Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO4176

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-11-2003
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/60492
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / uitzetcentrum.

De rechtbank is van oordeel dat de minister niet bevoegd was het aanwijzingsbesluit te nemen, waarbij het perceel Airportbaan 18 te Rotterdam, aangeduid als uitzetcentrum Rotterdam, wordt aangewezen als ruimte of plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Vw 2000 dan wel artikel 58, eerste lid, Vw 2000. Dit betekent dat de bewaring niet aldaar ten uitvoer mocht worden gelegd, zodat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 5.4, eerste lid, Vb 2000. Voorzover verweerders beleid in hoofdstuk A5/2.2.5 Vc 2000 erop is gericht dan wel zo dient te worden uitgelegd dat ook de vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 59, eerste lid, Vw 2000 ten uitvoer kan worden gelegd in een plaats die niet door de bevoegde minister is aangewezen als plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Vw 2000 of artikel 58, eerste lid, Vw 2000, dient te worden geoordeeld dat dit wegens strijd met het bepaalde in artikel 5.4, eerste lid, Vb 2000, niet kan worden gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zitting houdende te Dordrecht

Reg.nr : AWB 03/60492

Uitspraak in de zaak van

A, eiser,

gemachtigde: mr. W.H.M. Ummels, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ‘s-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. D. Kuiper, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Op 20 november 2003 is de rechtbank, door middel van een kennisgeving van verweerder ex artikel 94, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), ervan in kennis gesteld dat verweerder eiser op 18 november 2003 in bewaring heeft gesteld.

2. De zaak is op 27 november 2003 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Verder is verschenen M. Kocer, tolk in de Turkse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Krachtens artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Gelet op het bepaalde in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, staat tevens ter beoordeling of er aanleiding is eiser schadevergoeding toe te kennen.

Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bepaalt dat indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, door de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring kan worden gesteld.

Ingevolge artikel 5.4, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de bewaring op grond van artikel 59 van de Vw 2000 ten uitvoer gelegd op een politiebureau, in een huis van bewaring of een ruimte of plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, of artikel 58, eerste lid, van de Vw 2000.

Krachtens artikel 1, aanhef en onder i, van de Vw 2000 wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

2. Volgens eiser kan hij niet worden uitgezet naar Turkije, nu er met betrekking tot zijn psychische problemen geen opvang is in Turkije. Hij doet in dat verband een beroep op artikel 64 van de Vw 2000. Voorts heeft eiser gesteld dat er met betrekking tot zijn psychische problemen in het Uitzetcentrum geen adequate medische zorg aanwezig is. Hij verzoekt de rechtbank om de wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging te bevelen.

3. De rechtbank overweegt het volgende.

Eiser heeft ten aanzien van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling niets aangevoerd. De rechtbank is niet gebleken dat de bewaring van eiser in strijd is met de Vw 2000. In zoverre is het beroep ongegrond.

Met betrekking tot het beroep van eiser op artikel 64 van de Vw 2000 is de rechtbank van oordeel dat uit het verhandelde ter zitting genoegzaam is gebleken dat de vreemdelingendienst zich een oordeel zal vormen over de vraag of de gezondheidstoestand van eiser aan uitzetting in de weg staat alvorens tot daadwerkelijk uitzetting wordt overgegaan. De rechtbank is van oordeel dat thans nog niet is kunnen blijken dat er vanwege eiseres medische situatie geen zicht op uitzetting is.

Met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de bewaring overweegt de rechtbank het volgende.

De bewaring van eiser wordt tenuitvoergelegd in het Uitzetcentrum Rotterdam.

De rechtbank zal allereerst beoordelen of de bewaring van eiser in het Uitzetcentrum Rotterdam ten uitvoer kan worden gelegd. Daarvoor moet worden beoordeeld of dit Uitzetcentrum een ruimte of plaats is als bedoeld in artikel 6, tweede lid, of artikel 58, eerste lid, van de Vw 2000. Het is immers geen politiebureau of huis van bewaring.

De rechtbank is ambtshalve bekend dat de Minister van Justitie bij ongepubliceerd besluit van 26 juni 2003 het perceel Airportbaan 18 te Rotterdam, aangeduid als Uitzetcentrum Rotterdam, heeft aangewezen als zodanige ruimte of plaats.

Krachtens artikel 44, eerste lid, van de Grondwet (Gw) worden bij koninklijk besluit ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

Krachtens het tweede lid, kunnen ook ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Bij Koninklijk besluit van 27 mei 2003 nr. 03.002152 (Stcrt 6 juni 2003, nr. 107/p. 8) is drs. M.C.F. Verdonk benoemd tot Minister zonder portefeuille en belast met de aangelegenheden betreffende Vreemdelingenzaken en Integratie.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 10 oktober 2001 (nr. 200101904/1) heeft geoordeeld ziet deze bepaling uit de Grondwet op de interne verdeling van taken tussen bewindslieden en biedt deze de grondslag om te bepalen, wie van hen voor de vervulling van welke taken verantwoordelijk is.

De grondwettelijke bevoegdheid van de Kroon om ministeries in te stellen en taken tussen ministeries te verdelen en te herverdelen zou zinledig zijn, indien deze niet tevens betrekking heeft op het overbrengen zonder tussenkomst van de formele wetgever van bevoegdheden van een ministerie naar een ander of nieuw ingesteld ministerie. De regeling bij wet in formele zin van bevoegdheden van een bepaalde minister vindt plaats in het licht van de op dat moment geldende departementale indeling en in het besef dat die indeling onder de vigeur van voormelde bepaling van de Gw kan wijzigen. Een zodanige regeling doet niet af aan de op de Gw stoelende bevoegdheid van de Kroon. Dat overdracht krachtens artikel 44, eerste lid, van de Gw van bevoegdheden aan een andere bewindspersoon soms nadien bij wet is bevestigd, betekent niet dat de desbetreffende bevoegdheden eerst na die wetswijziging zijn overgegaan. Zulke bevestiging is ook vaak achterwege gebleven. Het is gevestigde staatsrechtelijke praktijk dat een wettelijke bevestiging niet nodig is voor een rechtmatige bevoegdheidsuitoefening door een bij Koninklijk besluit daartoe aangewezen bewindspersoon. Gelet op de exclusiviteit van bestuursbevoegdheden moet worden geoordeeld dat na de overdracht van een bevoegdheid bij een Koninklijk besluit als hier bedoeld het bestuursorgaan dat in de voorgaande formele wet de bevoegdheid toebedeeld kreeg, die bevoegdheid heeft verloren.

Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de Minister van Justitie op 26 juni 2003 niet bevoegd was het hier bedoelde aanwijzingsbesluit waarbij het perceel Airportbaan 18 te Rotterdam, aangeduid als Uitzetcentrum Rotterdam, wordt aangewezen als ruimte of plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid en/of artikel 58, eerste lid, van de Vw 2000, te nemen. Het gevolg is dat het Uitzetcentrum Rotterdam niet kan worden beschouwd als ruimte of plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid en/of artikel 58, eerste lid, van de Vw 2000. Dit betekent dat de bewaring niet aldaar ten uitvoer mocht worden gelegd, zodat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 5.4, eerste lid, van het Vb 2000. Het beroep is in zoverre gegrond. De rechtbank zal de wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging bevelen.

Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van eisers stelling dat er voor zijn psychische problemen in het Uitzetcentrum geen adequate medische zorg aanwezig is.

4. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

5. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).

De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat aan eiser ter zake van dit geschil een toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

5. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het betreft de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring;

- beveelt de wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring en beveelt dat de bewaring in een huis van bewaring dient te worden voortgezet;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,- terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan de griffier van de rechtbank moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.J.M. Marseille, rechter, en door deze en mr. A.W.M. van Langen-van de Wouw, griffier, ondertekend.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 28 november 2003

afschrift verzonden op: 28 november 2003

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.