Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO9160

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
11-05-2004
Zaaknummer
AWB 02/2062 en 02/5047 AW
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AU6984
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser medegedeeld dat hij met ingang van 1 januari 2002 zal worden herplaatst in de mobiliteitspool omdat eisers huidige functie komt te vervallen en het niet mogelijk is gebleken voor hem een andere functie te vinden binnen de formatie 2005.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AU6984.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 02/2062 en 02/5047 AW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

College van Bestuur van de Hogeschool Larenstein, gevestigd te Velp, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Eiser is sinds 1 februari 1976 in dienst van (de rechtsvoorganger van) de Hogeschool Larenstein. Laatstelijk vervulde eiser de functie van hogeschooldocent [vakgebied].

Bij besluit van 18 december 2001 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij met ingang van 1 januari 2002 zal worden herplaatst in de mobiliteitspool omdat eisers huidige functie komt te vervallen en het niet mogelijk is gebleken voor hem een andere functie te vinden binnen de formatie 2005.

Bij brief van 24 januari 2002 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 24 april 2002 zijn de bezwaren van eiser, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie van 22 april 2002, ongegrond verklaard.

Verweerder heeft eiser bij besluit van 25 april 2002 medegedeeld dat zijn dienstverband met ingang van 1 november 2002 zal worden beëindigd wegens opheffing van zijn betrekking.

Tegen dit ontslagbesluit heeft eiser bij brief van 30 mei 2002, nader aangevuld bij brief van 24 juli 2002, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 november 2002 zijn de bezwaren van eiser tegen het ontslagbesluit, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie van

12 november 2002, ongegrond verklaard.

Tegen het besluit op bezwaar van 24 april 2002 (bestreden besluit I) heeft eiser bij brief van 30 mei 2002, nader aangevuld bij brief van 4 juli 2002, beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en bij brief van 2 september 2002 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 juli 2003 heeft eiser aanvullende gedingstukken ingediend.

Tegen het besluit op bezwaar van 13 november 2002 (bestreden besluit II) heeft eiser bij brief van 18 december 2002, nader aangevuld bij brief van

3 februari 2003, beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overlegd en bij brief van 5 maart 2003 een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn op 20 november 2003 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J.J.M. Creusen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. T.B. Vandeginste, vergezeld van J. de Vries en B. Schulte.

Motivering

Reg.nr. 02/2062 Bestreden besluit I

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit, waarbij verweerder zijn besluit om eiser te herplaatsen in de mobiliteitspool heeft gehandhaafd, in rechte kan standhouden.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat ingevolge de relevante bepalingen van hoofdstuk S-A van de CAO HBO 2000-2002 (hierna: de CAO), het Reorganisatieplan Perspectief Larenstein 2001-2005, het Sociaal Statuut Larenstein 1997-2000 en het Sociaal Plan van 10 mei 2001 ter bepaling van de ontslagvolgorde het afspiegelingscriterium gehanteerd dient te worden. Dit betekent dat werknemers van de betreffende organisatorische eenheid in leeftijdscategorieën worden ingedeeld, dat daarbinnen op basis van anciënniteit de ontslagvolgorde wordt bepaald en dat van deze ontslagvolgorde slechts kan worden afgeweken wanneer bij toepassing van de vastgestelde ontslagvolgorde een onvervulbare vacature ontstaat. Verweerder heeft in strijd met bedoelde bepalingen gehandeld door niet uit te gaan van het afspiegelingscriterium maar van kwalitatieve criteria. Beslissend is geweest welk takenpakket een medewerker gedurende de laatste drie jaar heeft gehad. Eiser bevindt zich als hogeschooldocent, geplaatst in het deskundigheidsgebied [vakgebied] bij het onderwijscluster [cluster], in een gelijke positie als zijn vijf collega’s. Blijkens hoofdstuk 8, paragraaf 3a en 4, van het Sociaal Plan dient verweerder ten behoeve van de herplaatsingsprocedure per deskundigheidsgebied de formatie te beschrijven waarbij functies dienen te worden gekozen uit een set organieke functies. Daarbij mag verweerder geen rekening houden met de (toevallige) feitelijke werkzaamheden van de functionarissen. Eiser is van mening dat niet kan worden gesteld dat hij andere, bestaande en wellicht nieuwe taken binnen zijn deskundigheidsgebied niet kan vervullen. Uitgangspunt dient te zijn dat allen binnen het deskundigheidsgebied dezelfde functies bekleden en dat in een situatie waarin, binnen betreffend deskundigheidsgebied, het aantal (gelijke) functies verminderd wordt, het afspiegelingscriterium en anciënniteit toegepast worden. Eiser merkt tot slot nog op dat voor het deskundigheidsgebied waartoe hij behoort, voor het jaar 2001 een totale formatie van 6,0 standaard-fte (6,63 fte) geldt en voor 2005 5,60 standaard-fte (6,35 fte). Heruit blijkt dat er in dit deskundigheidsgebied slechts een zeer geringe afname van de formatie aan de orde is. Eiser meent dat dit niet rechtvaardigt dat zijn (volledige) baan uit de formatie verdwijnt.

Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de in het Sociaal Plan vastgelegde procedure in overeenstemming is met het in de CAO bepaalde en subsidiair, indien dat niet het geval zou zijn, dat deze afwijking op basis van artikel S-A-2, tweede lid, van de CAO zou zijn toegestaan.

Op basis van het Sociaal Plan diende in het kader van de beoordeling of er sprake was van een (on)gewijzigde functie, geïnventariseerd te worden welke taken de Hogeschooldocenten [vakgebied] in de uitvoering van hun functie verrichtten. In het functieboek 2005 is geen functie opgenomen waarin eisers taken voorkomen omdat de vraag naar het type onderwijs dat eiser verzorgt, sterk is gereduceerd. De taken, en dus ook de functies, van eisers collega’s komen wel ongewijzigd terug. Deze collega’s zijn daarom conform het Sociaal Plan 1 op 1 herplaatst.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat aan het primaire besluit van 18 december 2001 verschillende beslissingen zijn voorafgegaan, waartegen eiser telkens bezwaar heeft gemaakt.

Bij besluit van 1 oktober 2001 heeft opleidingsdirecteur J. de Vries eiser medegedeeld dat zijn functie niet ongewijzigd voorkomt in het functieboek 2005 en derhalve komt te vervallen. Daarbij is tevens medegedeeld dat zal worden bekeken of eiser geplaatst kan worden op een andere functie binnen het eigen deskundigheidsgebied [vakgebied]. In dat kader is eiser uitgenodigd voor een plaatsingsgesprek voor de functie projectmedewerker […]. Bij brief van 11 oktober 2001 heeft eiser bij verweerder bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 12 oktober 2001 heeft opleidingsdirecteur J. de Vries eiser medegedeeld dat hij niet aan de functievereisten behorende bij de functie projectmedewerker […] voldoet en derhalve niet geschikt wordt geacht voor deze functie. Tegen het besluit van 12 oktober 2001 heeft eiser bij verweerder bij brief van 17 oktober 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft directeur Larenstein Transfer W.M. Kamphorst eiser medegedeeld dat hij niet geschikt wordt geacht voor de functie Hogeschooldocent [functie I]. Daarbij is medegedeeld dat het niet mogelijk is eiser te herplaatsen in de overgangsformatie binnen het eigen deskundigheidsgebied dan wel binnen de directie [cluster]. Bij brief van 8 november 2001 aan de herplaatsingscommissie heeft eiser zijn bezwaren van 11 oktober 2001 en 17 oktober 2001 nader aangevuld en tevens bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 oktober 2001.

Bij besluit van 9 november 2001 heeft opleidingsdirecteur J. de Vries eiser medegedeeld dat het niet mogelijk is gebleken hem voor te dragen voor een functie binnen de formatie 2005. Eveneens bij brief van 9 november 2001 heeft de herplaatsingscommissie eiser medegedeeld dat de herplaatsingsprocedure in de fase van hogeschoolbrede herplaatsing is gekomen. In dat kader heeft verweerder een overzicht van alle nog openstaande functies in de formatie 2005 en in de overgangsformatie bij alle directies van de hogeschool aan eiser verstrekt en hem verzocht om aan te geven of hij al dan niet belangstelling heeft voor één of meer van deze functies. Bij brief van 13 november 2001 heeft eiser gesolliciteerd naar de functie van projectleider/adviseur [functie II] binnen de directie […].

