Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO2288

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-01-2004
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
09/037559-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(...) De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting in de woning van de burgemeester van Moordrecht door zelfgemaakte rookbommen, gemaakt van pvc-buizen gevuld met sterretjes, aan te steken en in de brievenbus van bedoelde woning te leggen en daarna weg te gaan en daarnaast aan het aanbrengen van graffiti op het gemeentehuis. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER JEUGDSTRAFZAKEN

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/037559-03

rolnummer 0010

's-Gravenhage, 22 januari 2004

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 8 januari 2004.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. S.I. Soekarman, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. I.J.E.H.C. Degeling heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1, 1e cumulatief, 1, 2e cumulatief, 2a, 2b en 2c telastgelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De telastlegging

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

De bewezenverklaring

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1, 1e cumulatief, 1, 2e cumulatief, 2a, 2b en 2c vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Strafmotivering

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting in de woning van de burgemeester van Moordrecht door zelfgemaakte rookbommen, gemaakt van pvc-buizen gevuld met sterretjes, aan te steken en in de brievenbus van bedoelde woning te leggen en daarna weg te gaan en daarnaast aan het aanbrengen van graffiti op het gemeentehuis. De groep tot welke verdachte behoorde heeft het plan ontwikkeld om zowel bij de woning van de burgemeester de rookbommen door de brievenbus te doen als bij het gemeentehuis graffiti aan te brengen om zodoende de burgemeester duidelijk te maken dat de Molukse jeugd van Moordrecht zich verveelt en verwacht dat de burgemeester iets voor deze jeugd doet, aan welk plan vervolgens uitvoering is gegeven. Enkelen van de groep hebben daartoe rookbommen in elkaar gezet waarna de groep zich splitste en één deel naar de woning van de burgemeester en één deel naar het gemeentehuis is gegaan. Verdachte maakte deel uit van het deel dat naar het gemeentehuis is gegaan.

Verdachte heeft door te handelen zoals bewezen verklaard blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit en de eigendommen van anderen. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de mogelijk verstrekkende consequenties van zijn handelen. Het is niet aan verdachte te danken dat de brand zich niet verder heeft ontwikkeld in de woning en er derhalve geen levensbedreigende situatie is ontstaan.

Voorts heeft verdachte zich op verschillende tijdstippen schuldig gemaakt aan het bekogelen van politieambtenaren en politievoertuigen. Op 30 mei 2003 had de groep tot welke verdachte behoorde de politie naar de Molukse wijk gelokt door vuilcontainers en een kruiwagen op de weg te leggen. De groep had zich in twee groepen gesplitst en de politieambtenaren zijn op twee punten opgewacht door de groep waarna de politieambtenaren, terwijl zij in hun politieauto zaten, bekogeld zijn met stukken trottoirtegels. Eén steen is door een ruit van de politieauto gegooid en daarbij is één van de politieambtenaren door die steen geraakt.

In de andere situatie, op 21 juni 2002, was de politie aanwezig om de aldaar aanwezige groep mensen terug te begeleiden naar de wijk. Hierbij zijn stukken van trottoirtegels in de richting van zowel de politieambtenaren als de politiemotor en -auto gegooid. De reden van deze actie was het feit dat een aantal mensen die deel uitmaakten van de groep niet wilden dat de politie de Molukse wijk in zou komen.

Tenslotte is de politie op 29 mei 2003 bekogeld door een groep van welke verdachte deel uitmaakte.

Dergelijke feiten zorgen voor ernstige gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en voor gevoelens van onrust in de maatschappij. Verdachte heeft door te handelen zoals bewezen verklaard ook toen blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit en de eigendommen van anderen. Verdachte heeft bovendien geen enkel respect getoond voor het wettelijke gezag van de politieambtenaren. De rechtbank neemt verdachte een en ander zeer kwalijk.

Voorts is komen vast te staan dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

De rechtbank heeft acht geslagen op het voorlichtingsrapport strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 2 januari 2004. Dit rapport houdt onder meer in, verkort en zakelijk weer gegeven:

Betrokkene is goed in staat afstand te nemen van het delictgedrag binnen de groep. Hij heeft inzicht in zijn eigen gedrag en hij realiseert zich voldoende wat voor uitwerking dit heeft gehad. De kans op recidive lijkt niet aanwezig te zijn indien de groepsleden elkaar onderling aanspreken op grensoverschrijdend gedrag. De Raad adviseert een aantal jongeren van de groep, onder wie betrokkene, in aanmerking te laten komen voor een straf die zich richt op de groep. De Raad voor de Kinderbescherming zal een project ontwikkelen (straf op maat) waarin de fysieke arbeid aan bod komt, maar waarin ook leerelementen verwerkt worden die betrekking hebben op identiteit, groepsbeïnvloeding en perspectief voor de toekomst. De Raad adviseert betrokkene een groepswerkstraf op te leggen.

De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemd rapport en zal het gegeven advies gedeeltelijk opvolgen.

De rechtbank is van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur alsmede een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur een passende reactie vormen.

De rechtbank overweegt dat uit hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, met name gelet op de gewelddadige houding van verdachte ten tijde van diens aanhouding alsmede de feiten waarvoor verdachte reeds eerder veroordeeld is, is gebleken dat begeleiding van verdachte door de jeugdreclassering geïndiceerd is.

De rechtbank overweegt voorts dat de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht afgetrokken dient te worden van de op te leggen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en, voor zover dit niet toereikend is, voor het overige deel afgetrokken dient te worden van de op te leggen werkstraf, aangezien niet wenselijk is dat verdachte thans langer in detentie moet blijven, een werkstraf derhalve het meest passend is en een werkstraf niet opgelegd kan worden indien de onvoorwaardelijke jeugddetentie de duur van drie maanden te boven gaat.

Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen:

45, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1, 1e cumulatief, 1, 2e cumulatief, 2a, 2b en 2c telastgelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1, 1e cumulatief

MEDEPLEGEN VAN POGING TOT OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS EN MEDEPLEGEN VAN POGING TOT OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN LEVENSGEVAAR VOOR EEN ANDER TE DUCHTEN IS;

1, 2e cumulatief

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK ENIG GOED, DAT GEHEEL OF TEN DELE AAN EEN ANDER TOEBEHOORT, BESCHADIGEN;

2a, b, c

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN EN GOEDEREN, MEERMALEN GEPLEEGD;

verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is telastgelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezene en verdachte te dier zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot

JEUGDDETENTIE VOOR DE DUUR VAN 3 MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;

en voorts

JEUGDDETENTIE VOOR DE DUUR VAN 3 MAANDEN;

bepaalt dat die straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, zolang die instelling zulks nodig acht;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

en voorts

een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 130 uren;

bepaalt dat de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag, zodat 114 uren resteren;

beveelt, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 57 dagen

in verzekering gesteld op 1 oktober 2003;

in voorlopige hechtenis gesteld op 3 oktober 2003;

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van 8 januari 2004;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. C.E. Dettmeijer-Vermeulen, voorzitter, kinderrechter, E.M.J. Raeijmaekers, kinderrechter en M. Moussault, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.V. Verbree, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2004.