Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO7406

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
22-06-2004
Zaaknummer
AWB 03/1327 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit, waarbij verweerder zijn weigering om het huwelijk van eisers in de GBA te registreren heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 03/1327 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser 1], wonende te [woonplaats], en

[eiser 2], verblijvende te Ghana, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 23 augustus 2001, herhaald bij brief van 15 januari 2002, hebben eisers verweerder verzocht om het op 2 januari 2001 te Accra, Ghana, tussen hen gesloten huwelijk in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA) van de gemeente Den Haag te registreren.

Bij besluit van 4 april 2002 heeft verweerder geweigerd het huwelijk van eisers in de GBA in te schrijven.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 16 mei 2002, aangevuld bij brief van 2 augustus 2002, een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eisers zijn op 5 augustus 2001 door Kamer III van de Adviescommissie bezwaarschriften omtrent hun bezwaren gehoord.

Bij brief van 20 februari 2003 heeft deze commissie advies uitgebracht aan verweerder.

Bij besluit van 28 februari 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 27 maart 2003, ingekomen bij de rechtbank per faxbericht op 27 maart 2003 en per post op 31 maart 2003 en nader aangevuld bij brief van 8 september 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en bij brief van 25 april 2003 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 26 november 2003 ter zitting behandeld.

Eiseres [eiser 1] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers mevrouw mr. P. Scholtes, advocaat te ’s-Gravenhage en door J.A.K. Nuamah.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door dr. H. Kokken.

Motivering

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit, waarbij verweerder zijn weigering om het huwelijk van eisers in de GBA te registreren heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

Bij de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wettelijke voorschriften van belang.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1º, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) worden in de basisadministratie van de gemeente van inschrijving over de ingeschrevene gegevens opgenomen over, onder meer, de burgerlijke staat.

In artikel 36, tweede lid, van de Wet GBA is bepaald dat de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, worden ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechter-lijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Artikel 37, tweede lid, van de Wet GBA bepaalt, kort samengevat, dat aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, geen gegevens worden ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

In artikel 37, derde lid, van de Wet GBA is bepaald dat aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder d en e, geen gegevens worden ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wet GBA voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Artikel 82, tweede lid, van de Wet GBA bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders aan het verzoek uitvoering geeft met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de eerste afdeling van hoofdstuk 2 van de Wet GBA (onder meer de artikelen 36 en 37 van de Wet GBA).

Voorts is in artikel 83, aanhef en onder f, van de Wet GBA, voor zover hier van belang, bepaald dat een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in artikel 82, wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Eisers hebben in beroep, kort samengevat, aangevoerd dat de Minister van Buitenlandse Zaken geweigerd heeft de huwelijksakte te legaliseren omdat de inhoud van de geboorteakte van [eiser 2] niet kon worden bevestigd aan de hand van gegevens afkomstig uit objectieve bronnen. Volgens eisers zijn er in het kader van de legalisatieprocedure echter geen aanwijzingen gevonden dat de inhoud van de geboorteakte en de inhoud van de huwelijksakte onjuist zouden zijn. Eisers zijn van mening dat verweerder ten onrechte heeft volstaan met verwijzing naar de legalisatieprocedure; verweerder had zelf een oordeel moeten vormen over de mogelijkheid om het document in te schrijven, ook al is dit niet gelegaliseerd. Volgens eisers heeft verweerder dan ook ten onrechte geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om van het legalisatiebeleid af te wijken. Voorts achten eisers de weigering om de huwelijksakte in te schrijven in strijd met artikel 12 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de Wet conflictenrecht huwelijk en het Haags Huwelijksverdrag. Ten slotte hebben eisers aangevoerd dat ten onrechte wordt getwijfeld aan de echtheid van de aangeboden huwelijksakte.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er gerede twijfel bestaat of het in het geval van eisers om een originele huwelijksverklaring gaat, afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteit. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat, nu de huwelijksakte niet is gelegaliseerd en inhoudelijk geverifieerd, er ook twijfel bestaat aan de inhoudelijke juistheid van de akte. Verweerder is van mening dat gelet op het doel van de GBA daarin slechts persoonsgegevens kunnen worden geregistreerd waarvan de juistheid is bewezen aan de hand van een brondocument in de zin van artikel 36 van de Wet GBA, hierbij moet tevens worden voldaan aan de eisen die de legalisatiecirculaire ten aanzien van buitenlandse documenten stelt. Volgens verweerder kan de huwelijksakte dan ook niet worden aangemerkt als een brondocument in de zin van artikel 36 van de Wet GBA, zodat niet kan worden overgegaan tot registratie van het huwelijk in de GBA. Verweerder is van mening dat er in het geval van eisers geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan van de legalisatiecirculaire zou moeten worden afgeweken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op het bepaalde in artikel 36, tweede lid, in samenhang met artikel 37, tweede lid, van de Wet GBA kunnen gegevens met betrekking tot een buiten Nederland gesloten huwelijk slechts in de GBA worden opgenomen indien die gegevens kunnen worden ontleend aan een brondocument als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Wet GBA. Eisers hebben ter onderbouwing van hun verzoek tot registratie van hun in Ghana gesloten huwelijk een (kopie van een) huwelijksakte overgelegd. Een dergelijk document kan worden beschouwd als een brondocument als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, van de Wet GBA, mits voldaan is aan de in dit verband geldende vereisten.

Vooropgesteld moet worden dat betrouwbaarheid van de in de GBA opgenomen gegevens vereist is. Dat brengt met zich dat gegevens niet zonder meer op grond van een in het buitenland opgesteld document in de GBA worden geregistreerd; de gestelde nieuwe gegevens moeten door een bevoegde instantie zijn vastgesteld en er moet van de juistheid van de gegevens kunnen worden uitgegaan. Legalisatie van een in het buitenland opgesteld document brengt met zich dat dit document bewijskracht in het Nederlandse rechtsverkeer heeft en derhalve als bewijs kan worden gebruikt; het in het document opgenomen feitencomplex wordt voor juist gehouden. Een niet-gelegaliseerd document beschikt niet over deze bewijskracht en kan dientengevolge ook niet als brondocument gelden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 18 februari 1999, gepubliceerd in AB 1999/143.

In de aanwijzing van de Minister van Buitenlandse Zaken van 1 februari 2000, nr. 5001966/99/6 (voorheen bijlage 1 bij Circulaire 8 mei 1996) is aangegeven dat ten aanzien van documenten afkomstig uit vijf staten, waaronder Ghana, legalisatie onvoldoende wordt geacht en ook een inhoudelijke verificatie van de documenten dient plaats te vinden. Indien een document aldus is gelegaliseerd en geverifieerd, kan derhalve van de juistheid en de rechtsgeldigheid van de daarin opgenomen gegevens worden uitgegaan, zodat het document ook als brondocument in de zin van artikel 36 van de Wet GBA kan gelden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder bij de beslissing of kan worden overgegaan tot registratie van gegevens, ontleend aan in het buitenland opgestelde documenten, zich in beginsel mag aansluiten bij het legalisatie- en verificatiebeleid van de Minister van Buitenlandse Zaken en meer in het bijzonder bij de uitkomsten van een legalisatieprocedure met betrekking tot het in geding zijnde document. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ook in de zogeheten legalisatiecirculaire van 12 januari 2000 van het Ministerie van Justitie, gericht aan de ambtenaren van de burgerlijke stand en de ambtenaren van de GBA, wordt voorgeschreven dat een huwelijksakte moet zijn gelegaliseerd en inhoudelijk geverifieerd door de Nederlandse ambassade in het land waar het huwelijk is voltrokken.

In het onderhavige geval heeft de Minister van Buitenlandse Zaken geweigerd de huwelijksakte van het door eisers in Ghana gesloten huwelijk te legaliseren en te verifiëren. Het door eisers in dit verband ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 3 januari 2002 ongegrond verklaard, welke uitspraak bij uitspraak van de ABRvS van 3 september 2003 is bevestigd. Dit brengt met zich dat, gelet op het hiervoor overwogene, niet van de juistheid en rechtsgeldigheid van de in de huwelijksakte vermelde gegevens kan worden uitgegaan. De rechtbank kan verweerder dan ook volgen in diens standpunt dat de huwelijksakte niet als brondocument in de zin van artikel 36, tweede lid, onder c, van de Wet GBA kan gelden, zodat verweerder op goede gronden heeft geweigerd om het huwelijk van eisers in de GBA te registreren.

Er zijn de rechtbank geen omstandigheden gebleken op grond waarvan verweerder er in het onderhavige geval toe had moeten overgaan om in afwijking van het legalisatie- en verificatiebeleid en het gestelde in de legalisatiecirculaire het huwelijk van eisers in de GBA in te schrijven. De enkele omstandigheid dat eisers in bewijsnood verkeren en geen gelegaliseerde en geverifieerde huwelijksakte kunnen overleggen, acht de rechtbank daartoe niet voldoende. Voorts kan de rechtbank eisers niet volgen in hun stelling dat de weigering van verweerder om het huwelijk in te schrijven in strijd is met de Wet conflictenrecht huwelijk, het Haags Huwelijksverdrag en artikel 12 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bepalingen van de WCH immers niet dat verweerder gehouden zou zijn om elk buiten Nederland gesloten huwelijk als rechtsgeldig te erkennen en in de GBA in te schrijven. Bovendien kan er in het onderhavige geval geen sprake zijn van strijd met het Haags Huwelijks-verdrag, nu Ghana geen partij bij dat verdrag is. Artikel 12 van het EVRM ziet ten slotte op het recht om te huwen; de rechtbank is van oordeel dat eisers door de weigering om het in Ghana gesloten huwelijk in de GBA te registreren niet in de uitoefening van dat recht zijn belemmerd.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit niet voor vernietiging in aanmerking komt, zodat het beroep van eisers ongegrond moet worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2003, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.B.E. Hersmis.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: