, naar het oordeel van de rechtbank, echter niet leiden tot een schending van artikel 3 EVRM. Ook overigens is niet gebleken dat eiser bij een eventuele terugkeer naar zijn land van herkomst te vrezen heeft voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM.

4.22 Het beroep geregistreerd onder Awb 02/51784 BEPTDN is, gelet op het vorenstaande, ongegrond.

4.23 Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5 Inzake de niet-ontvankelijk verklaring van eisers bezwaar gericht tegen de niet-inwilliging van zijn aanvraag om toelating als vluchteling.

5.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit van 6 juli 2001 toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

5.2 Op 1 april 2001 is de Vw 2000 in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. Bij gebreke van andersluidend overgangsrecht is het nieuwe materiële recht van toepassing.

5.3 Ten aanzien van het procesrecht geldt het volgende. Artikel 119 Vw 2000 beperkt de toepassing van het procesrecht dat gold vóór invoering van deze wet tot de mogelijkheid om beroep in te stellen, het griffierecht en de schorsende werking, zodat voor het overige het nieuwe procesrecht van toepassing is.

5.4 Door de invoering van de Vw 2000 is de vvtv op grond van artikel 115, zesde lid, Vw 2000 van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel als bedoeld in artikel 28 Vw, onder handhaving van de geldigheidsduur.

6 Standpunten

6.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van een rechtens relevant belang, waartoe hij samengevat weergegeven het volgende aanvoert.

Het overgangsrecht van de Vw 2000 gaat ervan uit dat er na de inwerkingtreding van de Vw 2000 bij de inwilliging van de aanvraag alleen een vergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 kan worden verleend. In bezwaar resteert daarom slechts de vraag of de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd moet worden verleend op een andere grond dan op grond van artikel 29, eerste lid onder d, Vw 2000. Bij die toetsing heeft eiser thans geen rechtens relevant belang, nu er wat rechten en voorzieningen betreft geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende gronden waarop de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend.

Verweerder heeft, met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), afgezien van het horen van eiser.

6.2 Eiser stelt zich op het standpunt dat, indien hem voor 1 april 2001 een vluchtelingenstatus dan wel een vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard zou zijn verleend, die titel per 1 april 2001 ingevolge artikel 115 Vw 2000 van rechtswege zou zijn aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Eiser is van mening dat in deze omstandigheid zijn belang bij doorprocederen ligt besloten.

7 Overwegingen

7.1 De rechtbank oordeelt als volgt.

De rechtbank dient in de onderhavige zaak te beoordelen of er aan de kant van eiser een rechtens te honoreren (processueel) belang bestaat bij de beantwoording van de vraag of eiser moet worden aangemerkt als vluchteling en op die grond tot Nederland moet worden toegelaten, dan wel of eiser op grond van klemmende redenen van humanitaire aard verblijf in Nederland moet worden toegestaan.

7.2 Naar het oordeel van de rechtbank had eiser wel degelijk belang bij heroverweging door verweerder van de vraag of hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd toekomt. In zoverre heeft verweerder het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk geacht en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Wel acht de rechtbank het om redenen die hierna zullen worden uiteengezet aangewezen om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien.

7.3 Nu verweerder op het bezwaar heeft beslist na het tijdstip waarop de Vw 2000 in werking is getreden was verweerder gehouden bij zijn beslissing op bezwaar toepassing te geven aan de Vw 2000.

7.4 Ingevolge artikel 34 Vw 2000 kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 33, van de vreemdeling die, direct voorafgaande aan die aanvraag, gedurende drie achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten, als vermeld in artikel 8, onder c, slechts worden afgewezen, indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond, als bedoeld in artikel 32 voordoet. Overigens biedt de Vw 2000 geen wettelijke grondslag voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd aan de vreemdeling die niet al vóór het tijdstip van inwerking treden van de wet (1 april 2001) beschikte over een verblijfstitel als genoemd in artikel 115 lid 3, 4, 5 of 7 van de Vw 2000. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraak van de ABRvS van 5 maart 2002, nr. 200106237/1, gepubliceerd in JV 2002, 127. De beslissing op bezwaar had voor eiser nooit tot méér kunnen leiden dan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser had al een dergelijke vergunning zodat zijn bezwaar niet tot een verbetering van zijn rechtspositie zou leiden.

7.5 Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat verweerder in soortgelijke zaken heeft aangegeven dat bij gelegenheid van een eventuele intrekking dan wel niet-verlenging van de toegekende verblijfsvergunning opnieuw zal worden beoordeeld of betrokkene in aanmerking komt voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder a, b, of c van de Vw 2000. Deze toezegging is verweerder ook nagekomen toen de aan eiser verleende verblijfsvergunning bij besluit van 12 juni 2002 werd ingetrokken.

Bij die gelegenheid heeft verweerder zich beroepen op artikel 3.107 van het Vb 2000. Daarin wordt overwogen dat, indien artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning wordt verleend op één van de andere gronden als bedoeld in artikel 29 van de Wet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser dit artikel terecht heeft tegengeworpen.

7.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep, geregistreerd onder Awb 01/36366 OVERIO C, gegrond moet worden verklaard. Het bestreden besluit van 6 juli 2001 moet worden vernietigd en het van 9 november 1999 daterende bezwaar van eiser dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

7.7 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep, geregistreerd onder Awb 01/36366 OVERIO C, redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 644,-- ( 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de behandeling ter zitting).

8 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder Awb 02/51784 BEPTDN BE geregistreerde beroep, gericht tegen de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ongegrond;

- verklaart het onder Awb 01/36366 OVERIO C geregistreerde beroep, gericht tegen het niet-ontvankelijk verklaren van eisers bezwaar tegen de niet-inwilliging van zijn aanvraag om toelating als vluchteling, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 6 juli 2001;

- verklaart het bezwaarschrift d.d. 9 november 1999 van eiser alsnog ongegrond;

- bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door de mrs. J.H. Keuzenkamp, W.M.B. Elferink en H.W.H. Oude Aarninkhof en in tegenwoordigheid van mr. G.F.S. Sloet - van der Kolk als griffier in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2004

Tegen dat deel van deze uitspraak dat ziet op het beroep, geregistreerd onder Awb 01/36366 OVERIO C, staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Tegen dat deel van deze uitspraak dat ziet op het beroep, geregistreerd onder Awb 02/51784 BEPTDN BE, kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 6 januari 2004