Bij brief van 19 november 2001 heeft eiser bij de herplaatsingscommissie bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 november 2001 hem niet voor te dragen voor een functie binnen de formatie 2005 en tevens zijn bezwaren van 17 oktober 2001 en 8 november 2001 nader aangevuld.

Bij brief van 20 november 2001 heeft directeur bedrijfsvoering P. Boelen eiser medegedeeld dat hij door de sollicitatiecommissie niet geschikt is bevonden voor de functie van projectleider/adviseur [functie II] binnen de directie […] en ook niet verwacht wordt dat hij met 800 uur scholing geschikt gemaakt kan worden. Eiser is de mogelijkheid geboden tegen het advies van de sollicitatiecommissie bezwaar te maken. Bij brief van 27 november 2001 heeft eiser bij verweerder hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij het primaire besluit van 18 december 2001 heeft verweerder ook beslist op alle hiervoor genoemde bezwaren van eiser. Met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 februari 1992, TAR 1992/79, is de rechtbank van oordeel dat de bovengenoemde eerdere beslissingen beschouwd moeten worden als onzelfstandige onderdelen van het besluitvormingsproces dat is uitgemond in de thans bestreden besluiten tot plaatsing in de mobiliteitspool van 18 december 2001 en vervolgens ontslag van 25 april 2002.

Ingevolge artikel S-A-2, eerste lid, van de CAO hanteert de werkgever ingeval van een reorganisatie op hogeschoolniveau ter bepaling van de ontslagvolgorde het afspiegelingscriterium. Hiertoe worden de werknemers van de betreffende organisatorische eenheid in categorieën ingedeeld. De basis voor de indeling in categorieën is leeftijd. Binnen de categorieën wordt de ontslagvolgorde bepaald waarbij zij die zich vrijwillig aanmelden voor gedwongen ontslag voorgaan.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan van de ontslagvolgorde worden afgeweken indien het belang van de hogeschool dat naar het oordeel van de werkgever vordert.

Ingevolge hoofdstuk 8 van het Sociaal Plan vindt de herplaatsing van de medewerkers plaats op basis van een geactualiseerd formatieplan (2005) gebaseerd op het onderwijsaanbod, de studentenaantallen per opleiding en de activiteiten binnen de directie Larenstein Transfer in 2005. De invulling van het formatieplan 2005 wordt beschreven in functieboeken per directie als aanvulling op de formatieplannen per directie. In de documenten moet beschreven worden welke kenmerkende verschillen er worden voorzien ten opzichte van de formatie 2000 op het terrein van deskundigheden voor wat betreft onderwijsaanbod, onderwijsconcept, onderwijsuitvoering en de aard van de activiteiten binnengehaald door Larenstein Transfer.

De randvoorwaarden van het herplaatsingsproces worden bepaald door het goedgekeurde Sociaal Statuut, de CAO en het formatieplan 2005 met bijbehorende functieboeken. Richtinggevend vanuit de CAO en het Sociaal Statuut is dat:

· ter bepaling van de ontslagvolgorde de werkgever het afspiegelingscriterium, gebaseerd op leeftijd, hanteert;

· binnen de leeftijdscategorieën op basis van anciënniteit de ontslagvolgorde bepaald wordt;

· van de ontslagvolgorde kan worden afgeweken indien bij toepassing hiervan er een onvervulbare vacature ontstaat.

Het zittend personeel wordt ingedeeld in vastgestelde deskundigheidsgebieden. Per deskundigheidsgebied staat de formatie beschreven gebruikmakend van functies gekozen uit de gevalideerde set organieke functies (set van juni 1995). Per deskundigheidsgebied en per functie worden medewerkers in leeftijdscategorieën opgedeeld. Het functieboek omvat alle beschrijvingen van de functies die in het formatieplan zijn opgenomen, waarin zo mogelijk het specifieke deelgebied van het deskundigheidsgebied in de functienaam wordt aangegeven.

