Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO6115

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2003
Datum publicatie
02-04-2004
Zaaknummer
AWB 01/51824
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2004:AQ3671
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / KhAD / artikel 1F VSV.

Eiser is elf jaar werkzaam geweest voor de KhAD en is in die tijd in rang gestegen van adjudant naar luitenant-generaal. Hij stelt bij terugkeer naar Afghanistan gevaar te lopen op vervolging door de Taliban. Eiser wordt artikel 1F VSV tegengeworpen. Hij is er niet in geslaagd aan te tonen dat hij niets geweten heeft van het misdadige karakter van de KhAD/WAD. Eiser stelt dat het ambtsbericht van februari 2000 niet juist is. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten aanzien van zijn persoon geen sprake is van personal participation. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 45
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2004/156 met annotatie van BPV

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/51824 BEPTDN

inzake: A, geboren op […] 1955, van Afghaanse nationaliteit, verblijvende te B, eiser,

gemachtigden: mrs. P.J. Schüller en L. Zegveld, advocaten te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.J. Kroeze, advocaat te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 28 december 1999 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend, thans aan te merken als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 4 juli 2001 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 25 juli 2001 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 14 september 2001 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 8 oktober 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 13 november 2001. Op 17 juni 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 4 december 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brief van 12 juni 2003 heeft eiser zijn standpunt nader onderbouwd.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig G.J. de Vries als tolk in de Dari taal. Eiser heeft ter zitting een aantal stukken overgelegd. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst onder de bepaling dat het vooronderzoek wordt hervat, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op de door eiser ter zitting overgelegde stukken. Bij brieven van 29 september 2003 en 7 oktober 2003 heeft eiser zijn standpunt nader onderbouwd.

4. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 9 oktober 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B.M.H.C. de Croon, kantoorgenote van mr. M.J. Kroeze, voornoemd. Tevens was ter zitting aanwezig G.J. de Vries als tolk in de Dari taal.

II. OVERGELEGDE STUKKEN

Eiser heeft in beroep de volgende stukken overgelegd:

- Een bronnenonderzoek naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan van 29 februari 2000, kenmerk DPC/AM 663896, verricht door een student-stagiaire van het kantoor van eisers gemachtigden;

- Een verklaring van 26 juni 2003 van Ahmad Ghaus Zalmai, voorzitter van de Afghaanse journalisten vereniging in Europa, met betrekking tot eiser. In deze verklaring wordt vermeld dat Zalmai eiser goed kent en dat eiser altijd zeer medelevend was met onderwijzers en journalisten. Eiser heeft hen nooit iets kwaad gedaan;

- Twee rapporten van 28 september 2003 en 4 oktober 2003 van dr. A. Giustozzi, onderzoeker van de London School of Economics and Political Science, met betrekking tot de organisatie en het handelen van de veiligheidsdiensten in Afghanistan in het algemeen en eisers rol hierin in het bijzonder.

III. ASIELRELAAS

1.1. Eiser heeft blijkens het rapport van nader gehoor van 24 februari 2000 -voor zover hier relevant- het volgende verklaard. Eiser is gedurende elf jaar werkzaam geweest voor de Khadimat-e Atal’at-e Dowlati (KhAD). Vanaf maart/april 1981 tot februari/maart 1983 was hij werkzaam als partijambtenaar, de laatste vijf maanden als politiek adjudant op het opleidingscentrum van de KhAD te Kabul. Daarna was eiser tot 1986/1987 onderdirecteur van het directoraat Veiligheid van de KhAD van Balkh. Vervolgens is hij tot mei/juni 1990 hoofd van hetzelfde directoraat geweest in Mazar-e-Sharif en tot augustus/september 1991 vervulde hij deze functie in Kabul. Vervolgens was hij tot februari/maart 1992 hoofd van het Bureau Archivering en Documentcontrole te Kabul. Tot april 1992 was hij supervisor van het directoraat van de KhAD in Mazar-e-Sharif. Daarna heeft hij diezelfde functie drie maanden uitgeoefend bij het Ministerie voor Staatsveiligheid, de Wazarat-e Amaniat-e Dowlati (WAD), de opvolger van de KhAD. Hij vervulde de functie van minister, maar was het officieel niet. Tot augustus/september 1993 was eiser Staatssecretaris van het Ministerie van Staatsveiligheid. Drie maanden later heeft hij officieel ontslag genomen als Staatssecretaris van het Ministerie van Staatsveiligheid. Eiser was soms wel nog actief als adviseur. Eiser is in die tijd van adjudant (hoogste onderofficier) opgeklommen tot de rang van luitenant-generaal.

1.2. Over zijn activiteiten heeft eiser het volgende verklaard. Zijn ministerie was belast met het bestrijden van terrorisme. Er waren reglementen voor het stimuleren van de tegenstanders om met de gevechten te stoppen. Verder was het ministerie belast met de preventie en bestrijding van sabotage-activiteiten en de strijd tegen verdovende middelen. Persoonlijk heeft eiser zich in de periode in Mazar-i-Sharif bezig gehouden met de tegenstanders en discussies en gesprekken gevoerd met hen om de zinloze oorlog te beëindigen. Eiser heeft dossiers van saboteurs, bijvoorbeeld plegers van bomaanslagen, overgedragen aan het Openbaar Ministerie. Voorts was hij chef van de afdeling die namens de KhAD/WAD toezicht hield bij arrestaties.

1.3. In de correcties en aanvullingen van 15 april 2000 heeft eiser verklaard dat hij in de periode dat hij supervisor was van het Ministerie van Staatsveiligheid niet tevens de functie van minister vervulde.

2. Eiser stelt te vrezen te hebben voor vervolging van de kant van de Taliban op grond van de hoge rang die hij heeft bekleed onder het regime van de Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA) en vanwege zijn etnische afkomst. Eiser stond na de komst van de Taliban onder de bescherming van een Mujaheddin-groepering, Harakat-e Islami, onder leiding van Masrour. Eiser woonde in die tijd op de basis van Masrour. Op 25 november 1999 was eiser in het gezelschap van vijf mannen op weg naar het dorp Shadian. Vlak voor zij daar aankwamen, werden zij beschoten. In het vuurgevecht is een lijfwacht van eiser in zijn been geraakt. Eiser wist aan de aanslag te ontsnappen. Vervolgens heeft eiser contact gehad met Masrour. Deze meldde hem dat bekend was geworden waar eiser verbleef en dat hij eiser niet langer kon beschermen. Op 11 december 1999 heeft eiser Afghanistan verlaten.

IV. WETTELIJK KADER

1. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien internationale verplichtingen daartoe nopen, indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

3. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

4. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde en de nationale veiligheid.

5. In hoofdstuk C1/5.13.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is neergelegd dat de omstandigheid dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de asielzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdrijven, andere ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (hierna: het Verdrag), een bijzondere grond van openbare orde is die leidt tot afwijzing van de asielaanvraag.

6. In artikel 1(F) van het Verdrag is bepaald dat de bepalingen van het Verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

7. Op grond van artikel 3.107, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt aan een vreemdeling geen verblijfsvergunning op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000 verleend, indien artikel 1(F) van het Verdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000 in de weg staat.

V. AMBTSBERICHT 29 FEBRUARI 2000

In het eerder genoemde ambtsbericht van 29 februari 2000 inzake de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan staat -voor zover hier van belang- het volgende vermeld:

Paragraaf 2.2:

Het was de taak van de KhAD en de WAD om het voortbestaan van het communistische bewind, dat reeds kort na de Grote Saur Revolutie onder grote druk stond, op korte en lange termijn te waarborgen. In de praktijk betekende dit dat de KhAD en de WAD een vrijbrief kregen om de externe en interne vijanden van dit bewind op te sporen en te bestrijden op een wijze die hen goeddunkte. (…) De KhAD en de WAD identificeerden de vijanden van het communistische bewind met behulp van het uitgebreide netwerk aan informanten waarover zij in Afghanistan beschikten. (…) Personen die als vijand van de DVPA waren aangemerkt, konden op velerlei wijze onschadelijk worden gemaakt. Zo konden leidinggevenden binnen de KhAD hun ondergeschikten opdracht geven tot arrestaties, detenties, gerechtelijke veroordelingen, verbanningen, folteringen, moordaanslagen en buitengerechtelijke executies van al dan niet vermeende tegenstanders van het communistische bewind. (…) Met hun nietsontziende en veelal willekeurige optreden creëerden de KhAD en de WAD bewust een klimaat van terreur dat tot doel had elk verzet onder de burgerbevolking tegen het communistisch bewind bij voorbaat in de kiem te smoren.

Paragraaf 2.4:

De KhAD en de WAD waren elite-onderdelen van het communistische staatsapparaat. (…) De KhAD en de WAD kenden een zeer strenge selectieprocedure voor het aannemen van medewerkers, waarbij hun loyaliteit aan de DVPA danig op de proef werd gesteld. Dit gold in versterkte mate voor de rekrutering van officieren. Voor deze functies hanteerden de KhAD en de WAD een zeer stringent rekruteringsbeleid. Slechts zeer loyaal gebleken leden van de DVPA en personen uit regeringsgezinde families kwamen in aanmerking om als officier toegelaten te worden tot de KhAD of de WAD. (…) Nieuwe officiersrekruten van de KhAD en de WAD ondergingen een zeer intensieve training, de zogenaamde Parwachi. Als de Parwachi met goed gevolg doorlopen was, volgde een proeftijd die bekend stond als de Azmajchi. Tijdens de Azmajchi werd de loyaliteit en weerbaarheid van de toekomstige officiers duchtig op de proef gesteld. Zo werd bijvoorbeeld van hen verlangd dat zij familieleden bespioneerden, dat zij vrienden en kennissen arresteerden en martelden, dat zij al dan niet vermeende vijanden van het communistische bewind uit de weg ruimden of dat zij in de gelederen van de Mujaheddin infiltreerden.

Paragraaf 2.5:

Zoals reeds in §2.2 is uiteengezet, beschikten de KhAD en de WAD over bijkans onbeperkte volmachten bij de opsporing van vijanden van het communistische bewind. Aangezien de KhAD en de WAD ook daadwerkelijk van deze volmachten gebruik maakten, werden zij door de bevolking van Afghanistan bijzonder gevreesd. Deze angst werd mede aangewakkerd door de zeer ruime interpretatie van het begrip 'vijand van het communistische bewind' dat de KhAD en de WAD hanteerden.(…) De KhAD en de WAD maakten systematisch gebruik van de mogelijkheid om met behulp van marteling arrestanten bekentenissen af te dwingen. (…) In Sedarat (het centrale ondervragingscentrum van de KhAD in Kabul; toev. rb.) werden arrestanten soms maandenlang voor verhoor vastgehouden. (…) Zowel tijdens het eerste verhoor als tijdens het verhoor in Sedarat werden arrestanten systematisch gemarteld. (…) Vele arrestanten overleefden het verhoor in de ondervragingscentra niet. (…)

Paragraaf 2.6:

Duizenden verdachten zijn door agenten van de KhAD of de WAD doodgemarteld. Indien de KhAD of de WAD de indruk hadden dat een verdachte schuldig was, konden zij hem of haar zonder nader onderzoek of tussenkomst van de rechter om het leven brengen. De betrokken agenten hoefden voor dergelijke daden in het geheel geen verantwoording af te leggen; de KhAD en de WAD waren boven de wet verheven.

Paragraaf 2.7:

Het klimaat van terreur en angst dat de KhAD en de WAD teweegbrachten in de Afghaanse maatschappij, heerste ook binnen de veiligheidsdiensten zelf. De loyaliteit van de medewerkers van de KhAD en de WAD werd voortdurend op de proef gesteld. Indien ook maar de geringste twijfel bestond over de toewijding van een medewerker aan de communistische zaak, dan werd hij (of zij) zonder meer uit de gelederen van de KhAD of de WAD verwijderd. Veelal betekende dit de dood van de betrokken medewerker. Om niet de verdenking op zich te laden deloyaal te zijn, dienden de medewerkers van de KhAD en de WAD zich vrijwel dagelijks te bewijzen. Als eerste plaatsing werden onderofficieren en officieren te werk gesteld op afdelingen binnen de KhAD en de WAD die zich concreet bezig hielden met de opsporing van 'staatsgevaarlijke elementen'. Medewerkers van de KhAD en de WAD rouleerden regelmatig om te voorkomen dat zij binnen een bepaalde afdeling een te grote machtsbasis opbouwden. Soms werden medewerkers verscheidene malen per jaar overgeplaatst. Iemand die langer dan een jaar bij de KhAD of de WAD in dienst was, had tenminste op twee afdelingen gewerkt. Een plaatsing op een afdeling of directie waar de werkzaamheden een meer administratief of technisch karakter hadden lag slechts in het verschiet als een onderofficier of officier zich voldoende had bewezen tijdens een eerste plaatsing of plaatsingen. Zoals reeds uiteengezet is in §2.4, kon een promotie tot officier van de KhAD en de WAD niet plaatsvinden als de betrokken medewerker niet concreet blijk gegeven had van zijn of haar onvoorwaardelijke loyaliteit aan het communistische bewind. Dit gold ook voor promoties die een officier van de KhAD of de WAD ten deel vielen na afronding van zijn of haar opleiding. Elke officier die tijdens zijn diensttijd is bevorderd is derhalve betrokken geweest bij arrestaties, ondervragingen, martelingen en zelfs executies. Net als voor officieren was het ook voor onderofficieren onmogelijk binnen de KhAD of de WAD te functioneren indien zij niet wensten deel te nemen aan de systematische schendingen van de mensenrechten die daar plaatsvonden.

Uit het bovenstaande volgt dat alle onderofficieren en officieren die werkzaam zijn geweest in de macabere afdelingen van de KhAD en de WAD persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen, martelen en soms executeren van verdachte personen.

VI. STANDPUNT VERWEERDER

1.1. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000.

1.2. Eiser vormt een gevaar voor de openbare orde, omdat ten aanzien van hem ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, b en c, van het Verdrag.

1.3. Eiser is van 1981 tot 1992 werkzaam geweest voor de KhAD, respectievelijk voor het Afghaanse Ministerie voor Staatsveiligheid (WAD). De KhAD/WAD wordt aangemerkt als een organisatie waarvan aan onderofficieren en officieren in de regel artikel 1(F) van het Verdrag zal worden tegengeworpen. Deze beslissing is een gevolg van hetgeen over de Afghaanse veiligheidsdiensten wordt opgemerkt in het ambtsbericht van 29 februari 2000 inzake de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan. Uit paragraaf 2.7 van het ambtsbericht blijkt immers, dat alle onderofficieren en officieren die werkzaam zijn geweest in de macabere afdelingen van de KhAD en de WAD persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen, martelen en soms executeren van verdachte personen. Het naar aanleiding van deze omstandigheden ingestelde onderzoek naar de toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 1(F) van het Verdrag heeft opgeleverd dat eiser in verband moet worden gebracht met foltering, marteling, buitengerechtelijke executies en moord.

2.1. De gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht dienen allereerst te worden aangemerkt als oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder a, van het Verdrag. Verweerder heeft met betrekking tot de internationaalrechtelijke bepalingen waarin dergelijke misdrijven zijn omschreven verwezen naar artikel 6, lid b en c, van het Charter of the International Military Tribunal (het zogenaamde Neurenberg-handvest) van 1945 en naar het gemeenschappelijk artikel 3 van de Geneefse Conventies tot bescherming van slachtoffers van gewapende conflicten van 1949. Onder oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid worden ook folteringen verstaan, zoals verboden door het Verdrag van New York tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Anti-folterverdrag) van 1984 en het Internationaal Verdrag inzake de Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) van 1966. Blijkens het ambtsbericht van 29 februari 2000 is eiser, gelet op zijn positie als (hoge) officier, betrokken geweest bij misdrijven als hierboven bedoeld.

2.2. De gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht zijn voorts aan te merken als ernstige niet-politieke misdrijven, in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Verdrag. Verweerder verwijst voor de te hanteren richtlijnen om te bepalen of een misdrijf al dan niet politiek van aard is naar paragraaf 152 van het “Handbook on procedures and criteria for determining refugee status” van de UNHCR. Gezien het feit dat de misdrijven waar eiser mee in verband wordt gebracht begaan zijn teneinde door het scheppen van een klimaat van terreur en angst afwijkende politieke meningen te onderdrukken, dienen ze als niet-politiek te worden aangemerkt in bovenbedoelde zin.

2.3. Ten slotte is het handelen van eiser in strijd met de beginselen en doelstellingen van de Verenigde Naties, gelet op de mate waarin eiser verantwoording draagt voor de instandhouding van een regime dat zich op zeer grote schaal heeft bediend van misdrijven tegen de mensheid en oorlogsmisdrijven. Hierbij is van belang dat eiser op een hoog niveau leiding heeft gegeven aan de voor instandhouding van dit regime onmisbare dienstonderdelen die bovendien instrumenteel waren voor het doorvoeren en handhaven van het bijzonder repressieve karakter van het DVPA-regime. Het is bijzonder aannemelijk dat eiser actief en in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het vormgeven van het beleid dat heeft geleid tot (het voortzetten van) grootschalige mensenrechtenschendingen.

