Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2004:AO1798

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-01-2004
Datum publicatie
03-02-2004
Zaaknummer
AWB 02/67862, 02/84340
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Amv / zelfstandig handhaven / Liberia.

Eiser, afkomstig uit Liberia, is alleenstaand en minderjarig. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet heeft geconcretiseerd waarom hij in Liberia niet zelfstandig in zijn levensonderhoud zal kunnen voorzienen dat niet valt in te zien dat eiser bij terugkeer hiertoe niet in staat zal zijn. In het amv-beleid, neergelegd hoofdstuk C2/7.4.2 onder b, Vc 2000, wordt voor wat betreft het criterium dat de minderjarige zich zelfstandig kan handhaven, geen onderscheid gemaakt tussen het land van herkomst en andere landen waarnaar hij kan terugkeren. De rechtbank vermag evenwel niet in te zien dat de omstandigheid dat een minderjarige zich in een ander land dan het land van herkomst zelfstandig staande heeft weten te houden zonder meer meebrengt dat hij dit in het land van herkomst ook zal kunnen. Het had op de weg van verweerder gelegen om nader te onderzoeken of eiser zich in Liberia zelfstandig zal kunnen handhaven. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummers: Awb 02/67862 (asiel) en Awb 02/84340 (regulier)

Datum uitspraak: 12 januari 2004

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaken van

A,

geboren op [...] juni 1986,

van Liberiaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. A.J.M. van Haaren,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

gemachtigde mr. A.A.K. Sol.

Het procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 8 november 2001 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 3 september 2002 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit beroep is geregistreerd onder nummer Awb 02/67862.

Bij evenbedoeld besluit heeft verweerder tevens besloten eiser niet op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv).

Eiser heeft daartegen op 3 september 2002 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 oktober 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 7 november 2002 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit beroep is geregistreerd onder nummer Awb 02/84340.

Openbare behandeling van beide beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 28 mei 2003. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Bij brief van 19 juni 2003 is het onderzoek ingevolge artikel 8:68 van de Awb heropend en heeft de rechtbank aan verweerder een aantal vragen gesteld.

Verweerder heeft bij brief van 2 juli 2003 de beantwoording van bedoelde vragen aan de rechtbank doen toekomen. Eiser heeft bij brief van 31 juli 2003 zijn reactie op de brief van verweerder kenbaar gemaakt.

De tweede openbare behandeling van beide beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 december 2003. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. Knibbe-Bosch.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

Ten aanzien van het beroep asiel (Awb 02/67862)

2. Gezien de gronden van het beroep heeft de rechtsstrijd betrekking op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgronden.

3. Eiser heeft aan zijn aanvraag, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat hij is meegenomen door de rebellen. Nadat eiser was ontsnapt, kwamen de rebellen terug om hem te zoeken. Hierbij is eisers moeder door de rebellen doodgeschoten. Eiser is gevlucht naar Guinee, alwaar hij geruime tijd heeft verbleven. Vervolgens is hij naar Nederland gekomen.

4. Verweerder heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat eiser het slachtoffer is geworden van de algemene oorlogssituatie in Liberia, hetgeen niet kan leiden tot vluchtelingschap. Evenmin kan eiser zich met succes beroepen op het traumatabeleid.

5. Artikel 83 van de Vw 2000 luidt als volgt:

“1 De rechtbank houdt bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

2 Met feiten en omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, wordt alleen rekening gehouden indien deze voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33, relevant kunnen zijn.

3 De rechtbank verzoekt Onze Minister om zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de wederpartij en de rechtbank te laten weten of de ingeroepen feiten en omstandigheden aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit.”

6. De rechtbank stelt vast dat er na het nemen van het bestreden besluit in Liberia feiten en omstandigheden zijn opgekomen die relevant kunnen zijn voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De rechtbank zal met die feiten en omstandigheden evenwel geen rekening houden bij de beoordeling van het beroep. Daartoe is het volgende redengevend.

7. Verweerder heeft in zijn brief van 27 juni 2003 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (TK 2002-2003, 19 637, nr. 750) aangegeven dat het vanwege de onzekerheid en onduidelijkheid met betrekking tot de huidige situatie in Liberia niet meer mogelijk is om de individuele asielverzoeken van asielzoekers uit Liberia inhoudelijk te toetsen. Daarom moet worden aangenomen dat verweerder thans evenmin in staat is aan te geven of die situatie aanleiding is voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit. Nu thans niet voorzienbaar is dat verweerder op korte termijn wel in staat zal zijn de consequenties van de situatie in Liberia voor het bestreden besluit te beoordelen, moet worden geoordeeld dat de afdoening van de zaak ontoelaatbaar zou worden vertraagd, indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening zou houden met de hierboven bedoelde feiten en omstandigheden.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan eiser in het kader van diens beroep op de a-, b- en c-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 niet langer tegenwerpt dat hij een vestigingsalternatief elders in Liberia heeft.

9. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder blijkens het bestreden besluit niet geloofwaardig acht dat de moeder van eiser is gedood. De rechtbank is evenwel, anders dan verweerder, van oordeel dat uit het bestreden besluit niet volgt dat verweerder het gehele asielrelaas van eiser ongeloofwaardig acht. Mitsdien zal bij de beoordeling worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van het relaas, met uitzondering van de dood van eisers moeder.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser het slachtoffer is geworden van de algemene oorlogssituatie in Liberia. Een beroep op de algemene situatie in het land van herkomst is op zichzelf ontoereikend voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. Eiser heeft niet nader onderbouwd dat ten aanzien van zijn persoon sprake is van specifieke negatieve belangstelling van de zijde van de rebellen dan wel de autoriteiten. Mitsdien heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser geen vluchteling is.

11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder evenmin grond voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 aanwezig hoeven achten.

12. Aangaande eisers vermeende aanspraak op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 overweegt de rechtbank als volgt.

13. Eiser heeft zich er in dit verband op beroepen dat zijn moeder door de rebellen is gedood. Verweerder acht de dood van eisers moeder evenwel niet geloofwaardig.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de dood van eisers moeder kan worden getwijfeld. Verweerder heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat eiser omtrent de dood van zijn moeder tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat zijn moeder in 1993 door rebellen in de borst werd geschoten, waarna hij hard wegrende. Eveneens tijdens het nader gehoor heeft eiser echter verklaard dat hij niet aanwezig was bij het doodschieten van zijn moeder, maar dat hij zijn moeder twee dagen later terugvond met schotwonden in haar borst. Dit zou niet in 1993, maar in 1996 zijn gebeurd. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser voor deze tegenstrijdigheden geen afdoende verklaring heeft gegeven.

15. Gezien het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren om eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

16. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van het beroep regulier (Awb 02/84340)

17. Ingevolge artikel 14 van de Vw 2000, gelezen in samenhang met de artikelen 3.6, aanhef en onder c en 3.4, eerste lid, aanhef en onder y, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), kan verweerder ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Artikel 3.56 van het Vb 2000 stelt daarvoor onder meer de voorwaarde dat de minderjarige zich niet zelfstandig kan handhaven in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan.

18. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser minderjarig is. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of eiser zich in het land van herkomst zelfstandig zal kunnen handhaven.

19. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet in zijn eigen levensonderhoud heeft voorzien en dat hij hiertoe ook niet in staat is. Eiser stelt dat verweerder eraan voorbij is gegaan dat de werkzaamheden van eiser plaatsvonden in Guinee en dat er, gelet op de rampzalige economische situatie in Liberia geen kans is dat hij aldaar in zijn levensonderhoud zal kunnen voorzien.

20. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft geconcretiseerd waarom hij in het land van herkomst niet zelfstandig in zijn levensonderhoud zal kunnen voorzien. Mede gelet op de lange periode dat eiser dit heeft kunnen doen, te weten vijf jaar tot aan zijn vertrek, alsmede zijn leeftijd, te weten ouder dan zestien jaar ten tijde van het besluit, valt volgens verweerder niet in te zien dat eiser bij terugkeer hiertoe niet in staat zal zijn.

21. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Hiertoe is het volgende redengevend. In het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen, zoals - voor zover hier van belang - neergelegd in hoofdstuk C2/7.4.2 onder b, van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt voor wat betreft het criterium dat de minderjarige zich zelfstandig kan handhaven, geen onderscheid gemaakt tussen het land van herkomst en andere landen waarnaar hij kan terugkeren. De rechtbank vermag evenwel niet in te zien dat de omstandigheid dat een minderjarige zich in een ander land dan het land van herkomst zelfstandig staande heeft weten te houden zonder meer meebrengt dat hij dit in het land van herkomst ook zal kunnen. Het had op de weg van verweerder gelegen om nader te onderzoeken of eiser zich in Liberia zelfstandig zal kunnen handhaven. Nu verweerder dit heeft nagelaten, heeft verweerder naar het oordeel van de rechter gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en ontbeert het bestreden besluit eveneens een draagkrachtige motivering. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

22. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor vergoeding van het griffierecht en voor een proceskostenveroordeling.

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep asiel (Awb 02/67862) ongegrond;

- verklaart het beroep regulier (Awb 02/84340) gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 oktober 2002 waarbij de weigering om aan eiser een verblijfsvergunning regulier als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen is gehandhaafd;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon om het griffierecht ten bedrage van € 109,-- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Klein Egelink en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2004 in tegenwoordigheid van mr. J.C.D. Crezée als griffier.

de griffier?

de rechter

w.g. Crezée

w.g. Klein Egelink

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,

nevenzittingsplaats Arnhem,

Verzonden: 13 januari 2004