Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:BI5299

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
01-3840
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen van de Staat:

Nederlandse Vereniging van Dierenverloskundigen, Dierenartsassistenten en Castreurs vordert de Staat te veroordelen bepaalde diergeneesmiddelen - uitgezonderd de middelen Vetalgin/Novalgin en Duphaspasmin, voor zover deze zogenaamde vrije middelen zijn, dan wel vallen onder artikel 5, derde lid, van de Kanalisatieregeling - waarover dierverloskundigen en castreurs voor een goede uitoefening van hun beroep moeten kunnen beschikken, ten behoeve van dierverloskundigen en castreurs op te nemen in de Kanalisatieregeling, alsmede, voor het geval dat bepaald wordt dat de dierverloskundigen en castreurs niet over het middel Planiport mogen beschikken, in plaats daarvan aan hen het diergeneesmiddel Duphaspasmin toe te kennen.

Daartoe stelt VDDC dat de minister in strijd handelt met het vertrouwensbeginsel, althans misbruik maakt van zijn bevoegdheid, door de verlangde uitbreiding van het diergeneesmiddelenpakket voor dierverloskundigen en diercastreurs te weigeren, dat dezen daardoor niet langer met de dierenartsen kunnen concurreren en dat zij daardoor schade lijden. VDDC vraagt nakoming van de gedane toezegging van gelijke beschikbaarheid van geneesmiddelen.

De rechtbank veroordeelt de Staat het diergeneesmiddel Prostaglandinen ten behoeve van dierverloskundigen op te nemen in de Kanalisatieregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 4.537,00 per dag dat de Staat hiermee in gebreke blijft.

De overige vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

Vonnis in de zaak met rolnummer 01-3840 van:

Nederlandse Vereniging van Dierenverloskundigen, Dierenartsassistenten en Castreurs,

statutair gevestigd te Leiden,

eiseres,

procureur: mr. A.R.M. Berntsen,

tegen

de Staat der Nederlanden (ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

procureur: eerst mr. H.I. Kernkamp-Maathuis, thans mr. G.R.J. de Groot.

Partijen worden hierna aangeduid als 'VDDC' en 'de Staat'.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 7 december 2001;

- de conclusie van eis, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging van eis;

- de conclusie van dupliek;

- het vonnis van 22 oktober 2002, waarbij het verzoek om pleidooi is afgewezen en de zaak naar de rol is verwezen voor een akte c.q. nadere conclusie aan de zijde van VDDC;

- de akte tot (voorwaardelijke) vermindering van eis, tevens nadere conclusie van VDDC, met producties;

- de antwoordakte van de Staat, met een productie;

- de akte uitlaten producties van VDDC.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Feiten

1.1. Dierverloskundigen en diercastreurs die bij inwerkingtreding van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 (WUD 1990) beschikten over een vergunning ingevolge de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst 1954 zijn op grond van de artikelen 5 en 6 van de WUD 1990 slechts bevoegd tot het verrichten van de bij op krachtens die artikelen omschreven handelingen. Er zijn in Nederland nog zo'n 55 dierverloskundigen en diercastreurs werkzaam.

1.2. De bevoegdheid van dierverloskundigen betreft (a) het zonder operatie of verdoving van het moederdier mogelijk maken van de geboorte van de vrucht, dan wel het verkleinen van de vrucht en het verwijderen ervan in gedeelten zonder operatie of verdoving, niet zijnde epiduraal anesthesie, van het moederdier, alsmede (b) het door hem die de onder a bedoelde hulp verleent, op het moederdier vóór of onmiddellijk na de geboorte of verwijdering toepassen van door de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de minister) aangewezen handelingen welke direct met die geboorte of verwijdering verband houden. Tot de door de minister aangewezen handelingen behoren onder meer het toepassen van de in artikel 5, tweede en derde lid, van de Kanalisatieregeling (zie hierna onder 1.3) bedoelde geneesmiddelen.

1.3. Het afleveren van diergeneesmiddelen welke bij toepassing zonder tussenkomst van een dierenarts gevaar voor de gezondheid van mens of dier dan wel schade voor het milieu kunnen opleveren, is in beginsel verboden. Ingevolge artikel 30, tweede lid, onder f, van de Diergeneesmiddelenwet en het daarop gebaseerde artikel 5, eerste lid, van de Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en -gemedicineerde voeders van 23 september 1986 (hierna: de Kanalisatieregeling) geldt dit verbod echter niet voor het afleveren aan dierverloskundigen en diercastreurs, voor wat betreft de door de minister aangewezen diergeneesmiddelen. Die aanwijzing is geregeld in artikel 5, tweede, derde en vierde lid, van de Kanalisatieregeling.

1.4. De minister heeft bij de behandeling van de ontwerp-Diergeneesmiddelenwet op 21 januari 1987 in de Tweede Kamer als intentie uitgesproken dat de beschikbaarheid van diergeneesmiddelen voor dierverloskundigen en diercastreurs, voor zover hun bevoegdheid strekt, gelijk moet zijn aan die voor dierenartsen, hetgeen ook in een motie van de Tweede Kamer is vastgelegd. Uitbreiding van het voor dierverloskundigen en diercastreurs aangewezen pakket diergeneesmiddelen wordt door de minister getoetst aan het criterium dat dit uitsluitend diergeneesmiddelen mag bevatten die voor hun beroepsuitoefening noodzakelijk zijn.

1.5. Bij brief van 1 oktober 1997 heeft de directeur Milieu, Kwaliteit en Gezondheid van het ministerie van LNV - onder meer - een verzoek van VDDC tot uitbreiding van het pakket diergeneesmiddelen van de dierverloskundige en diercastreur afgewezen, onder verwijzing naar een advies van klinische hoogleraren van de Faculteit Diergeneeskunde te Utrecht d.d. 29 september 1997. VDDC heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Tijdens de gehouden hoorzitting heeft VDDC een aanvullend verzoek ingediend, dat bij brief van 16 februari 1998 eveneens is afgewezen. Ook daartegen heeft VDDC bezwaar gemaakt.

1.6. Bij besluiten van 8 en 16 april 1998 zijn de voormelde bezwaren door de minister niet-ontvankelijk verklaard, op grond van het feit dat de verzoeken de wijziging betroffen van een algemeen verbindend voorschrift. De daartegen ingestelde beroepen zijn door het College van Beroep voor het bedrijfsleven bij uitspraak van 8 februari 2001 ongegrond verklaard.

2. Vordering, grondslag en verweer

2.1. VDDC vordert na wijzigingen van eis bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de minister (lees: de Staat) te veroordelen de onder punt 21 van de dagvaarding genoemde diergeneesmiddelen - uitgezonderd de middelen Vetalgin/Novalgin en Duphaspasmin, voor zover deze zogenaamde vrije middelen zijn, dan wel vallen onder artikel 5, derde lid, van de Kanalisatieregeling - waarover dierverloskundigen en castreurs voor een goede uitoefening van hun beroep moeten kunnen beschikken, ten behoeve van dierverloskundigen en castreurs op te nemen in de Kanalisatieregeling, alsmede, voor het geval dat bepaald wordt dat de dierverloskundigen en castreurs niet over het middel Planiport mogen beschikken, in plaats daarvan aan hen het diergeneesmiddel Duphaspasmin toe te kennen, een en ander binnen twee maanden na betekening van het te wijzen vonnis en op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

2.2. Daartoe stelt VDDC dat de minister in strijd handelt met het vertrouwensbeginsel, althans misbruik maakt van zijn bevoegdheid, door de verlangde uitbreiding van het diergeneesmiddelenpakket voor dierverloskundigen en diercastreurs te weigeren, dat dezen daardoor niet langer met de dierenartsen kunnen concurreren en dat zij daardoor schade lijden. VDDC vraagt nakoming van de gedane toezegging van gelijke beschikbaarheid van geneesmiddelen. De weigering om de gevraagde diergeneesmiddelen aan het pakket toe te voegen is jegens haar onrechtmatig, aldus VDDC.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer.

3. Beoordeling

3.1. De rechtbank stelt voorop dat bij de vastlegging van het uitsterfbeleid voor dierverloskundigen en diercastreurs in de WUD 1990 aan de positie van de bestaande vergunninghouders niet is getornd. Het zou dan ook in strijd zijn met de rechtszekerheid om thans aan hen een deel van de voor een optimale beroepsuitoefening noodzakelijke middelen te ontzeggen, daargelaten of zij zich kunnen beroepen op een tijdens de parlementaire behandeling van de Diergeneesmiddelenwet in algemene bewoordingen aan de Tweede Kamer gedane toezegging. Het beleid van de minister is als zodanig niet in strijd met de rechtszekerheid. Indien een redelijk handelende dierenarts voor het verrichten van een bepaalde handeling waartoe ook een dierverloskundige of diercastreur bevoegd is, een bepaald geneesmiddel toepast, moet dit immers ook voor hun beroepsuitoefening noodzakelijk worden geacht.

Aan de orde is dus slechts de vraag of het beleid van de minister consistent wordt toegepast. Dit zal per geneesmiddel waarop de vordering betrekking heeft, nader moeten worden bezien. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de afwijzingen van de minister van de gevraagde uitbreidingen van het toegestane pakket, zal de gegrondheid van diens vrees voor een sluipende uitbreiding van de bevoegdheden van de dierverloskundigen en diercastreurs, mede in aanmerking genomen moeten worden.

Calci TAD

3.2. De Staat heeft bij dupliek aangevoerd dat VDDC bij dit onderdeel van haar vordering geen belang meer heeft, aangezien de voorheen voor haar leden geldende beperking tot het rund sedert 4 april 2002 is komen te vervallen. Nu VDDC bij nadere conclusie heeft erkend dat de Kanalisatieregeling op dit punt is aangepast, is VDDC in zoverre bij gebrek aan belang in haar vordering niet-ontvankelijk.

Prostaglandinen

3.3. De Staat heeft bij antwoord aangevoerd dat deze middelen worden ingezet in de veterinaire gynaecologie en niet bij de verloskundige hulp. Uit dit onderscheid leidt hij af dat de dierverloskundige niet bevoegd is tot 'abnormale geboortehulp', als het leven van het moederdier op het spel staat en de geboorte van de vrucht snel moet plaatsvinden. Dan moet, aldus de Staat, naar de dierenarts worden doorverwezen. Voorts worden prostaglandinen toegepast als de vrucht bij voorbeeld mismaakt of dood en rottend is en bij een ongewenste dracht. Ook op die gebieden is de dierverloskundige niet bevoegd, aldus de Staat.

De rechtbank is van oordeel dat de Staat op goede gronden onderscheid maakt tussen de bestrijding van ziekten en afwijkingen in het kader van de veterinaire gynaecologie enerzijds en verloskundige hulp aan dieren anderzijds. Daaruit volgt echter niet dat de dierverloskundige geen hulp meer mag verlenen als het leven van het moederdier op het spel staat en dat dan, terwijl juist spoed geboden is, de komst van de dierenarts moet worden afgewacht. De bevoegdheid van de dierverloskundige is hierboven bij de feiten onder 1.2 beknopt weergegeven. Het door de Staat gemaakte onderscheid tussen normale en abnormale geboortehulp is daaruit niet af te leiden. Ook de stelling van de Staat dat de dierverloskundige niet bevoegd is tot hulp bij de verlossing van een mismaakte of dode en rottende vrucht, is door de Staat niet aan de hand van enige wettelijke bepaling onderbouwd. Het feit dat de dierverloskundige mede bevoegd is tot het verkleinen van de vrucht en het verwijderen ervan in gedeelten, duidt er juist op dat deze ook abnormale geboortehulp mag verlenen. Nadat VDDC hierop bij repliek heeft gewezen, is daarop bij dupliek niet teruggekomen. De rechtbank neemt dan ook aan dat de Staat zijn stellingen op dit punt heeft laten varen. Zij gaat ervan uit dat de bevoegdheid van de dierverloskundige zich mede uitstrekt tot het verlenen van de voormelde vormen van abnormale geboortehulp.

Niet betwist is dat een redelijk handelende dierenarts in gelijke omstandigheden Prostaglandinen toepast. De weigering om het voor dierverloskundigen toegestane pakket met dit middel uit te breiden, is dus onrechtmatig jegens (de betrokken leden van) VDDC.

Planipart en Duphaspasmin

3.4. De Staat heeft onder meer aangevoerd dat beide middelen op grond van Richtlijn 96/22/EG slechts bij uitzondering en dan nog alleen door een dierenarts mogen worden toegediend.

VDDC heeft bij repliek hiertegen ingebracht dat onder 'dierenarts' in Richtlijn 96/22/EG in voorkomend geval ook de dierverloskundige en diercastreur kunnen worden verstaan. Bij akte uitlaten producties heeft zij voorts gesteld dat Nederland heeft verzuimd voor de toepassing van beide middelen een uitzondering voor dierverloskundigen te bewerkstelligen en dat op nationaal niveau uitzonderingen op de bedoelde richtlijn mogen worden gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de tekst van Richtlijn 96/22/EG voor het standpunt van VDDC geen enkel aanknopingspunt biedt, ervan moet worden uitgegaan dat onder 'dierenarts' in voormelde richtlijn de academisch geschoolde diergeneeskundige moet worden verstaan. Het is bekend dat de Europese Commissie en het Hof van Justitie, in het belang van de uniforme uitvoering van EG-richtlijnen, hechten aan een letterlijke interpretatie. Het feit dat naast Nederland, alleen Duitsland nog het vak van dierverloskundige en dat van diercastreur kent, betekent dan ook geenszins dat in dit geval van een ruimere interpretatie mag worden uitgegaan.

De rechtbank ziet geen aanleiding om - ongevraagd - over de interpretatie van Richtlijn 96/22/EG een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. De opvatting dat van nationale regels die door een EG-richtlijn volledig zijn geharmoniseerd, op nationaal niveau mag worden afgeweken, is hoe dan ook onjuist. Op dit onderdeel moet dus worden geconcludeerd dat de Staat niet aan de eis van VDDC tegemoet kan komen.

Domosedan

3.5. De Staat heeft bij antwoord aangevoerd dat dierenartsen dit middel voornamelijk gebruiken als inleiding voor een volledige narcose bij het verrichten van een castratie bij hengsten en dat dergelijke castraties onder volledige narcose niet mogen worden verricht door diercastreurs.

VDDC heeft hiertegen bij repliek ingebracht dat het middel zelf geen volledige narcose oplevert. Dit is echter niet in geschil. Anders dan VDDC, leest de rechtbank in het verweer van de Staat geen erkenning dat het middel door dierenartsen ook voor verloskunde wordt gebruikt. De afwijzing van het verzoek om dit middel aan dierverloskundigen en diercastreurs toe te staan, is dus jegens hen niet onrechtmatig.

Buscopan en Vetalgin

3.6. De Staat heeft bij antwoord aangevoerd dat deze pijnstillende middelen niet zijn geïndiceerd bij verloskundige hulp of castratie en dat pijnstilling alleen bij ernstige verwonding wordt toegepast, wanneer een dierenarts moet worden ingeschakeld.

Uit de reactie van VDDC op dit verweer valt niet af te leiden dat het gebruik van beide middelen voor de dierverloskundige en diercastreur noodzakelijk is. De afwijzing van hun verzoek om dit middel te mogen toepassen, moet dus voor rechtmatig gehouden worden.

T61

3.7. T61 is een euthanasiemiddel, waarvan slechts 10 cc dodelijk is voor de mens.

Uit de stelling van VDDC dat de dierverloskundige hiermee een misboorling op diervriendelijke wijze kan laten sterven, valt niet af te leiden dat de dierverloskundige bevoegd is euthanasie toe te passen. De rechtbank volgt in deze dus het standpunt van de Staat.

Penicillines zoals Trimethoprim/sulfadoxine

3.8. De Staat heeft bij antwoord aangevoerd dat breedspectrumpenicillines door dierenartsen worden toegepast als zich een pathologisch ziektebeeld ontwikkelt na de geboorte van een vrucht. Dan moet de dierenarts worden ingeschakeld. De dierverloskundige beschikt reeds over penicillines die als preventieve maatregel worden toegediend, aldus de Staat.

Uit de reactie van VDDC op dit verweer valt niet af te leiden dat de verruiming van het toegestane spectrum aan penicillines voor de dierverloskundige en diercastreur noodzakelijk is. De afwijzing van hun verzoek om dit middel te mogen toepassen, moet voor rechtmatig gehouden worden.

Tetanus anti-tozine

3.9. Dit middel is een vaccin. Uit de stelling van VDDC dat de diercastreur in de praktijk nogal eens paarden tegenkomt die niet tegen tetanus zijn ingeënt, valt niet af te leiden dat de diercastreur bevoegd is tot vaccineren. Ook hier wordt het standpunt van de Staat gevolgd.

Conclusie

3.10. Uit het voorgaande volgt dat van de door VDDC gevraagde geneesmiddelen die nog niet zijn toegestaan, alleen de voortdurende weigering om Prostaglandinen aan het pakket diergeneesmiddelen voor dierverloskundigen toe te voegen jegens (de betrokken leden van) VDDC onrechtmatig is. De Staat is jegens VDDC verplicht aan deze onrechtmatige toestand een einde te maken, hetgeen alleen mogelijk is door de Kanalisatieregeling op dit punt aan te passen. In zoverre is de vordering dus toewijsbaar.

Tegen de termijn waarbinnen de Kanalisatieregeling zou moeten zijn gewijzigd, is geen verweer gevoerd. Aan de Staat worden echter twee maanden extra respijt gegund. Aangezien de Staat zich tegen de gevraagde dwangsom en tegen de uitvoerbaarheid van het vonnis bij voorraad evenmin heeft verweerd, wordt daarin de eis gevolgd.

3.11. Nu partijen ieder voor een deel in het ongelijk zijn gesteld, zullen zij elk de eigen proceskosten moeten dragen.

BESLISSING

De rechtbank:

- veroordeelt de Staat het diergeneesmiddel Prostaglandinen ten behoeve van dierverloskundigen op te nemen in de Kanalisatieregeling, binnen vier maanden na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 4.537,00 per dag dat de Staat hiermee in gebreke blijft;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten, zodanig dat elk der partijen de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. P.A. Koppen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.