De confrontatie van de formatie 2000 met die van 2005 laat zien welke functies ongewijzigd voorkomen, welke ongewijzigd maar minder in aantal, welke gewijzigd en welke nieuw. Op functies per deskundigheidsgebied uit de formatie 2005 die ongewijzigd en gelijk in aantal voorkomen in de formatie 2000, worden de zittende medewerkers geplaatst (1 op 1 plaatsing). Op functies die in de formatie 2005 ongewijzigd maar minder in aantal voorkomen, worden de zittende medewerkers herplaatst met inachtneming van het afspiegelingscriterium, waarbij binnen een leeftijdscategorie degene met de hoogste anciënniteit voorgaat. Op een door vrijwillig vertrek openstaande of een gewijzigde functie wordt een voor de functie geschikte medewerker geplaatst, indien de medewerker voldoet aan de functievereisten. Deze functie wordt eerst aangeboden aan de medewerkers van hetzelfde deskundigheidsgebied die nog niet geplaatst zijn. Indien de functie niet gevuld wordt, wordt met inachtneming van het afspiegelingsprincipe herplaatst vanuit de groep van medewerkers binnen de directie die nog niet herplaatst zijn, op voorwaarde dat de betrokken medewerker geschikt is en de functie voor hem passend is. Daarna wordt bekeken of herplaatsing op de overgangsformatie binnen het eigen deskundigheidsgebied dan wel binnen de eigen directie mogelijk is. Vervolgens wordt gekeken naar de mogelijkheden van hogeschoolbrede herplaatsing. Tot slot vindt herplaatsing in de mobiliteitspool plaats. Vanaf dat moment wordt vooral gekeken naar externe herplaatsing.

Blijkens de begrippenlijst behorende bij het Sociaal Plan wordt verstaan onder “functie”: het geheel van werkzaamheden waarvoor de medewerker is aangesteld en dat door de medewerker moet worden verricht.

Van een “gewijzigde functie” is sprake wanneer:

-een in het nieuwe formatieplan voorkomende functie naar aard, soort of samenstelling verschilt met de “oude” functie van de formatie 2000 dan wel

-wanneer de onderlinge verhouding van deeltaken zodanig afwijkt van de oude functie dat de nieuwe functie als zodanig naar aard, soort en/of samenstelling in belangrijke mate anders is dan die van de oude functie.

Aard: categorie van de functie OP, OOP of NOP

Soort: uitvoerend, beleidsvoorbereidend, leidinggevend

Samenstelling: toename of afname van deeltaken van de functie.

Naar het oordeel van de rechtbank is doorslaggevend in de onderhavige zaak of verweerder conform de hiervoor genoemde toepasselijke bepalingen heeft gehandeld door bij de inventarisatie van de gegevens van het zittende personeel en de confrontatie met de formatie 2005 rekening te houden met gedurende de laatste drie jaar opgedragen specifieke taken en lesprogramma’s.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus heeft gehandeld in strijd met artikel S-A-2, eerste lid, van de CAO, en hoofdstuk 8 van het Sociaal Plan. Uit deze bepalingen volgt immers dat verweerder aan de hand van organieke functies een formatieplan voor 2005 per onderwijsdirectie diende te maken.

Eiser is, blijkens de akte van aanstelling van 29 juni 1993 aangesteld als: docent A, vakgebied informatica. Verweerder duidt de functie van eiser aan als: hogeschooldocent [vakgebied]. Met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 september 1997, TAR 1997/226, overweegt de rechtbank dat het in beginsel mogelijk is om aan een functie een zeer toegespitste en beperkte taakomschrijving te geven maar dat zulks in het aanstellingsbesluit dan duidelijk moet zijn gedefinieerd. Dat is in casu echter niet het geval. De rechtbank is van oordeel dat eisers functie en die van zijn vijf collega-docenten binnen het deskundigheidsgebied [vakgebied] als gelijk of vergelijkbaar dienen te worden beschouwd. De rechtbank overweegt verder dat het begrip “deeltaken” als bedoeld in het Sociaal Plan in redelijkheid niet uitgelegd kan worden als (specifieke) lesprogramma’s. Een ander oordeel verdraagt zich ook niet met het feit dat de inhoud van HBO-onderwijsprogramma’s in het algemeen aan voortdurende wijziging onderhevig is, zeker op het gebied van [vakgebied] en van een docent daarom verwacht mag worden dat hij flexibel is en in staat om andere lesprogramma’s op zijn vakgebied te geven, eventueel na enige bijscholing.