3.1. Nu eiser werkzaam was voor een organisatie of onderdeel daarvan, waarvan het hoofdbestanddeel van de activiteiten bestond uit het begaan van misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Verdrag, is de conclusie gerechtvaardigd dat eiser wist of had moeten weten van de misdrijven die door de KhAD/WAD zijn gepleegd ten tijde van zijn werkzaamheden voor die organisatie. Eiser is er niet in geslaagd desondanks aan te tonen dat hij niets geweten heeft van het misdadige karakter van de KhAD/WAD. Eiser heeft hieromtrent verklaard dat de KhAD zich niet bezig hield met het bestrijden van tegenstanders met harde hand en met arrestaties en verhoren, maar dat het Openbaar Ministerie deze taken verrichtte. Ten aanzien van deze verklaringen geldt dat deze geloofwaardigheid ontberen, gelet op de wijdverbreide, beruchte reputatie van de KhAD en de WAD.

3.2. Nu uit niets is gebleken dat eiser anders dan op eigen initiatief en uit vrije wil is toegetreden tot de KhAD/WAD, en vervolgens uit vrije wil binnen deze organisatie gedurende jaren carrière heeft gemaakt en daarbij posities heeft bekleed waarbij het onvermijdelijk is dat hij actief betrokken is geweest bij de door de KhAD/WAD begane misdaden, kan niets aan de toerekening aan eiser van zijn aandeel in het begaan van de misdrijven in de weg staan. Evenmin is gebleken dat eiser zich heeft gedistantieerd van of zich verzet heeft tegen de door de KhAD/WAD gepleegde misdrijven. Gelet hierop is eiser persoonlijk verantwoordelijk voor de genoemde oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. De stelling van eiser dat hij zijn hoogste rang heeft gehad onder de Mujaheddin en dus blijkbaar door hen niet verantwoordelijk wordt gehouden voor de gepleegde misdaden, doet aan het voorgaande niet af. Ook eisers stelling dat de tegenwerping slechts is gebaseerd op algemene informatie kan niet tot een ander oordeel luiden. Eisers gehele carrière is immers bij het onderzoek betrokken.

4. De toepasselijkheid van artikel 1(F) leidt tot het oordeel dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Voorts leidt het ertoe dat eiser geen aanspraak kan maken op de bescherming die de overige artikelen van het Verdrag bieden, en daarmee dat eiser niet kan worden aangemerkt als verdragsvluchteling. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat er rechtsgrond bestaat voor de verlening aan eiser van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. Ingevolge artikel 3.107 van het Vb 2000 kan aan eiser evenmin een verblijfsvergunning worden verleend op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000.

5. In het verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd en daar nog aan toegevoegd dat het beroep van eiser op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) reeds faalt omdat eiser niet nader heeft toegelicht hoe dit zou kunnen leiden tot een geslaagd beroep op één van de in artikel 29 limitatief opgesomde gronden voor verlening. Het betreft hier voor het overige een regulier aspect dat niet in de onderhavige asielprocedure dient te worden beoordeeld.

6. Voor (verdere) aanhouding ziet verweerder geen aanleiding.

VII. STANDPUNT EISER

1.1. Eiser heeft in beroep -zakelijk weergegeven- de volgende gronden tegen het bestreden besluit aangevoerd:

a. Het ambtsbericht van 29 februari 2000 voldoet niet aan de eisen die daaraan in de jurisprudentie worden gesteld, nu de conclusies in het ambtsbericht onvoldoende ondersteuning vinden in de genoemde bronnen en het ambtsbericht overigens niet inzichtelijk en begrijpelijk is.

b. De tegenwerping van artikel 1(F) van het Verdrag aan eiser is door verweerder slechts gebaseerd op de algemene informatie uit het ambtsbericht van 29 februari 2000, zonder deze verdenkingen te doen steunen op concrete feiten of omstandigheden. Hiermee wordt eiser de mogelijkheid van “rebut” de facto ontnomen.

c. Eisers persoonlijke betrokkenheid bij de hem tegengeworpen handelingen is onvoldoende komen vast te staan.

d. De handelingen waarvoor eiser verantwoordelijk wordt gehouden, vallen niet onder één van de categorieën, genoemd in artikel 1(F) van het Verdrag.

e. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3 van het EVRM, nu daarin geen kenbare en individuele beoordeling heeft plaatsgevonden omtrent de gevolgen van de beschikking, namelijk dreigende uitzetting van eiser naar Afghanistan.

f. Ten onrechte heeft verweerder artikel 8 van het EVRM niet in de besluitvorming betrokken.

1.2. Subsidiair heeft eiser verzocht om aanhouding van de zaak in verband met binnenkort te verschijnen richtinggevende jurisprudentie.

VIII. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

a. De juistheid van het ambtsbericht

2. Eiser heeft in de eerste beroepsgrond aangevoerd dat het ambtsbericht van 29 februari 2000, waarop de tegenwerping van artikel 1(F) van het Verdrag aan eiser op is gebaseerd, niet voldoet aan de vereisten die daaraan in de jurisprudentie worden gesteld. Blijkens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 12 oktober 2001 (JV 2001/325) dient een ambtsbericht “op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding -voor zover mogelijk en verantwoord- van de bronnen, waaraan deze is ontleend”. Aan deze voorwaarden is in het onderhavige geval niet voldaan, nu cruciale informatie zonder bronvermelding is opgenomen en overigens de conclusies van het ambtsbericht niet kunnen worden getrokken uit hetgeen is opgenomen in het ambtsbericht. Het ambtsbericht is dan ook niet inzichtelijk. In het ambtsbericht wordt erkend dat weinig informatie beschikbaar is over de KhAD/WAD, maar worden vervolgens conclusies getrokken zonder specifieke bronvermelding, bijvoorbeeld ten aanzien van de werkzaamheden en wijze van rekrutering van officieren, die slechts op gedetailleerde informatie kunnen worden gebaseerd. Dit klemt te meer nu het ambtsbericht niet overeenstemt met de verklaringen van eiser omtrent zijn werkzaamheden voor de KhAD/WAD. Eiser heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar het overgelegde bronnenonderzoek, verricht door een student-stagiaire van het kantoor van eisers gemachtigden, alsmede naar de twee overgelegde rapporten van dr. Giustozzi.

3. De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of de rapporten van dr. Giustozzi in de onderhavige procedure mee kunnen worden genomen. Eiser heeft zich hieromtrent primair op het standpunt gesteld dat de rapporten dienen te gelden als nader bewijs voor eerder ingenomen stellingen, te weten de betwisting van het categoriale karakter van het ambtsbericht van 29 februari 2000 en de daaraan verbonden bewijslastomkering. Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat de rechtbank rekening kan houden met de rapporten gelet op het bepaalde in artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000. De rechtbank is van oordeel dat de rapporten op de door eiser aangevoerde gronden kunnen worden meegenomen bij de beoordeling van het onderhavige beroep. De betreffende rapporten dienen immers als nader bewijs van de eerder door eiser ingenomen stellingen. Voor zover de rapporten niet als zodanig kunnen worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de goede procesorde zich tegen het meenemen van de rapporten in het kader van artikel 83 van de Vw 2000 verzet of dat de afdoening van de zaak hierdoor ontoelaatbaar zou worden vertraagd. De rechtbank neemt hierbij -gelet op hetgeen hieronder wordt overwogen omtrent de juistheid van het ambtsbericht- in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft aangegeven zich niet tegen het meenemen van de rapporten te verzetten indien deze niet leiden tot een andere beslissing dan die waartoe verweerder is gekomen.

4.1. Ten aanzien van de juistheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000 overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens vaste jurisprudentie van de AbRS (onder meer bij uitspraak van 12 oktober 2001, JV 2001/325) kan een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding -voor zover mogelijk en verantwoord- van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie worden uitgegaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

4.2. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de ondeugdelijkheid van het ambtsbericht is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat het ambtsbericht van 29 februari 2000 niet aan bovenstaande vereisten voldoet. Het ontbreken van bronvermeldingen bij sommige passages van het ambtsbericht kan niet tot de conclusie leiden dat het ambtsbericht deswege als ondeugdelijk moet worden aangemerkt. Verweerder mocht derhalve in beginsel van de juistheid van de informatie in het ambtsbericht van 29 februari 2000 uitgaan. De rechtbank verwijst in dit verband tevens naar de uitspraak van de AbRS van 28 augustus 2003 (JV 2003/458).

4.3. De rechtbank is voorts van oordeel, dat in hetgeen eiser heeft aangevoerd onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn gelegen om te twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van het ambtsbericht. Eiser heeft zijn verklaringen, die niet stroken met het ambtsbericht, immers niet aannemelijk gemaakt door middel van concrete informatie, afkomstig uit objectieve bron. De rapporten van dr. Giustozzi kunnen niet als een zodanig concreet aanknopingspunt gelden, gelet op de voorwaardelijk geformuleerde en te algemene kritiek die hierin is opgenomen. Zo heeft dr. Giustozzi aangevoerd dat reeds gelet op de grote omvang van de KhAD niet aannemelijk is dat het in het ambtsbericht geschetste roulatiebeleid voor officieren in overeenstemming is met de praktijk. Deze stelling is echter niet onderbouwd met feiten of concrete gegevens, maar is slechts een analyse van bekende gegevens. De stelling in het rapport dat er ook onder de KhAD-leden disloyaliteit voorkwam leidt evenmin tot een ander oordeel, met name nu eiser niet heeft onderbouwd dat hij op enig moment niet loyaal zou zijn geweest aan de KhAD/WAD. Voorts bestaat geen aanleiding om er vanuit te gaan dat op basis van deze gegevens in de rapporten van dr. Giustozzi de conclusies van het ambtsbericht niet zouden mogen worden gebruikt in de zaak van eiser. Dr. Giustozzi heeft ten aanzien van eiser persoonlijk naar voren gebracht dat het arresteren van mensen niet een primaire taak was van het directoraat van eiser. Hij heeft echter tevens aangegeven dat het arresteren van mensen wel tot de mogelijke taken behoorde. Derhalve noopt dit niet tot een ander oordeel over het ambtsbericht en evenmin over eisers positie. De rechtbank tekent hierbij aan dat eiser zelf heeft verklaard opdrachten tot arrestaties te hebben gegeven en zich te hebben beziggehouden met tegenstanders van het regime. De overgelegde brief van de voorzitter van de Afghaanse journalisten vereniging in Europa kan, nu zij niet ingaat op eisers functioneren binnen de KhAD, niet tot een ander oordeel leiden. De beroepsgrond, genoemd onder a, faalt derhalve.

b en c. Knowing and personal participation

5. Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1 (F), wordt de “personal and knowing participation test” toegepast. Beoordeeld wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (“knowing participation”) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (“personal participation”). Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1 (F) worden tegengeworpen. Met betrekking tot de voorwaarde van “personal participation” geldt dat hieronder niet slechts wordt verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht begaan van een misdrijf, maar ook het door betrokkene faciliteren ervan. Gelet op hetgeen in beroep en ter zitting is aangevoerd, stelt de rechtbank vast dat door eiser niet wordt bestreden dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van de hem tegengeworpen handelingen in het kader van artikel 1(F) van het Verdrag. Het geschil spitst zich op dit punt toe op de vraag of in het geval van eiser sprake is van “personal participation”.

6.1. De rechtbank stelt vast dat het volgens C1/5.13.3.3 van de Vc 2000 aan verweerder is om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1 (F) van het Verdrag valt.

6.2. In een brief aan de Tweede Kamer der Staten Generaal van 3 april 2000 (TK 1999-2000, 19 637, nr. 520, p. 5) heeft verweerder vermeld dat de informatie in voormeld ambtsbericht hem tot de conclusie heeft geleid dat aan een onderofficier of officier van de KhAD en de WAD die asiel aanvraagt in Nederland voortaan in de regel artikel 1 (F) van het Verdrag zal worden tegengeworpen. In een brief aan de Tweede Kamer van 22 mei 2002 (TK 2001-2002, 19 637, nr. 672, p. 3) deelt verweerder mee dat op basis van voormelde brief in het kader van de bewijsvoering van artikel 1 (F) van het Verdrag voor bepaalde categorieën vreemdelingen kan worden uitgegaan van de vooronderstelling dat sprake is van “personal and knowing participation”, hetgeen in beginsel neerkomt op een omkering van de bewijslast.

7.1. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich in het kader van de “personal participation” eerst geplaatst voor de vraag of verweerder in beginsel over kan gaan tot een omkering van de bewijslast in 1 (F) zaken. De rechtbank verwijst op dit punt naar het advies van de Adviescommissie vreemdelingenzaken (Acvz) inzake de toepassing van artikel 1 (F) van het Verdrag, dat bij bovengenoemde brief van verweerder van 22 mei 2002 aan de Tweede Kamer is aangeboden. In het advies concludeert de Acvz, mede op grond van paragraaf 43 en 47 van de “UNHCR guidelines on the application of exclusion clauses” van 7 maart 1997, dat van een vreemdeling die lid is geweest van een organisatie met een beperkt wreed doel in beginsel kan worden gesteld dat sprake is van “personal en knowing participation” en dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat daar ten zijnen aanzien geen sprake van is. Verweerder heeft vervolgens in bovengenoemde brief van 22 mei 2002 aangegeven dat slechts ten aanzien van leidinggevenden binnen een organisatie met een beperkt wreed doel zal worden overgegaan tot een bewijslastomkering als hierboven bedoeld, nu zij verantwoordelijk zijn voor misdrijven die zijn gepleegd door hun ondergeschikten. De rechtbank acht deze keuze niet onredelijk of anderszins rechtens onjuist. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat –de juistheid van- het Acvz-advies van de zijde van eiser niet of nauwelijks gemotiveerd is bestreden.

7.2. Daarvan uitgaande dient vervolgens de vraag beantwoord te worden of verweerder ook in het geval van officieren en onderofficieren van de KhAD/WAD in het algemeen en in het geval van eiser in het bijzonder over heeft kunnen gaan tot een omkering van de bewijslast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op hetgeen in het ambtsbericht van 29 februari 2000 staat vermeld over de KhAD/WAD, in redelijkheid kunnen concluderen dat de KhAD/WAD een organisatie met een beperkt wreed doel is en -in het verlengde daarvan- dat derhalve bij officieren en onderofficieren van de KhAD/WAD uit wordt gegaan van “knowing and personal participation”. In het geval van eiser bestaat te minder aanleiding tot twijfel aan deze conclusie van verweerder, nu eiser een zeer hoge positie heeft bekleed binnen de KhAD/WAD. Hetgeen eiser hieromtrent heeft aangevoerd in de beroepsgrond onder b, namelijk dat verweerder de aan eiser tegengeworpen handelingen slechts heeft gebaseerd op de algemene informatie uit het ambtsbericht van 29 februari 2000 en ten onrechte niet heeft geïndividualiseerd naar tijd en plaats, stuit op het bovenstaande af. Voor zover eiser zich in dit kader op het standpunt stelt dat niet kan worden uitgegaan van hetgeen in het ambtsbericht van 29 februari 2000 is opgenomen, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen in de rechtsoverwegingen VIII.2 tot en met VIII.4.

8. Vervolgens dient aan de orde te komen of eiser aannemelijk heeft weten te maken dat ten aanzien van zijn persoon geen sprake is van “personal participation”. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat hij zijn hoogste rang heeft bekleed onder de Mujaheddin, hetgeen een aanwijzing vormt dat hij in ieder geval door de voormalige vijanden niet verantwoordelijk wordt gehouden voor mensenrechtenschendingen die in Afghanistan hebben plaatsgevonden. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eisers promotie onder het Mujaheddin-bewind niet maakt dat eiser niet persoonlijk verantwoordelijk is voor de hem tegengeworpen handelingen in het licht van artikel 1 (F) van het Verdrag. Daartoe overweegt de rechtbank dat onder meer uit het ambtsbericht van 29 februari 2000 blijkt dat veel medewerkers van de KhAD en de WAD na de val van het communistische bewind zijn gaan werken voor de inlichtingendiensten van de nieuwe machthebbers.

Daar komt nog bij dat eiser zelf heeft verklaard dat hij mensen heeft laten arresteren en vervolgens heeft overgedragen aan anderen voor verhoor. Hiermee heeft hij de handelingen die hem worden tegengeworpen gefaciliteerd, hetgeen eveneens kan worden aangemerkt als “personal participation”. Eiser is voorts op eigen initiatief en uit vrije wil toegetreden tot de KhAD/WAD, en heeft vervolgens uit vrije wil binnen deze organisatie gedurende jaren carrière gemaakt en daarbij posities bekleed waarbij het, gelet op het ambtsbericht van 29 februari 2000, onvermijdelijk is dat hij actief betrokken is geweest bij de hem tegengeworpen handelingen. Niet is gebleken dat eiser zich heeft gedistantieerd van of zich verzet heeft tegen de door de KhAD/WAD gepleegde misdrijven. Gelet hierop dient uit te worden gegaan van de “personal participation” van eiser bij de hem tegengeworpen handelingen. De beroepsgrond, genoemd onder c, faalt derhalve.

d. Handelingen als bedoeld in artikel 1 (F) van het Verdrag

9. Vervolgens dient aan de orde te komen of de aan eiser tegengeworpen handelingen kunnen worden aangemerkt als handelingen zoals bedoeld in artikel 1 (F) van het Verdrag.

10.1. Door eiser is aangevoerd dat hem ten onrechte wordt verweten dat hij met zijn handelen het gemeenschappelijke artikel 3 van de Geneefse Conventies van 1949 heeft geschonden en daarmee een oorlogsmisdrijf zou hebben begaan. Hij onderschrijft weliswaar de stelling dat het gemeenschappelijke artikel 3 van toepassing is op het intern gewapend conflict in Afghanistan in de periode 1981-1992, maar is van mening dat dit artikel geen individuele aansprakelijkheid kan opleveren voor daden begaan door individuen in de relevante periode. Hierbij is volgens eiser van belang dat vóór de oprichting van het Joegoslavië-tribunaal in 1993 algemeen werd aangenomen dat schending van het gemeenschappelijk artikel 3 alleen in een internationaal gewapend conflict een oorlogsmisdrijf kon opleveren. Bovendien richt het gemeenschappelijke artikel 3 zich tot partijen in een dergelijk conflict en wordt pas sinds de jurisprudentie van het Joegoslavië-tribunaal aangenomen dat schending van genoemd artikel individuele aansprakelijkheid kan opleveren.

10.2. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende. Voorop gesteld moet worden dat het Joegoslavië-tribunaal, blijkens artikel 1 van het statuut van het Joegoslavië-tribunaal, jurisdictie heeft ten aanzien van delicten die zijn begaan vanaf 1991, zodat de stelling van eiser ten aanzien van 1993 als doorslaggevend moment niet kan worden gevolgd. Ook overigens vinden de stellingen van eiser op dit punt geen steun in het recht. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het Joegoslavië-tribunaal geen uitspraken heeft gedaan over een omslagpunt, maar een gewoonterechtelijke benadering heeft gekozen.

10.3. Voorts overweegt de rechtbank dat, gelet op -onder meer- de jurisprudentie van het Joegoslavië-tribunaal zonder meer kan worden vastgesteld dat overtreding van het gemeenschappelijke artikel 3 een oorlogsmisdrijf oplevert waarvoor ook individuen kunnen worden vervolgd. De enkele omstandigheid dat eerst sedert de jurisprudentie van het Joegoslavië-tribunaal algemeen aanvaard is dat ook in een intern gewapend conflict oorlogsmisdrijven kunnen worden begaan, kan niet tot het oordeel leiden dat in de onderhavige zaak niet kan worden verwezen naar (daden in strijd met) het gemeenschappelijke artikel 3 voor de definitie van de term oorlogsmisdrijf. Hierbij is van belang dat uit de tekst van artikel 1 (F) aanhef en onder a, van het Verdrag blijkt, dat voor de definitie of een daad als oorlogsmisdrijf moet worden gekwalificeerd aansluiting moet worden gezocht bij de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen. Hieraan zijn geen restricties verbonden. In dit verband verwijst de rechtbank ook naar “the Guidelines on international protection, application of the exclusion clauses: Article 1 (F) of the 1951 Convention relating to the status of Refugees” van de UNHCR van 4 september 2003 waarin is opgenomen: “Article 1 (F) allows for a dynamic interpretation of the relevant crimes so as to take into account developments in international law”.

10.4. Eiser heeft voorts gesteld dat verweerder heeft nagelaten te bezien of de aan eiser verweten handelingen zijn te kwalificeren als misdrijven tegen de menselijkheid. Verweerder heeft, volgens eiser, verzuimd vast te stellen dat voornoemde misdrijven op grootschalige en systematische wijze zijn begaan, en of deze onderdeel zijn van een beleid van vervolging, gericht tegen de burgerbevolking, welk beleid wordt uitgevoerd op grootschalige of systematische wijze. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling berust op een onjuiste lezing van het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen. Immers, verweerder is hierin uitgebreid ingegaan op hetgeen de KhAD/WAD wordt verweten en op het systematische karakter van de misdrijven die door de KhAD/WAD zijn begaan.

Voorts heeft eiser erop gewezen dat de ambtsberichten en de niet-gouvernementele organisaties zoals Amnesty International de handelingen van KhAD/WAD niet als misdrijven tegen de menselijkheid kwalificeren. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet tot een ander oordeel leiden, nu verweerder zijn motivering hieromtrent in het bestreden besluit heeft neergelegd en voorts deze motivering, gelet op de informatie in de algemene ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken, de rechtelijke toets kan doorstaan.

11.1. Eiser heeft ook naar voren gebracht dat verweerder artikel 1 (F), aanhef en onder b, van het Verdrag, waarin de misdrijven worden gekwalificeerd als ernstige niet politieke misdrijven, niet aan hem heeft mogen tegenwerpen. Eiser heeft in dit verband naar voren gebracht dat de handelingen van de KhAD/WAD zijn verricht in een intern gewapend conflict, zodat het internationaal humanitair recht van toepassing is. Onder artikel 1 (F), aanhef en onder b, van het Verdrag, worden traditioneel daden van terrorisme begrepen, aldus eiser. Het internationale recht maakt onderscheid tussen enerzijds daden gepleegd in een gewapend conflict en terrorisme anderzijds.

11.2. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze redenering niet worden gevolgd. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat niet op voorhand valt in te zien waarom ernstige niet-politieke misdrijven niet zouden kunnen worden gepleegd tijdens een intern gewapend conflict. In dit verband wordt voorts verwezen naar de -ook door eiser aangehaalde- brief van 28 november 1997 van verweerder aan de voorzitter van de Tweede kamer (TK 1997-1998 19637, nr. 295, p. 7), waarin is vermeld dat de opsomming van delicten die onder artikel 1 (F), aanhef en onder b, van het Verdrag vallen, niet beperkt is tot de delicten, genoemd in het Europees Verdrag tot Bestrijding van Terrorisme. Ook in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 2001/37 zijn in dit verband andere misdrijven dan terroristische misdrijven opgenomen.

De rechtbank heeft in hetgeen door eiser naar voren is gebracht dan ook geen grond gevonden voor het oordeel dat Artikel 1 (F), aanhef en onder b, van het Verdrag, uitsluitend zou mogen zien op terroristische misdrijven. Voorts heeft de rechtbank in hetgeen is aangevoerd evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat hetgeen aan eiser wordt verweten, zoals door verweerder uiteengezet, niet kan worden gevat onder artikel 1 (F), aanhef en onder b, van het Verdrag.

12.1. Eiser heeft ten aanzien van artikel 1 (F), aanhef en onder c, van het Verdrag naar voren gebracht dat verweerder heeft nagelaten te motiveren op welke wijze eisers handelingen indruisen tegen de beginselen en doelstellingen van de Verenigde Naties. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling berust op een onjuiste lezing van het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen, nu daarin is gemotiveerd waarom eisers handelen in strijd wordt geacht met de beginselen en doelstellingen van de Verenigde Naties, welke motivering -zakelijk weergegeven- is opgenomen in rechtsoverweging VI.2.3.

12.2. Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat artikel 1 (F), aanhef en onder c, van het Verdrag een restcategorie betreft die nimmer als enige uitsluitingsgrond kan dienen. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij, reeds gelet op hetgeen hierboven is overwogen omtrent de kwalificatie van de aan eiser tegengeworpen handelingen als misdrijven zoals bedoeld in artikel 1 (F), aanhef en onder a en b, van het Verdrag.

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in de rechtsoverwegingen VII.10 tot en met VIII.12 dienen de aan eiser tegengeworpen handelingen te worden aangemerkt als handelingen zoals bedoeld in artikel 1 (F), aanhef en onder a, b en c, van het Verdrag. Eisers beroepsgrond, zoals opgenomen onder d, faalt derhalve.

e. Artikel 3 van het EVRM

14.1. Eiser heeft voorts aangevoerd dat uit de jurisprudentie van de AbRS (onder meer de uitspraak van 29 mei 2001, JV 2001/166) omtrent de aan de meervoudige beschikking verbonden rechtsgevolgen voortvloeit, dat verweerder niet de vrijheid heeft om na het in rechte onaantastbaar worden van een meervoudige beschikking alsnog te besluiten om niet over te gaan tot uitzetting. Verweerder had derhalve in het bestreden besluit reeds moeten beoordelen of de uitzetting van eiser zou leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Nu in het bestreden besluit geen kenbare en individuele beoordeling heeft plaatsgevonden omtrent de gevolgen van de beschikking in het kader van artikel 3 van het EVRM, is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Bovendien stelt eiser zich op het standpunt dat in het onderhavige geval vaststaat dat artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen de uitzetting van eiser, nu eisers vrouw en kinderen zijn toegelaten als vluchteling vanwege het feit dat zij familieleden zijn van eiser.

14.2. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat artikel 3 van het EVRM in het onderhavige geval niet kan leiden tot toelating, maar wel in de weg kan staan van een mogelijke uitzetting van eiser naar Afghanistan. Ter zitting heeft verweerder voorts medegedeeld dat, voordat wordt overgegaan tot een mogelijke uitzetting van eiser, na deze procedure zal worden beoordeeld en in een beslissing neergelegd zal worden of die uitzetting in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

14.3. De rechtbank overweegt het volgende. Verweerder is in beginsel op grond van artikel 45 van de Vw 2000 bevoegd om, na het onherroepelijk worden van de onderhavige beschikking, over te gaan tot de uitzetting van eiser naar diens land van herkomst. Gelet op het systeem van de wet en de hierboven aangehaalde jurisprudentie van de AbRS moet worden aangenomen dat verweerder zijn overwegingen over de gevolgen van zijn besluit, waaronder begrepen de eventuele uitzetting, in beginsel zal dienen neer te leggen in datzelfde besluit. Verweerder heeft toegezegd in de onderhavige zaak alvorens van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik te zullen maken, een afzonderlijke beslissing te zullen nemen over eisers uitzetting en de mogelijke strijdigheid daarvan met het betreffende artikel 3 van het EVRM. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat verweerder hiertoe niet bevoegd zou zijn, kan deze stelling niet worden gevolgd. In bijzondere gevallen, zoals het onderhavige, kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet de bevoegdheid worden ontzegd om, hoewel niet wordt overgegaan tot toelating, voorshands af te zien van hantering van de bevoegdheid tot uitzetting en evenmin om hierover, indien nodig, een afzonderlijk besluit te nemen. De rechtbank acht deze handelswijze in de onderhavige zaak niet rechtens onjuist, mede gelet op de bijzondere positie die artikel 1 (F) van het Verdrag inneemt binnen het kader van de Vw 2000. De onder e opgenomen beroepsgrond stuit hierop af.

f. Artikel 8 van het EVRM

15. Eiser heeft ten slotte een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM. Voor zover eiser hiermee een beroep wenst te doen op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000, is de rechtbank van oordeel dat dit beroep niet kan slagen. Indien artikel 1 (F) in de weg staat aan verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, wordt immers krachtens artikel 3.107 van het Vb 2000 aan de betreffende vreemdeling evenmin verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Voor het overige betreft het beroep op artikel 8 van het EVRM een regulier aspect, dat in onderhavige (asiel)procedure niet aan de orde kan komen. De door eiser aangevoerde beroepsgrond onder f faalt mitsdien.

Conclusie

16. Gelet op het voorgaande is de conclusie dat het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, de rechterlijke toets kan doorstaan. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om eisers subsidiaire verzoek om aanhouding toe te wijzen.

17. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

18. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

IX. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. J.C. Boeree, voorzitter, en mrs. F. Salomon en H.J. Tijselink, rechters, in tegenwoordigheid van L. Fernández Ferreiro, griffier, en openbaar gemaakt op: 19 december 2003

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op: 19 december 2003

Conc.: LFF

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.