Het vervallen van een specifiek lesprogramma impliceert derhalve naar het oordeel van de rechtbank nog niet het vervallen of wijzigen van de functie van de docent die een dergelijk lesprogramma heeft gegeven. De rechtbank concludeert dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat gelet op het vervallen van één of meer lesprogramma’s eisers functie niet ongewijzigd voorkomt in het functieboek 2005. Uit de toepasselijke bepalingen vloeit voort dat verweerder, indien als gevolg van het vervallen van lesprogramma’s overtolligheid is ontstaan binnen het deskundigheidsgebied waarin eiser is geplaatst, de ontslagvolgorde aan de hand van het afspiegelingscriterium en anciënniteit had dienen te bepalen.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in strijd met artikel S-A-2, eerste lid, van de CAO en hoofdstuk 8 van het Sociaal Plan heeft gehandeld door eiser in de mobiliteitspool te plaatsen. Het bestreden besluit waarbij verweerder deze plaatsing heeft gehandhaafd, kan om die reden niet in stand blijven. Verweerder zal alsnog op de functies die binnen eisers deskundigheidsgebied in de formatie 2005 ongewijzigd maar minder in aantal voorkomen, de zittende medewerkers moeten herplaatsen aan de hand van het afspiegelingscriterium en het anciënniteitsbeginsel.

Reg.nr. 02/5047 Bestreden besluit II

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit, waarbij verweerder zijn besluit tot beëindiging van eisers dienstbetrekking met ingang van 1 november 2002 heeft gehandhaafd, in rechte kan standhouden.

De gronden die eiser in het kader van dit beroep heeft aangevoerd, komen grotendeels overeen met de gronden die eiser in de procedure met reg.nr. 02/2062 heeft aangevoerd.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel S-2, eerste lid, aanhef en sub a, van de CAO kan de dienstbetrekking door de werkgever slechts worden beëindigd door opzegging wegens opheffing van de betrekking indien het na een zorgvuldig onderzoek in redelijkheid niet mogelijk is gebleken de werknemer een mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende functie aan te bieden of indien deze werknemer een passende functie weigert te aanvaarden.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft verweerder eiser ten onrechte wegens opheffing van zijn betrekking in de mobiliteitspool geplaatst. Aangezien verweerders ontslagbesluit een rechtstreeks gevolg is van dit besluit, kan ook het bestreden besluit II, waarbij verweerder het ontslagbesluit heeft gehandhaafd, niet in stand blijven nu in het onderhavige geval geen sprake is geweest van opheffing van eisers betrekking als bedoeld in artikel S-2, eerste lid, aanhef en sub a, van de CAO.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht in beide zaken vastgesteld op € 644,-, te weten € 322,- voor het beroepschrift en € 322,- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht, in totaal voor beide zaken derhalve een bedrag van € 1.288,-.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart beide beroepen gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 24 april 2002, kenmerk P&O-02/mhoa-209;

vernietigt het bestreden besluit van 13 november 2002, kenmerk P&O-02/mhoa/829;

bepaalt dat verweerder in beide zaken binnen 8 weken na verzending van deze uitspraak een beslissing dient te nemen op het bezwaarschrift van eiser;

bepaalt dat de rechtspersoon Hogeschool Larenstein aan eiser het door hem voor beide beroepen betaalde griffierecht, te weten 2 maal € 109,-, in totaal derhalve € 218,-vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 1.288,-, welke kosten voormelde rechtspersoon aan eiser dient te vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. F.J. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2003, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.A. Leijten.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: