Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO3910

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-12-2003
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
AWB 02/85508
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Azerbeidzjan / etnisch Armeniër / bescherming autoriteiten.

De Azerbeidzjaanse autoriteiten weigeren laissez-passers af te geven aan mensen van etnisch Armeense afkomst, zo blijkt uit een brief van verweerder van 10 juli 2003. Deze handelswijze vormt een duidelijke aanwijzing van discriminatie van overheidswege jegens etnisch Armeniërs - naast de in het algemeen ambtsbericht omtrent Azerbeidzjan van 10 juni 2003 reeds als betrekkelijk gering geduide bereidheid van de autoriteiten om in geval van problemen bescherming te bieden. Daarom is de motivering van het bestreden besluit ten aanzien van te verwachten problemen bij terugkeer naar Azerbeidzjan ontoereikend. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/85508 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1954, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. J.A.W. van Puffelen, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 11 februari 2000 heeft eiseres een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij besluit van 8 december 2000, uitgereikt op 19 december 2000, heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd vanwege de kennelijke ongegrondheid ervan en heeft verweerder ambtshalve overwogen geen aanleiding te zien een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij gemotiveerd bezwaarschrift van 16 januari 2001 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn aangevuld bij brief van 2 februari 2001. Het bezwaar is bij besluit van 14 oktober 2002 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 12 november 2002 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 16 december 2002 en aangevuld bij brief van 25 november 2003. Op 19 september 2003 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 28 november 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2003. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig K. Manualian, als tolk in de Armeense taal.

II. ASIELRELAAS

Eiseres is afkomstig uit Azerbeidzjan. Zij is van Armeens etnische afkomst en Armeens apostolisch christen. De ouders van eiseres waren eveneens etnische Armenen. De echtgenoot van eiseres, C, is moslim van Azeri-afkomst. Eiseres heeft drie jaar lager onderwijs genoten.

Ondanks het feit dat de wederzijdse ouders van eiseres en haar echtgenoot de relatie niet goedkeurden, trouwden zij in 1975 en woonden vanaf hun huwelijk in Kirovabad (thans Gandzja), thans Azerbeidzjan. Eind 1988 brak de oorlog uit en plunderden en verbrandden de Azeri-bevolking van Kirovabad etnisch Armeense huizen. Op 6 november 1988 vertelde de buurman dat de Azeri alle paspoorten voor een volkstelling inzamelden. Eiseres leverde haar paspoort in. Vervolgens werden de etnisch Armenen in Kirovabad, op grond van deze informatie, massaal uitgemoord.

Op 27 november 1988 vluchtten eiseres, haar echtgenoot, haar moeder onder begeleiding van een militaire colonne van het Sovjet-leger naar D (thans D), thans Armenië. Zij werden opgevangen door een Armeense vrouw, E. Uit vrees voor herkenning wijzigde haar echtgenoot zijn naam in F. E wist, tot kort voor hun vertrek, niet van zijn Azeri-afkomst.

Eiseres probeerde zich in Armenië te laten registreren. Als gevolg van een aardbeving was dat niet mogelijk. Ook drie pogingen tot naturalisatie liepen op niets uit omdat eiseres als vluchteling werd beschouwd.

Op 1 februari 2000 kwam haar echtgenoot in paniek thuis. Hij was, in bijzijn van E, op de markt door een Armeense vluchteling uit Kirovabad als Azeri herkend. Hij zei dat eiseres en haar moeder direct naar Leninakan moesten vertrekken en naar Europa moesten vluchten. Eiseres kreeg $ 4000,-- van haar echtgenoot toegestopt. Hij vertrok nog diezelfde dag en zou via Georgië naar Europa reizen. Ook E drong aan op hun vertrek waarna eiseres en haar moeder de volgende dag door de buurman naar een oud busstation in Leninakan werden gebracht. Op 2 februari 2000 verlieten eiseres en haar moeder Armenië in de laadruimte van een vrachtwagen. Op 7 februari 2000 arriveerden zij in Nederland.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Eiseres legt aan het beroep ten grondslag dat zij in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Bij terugkeer naar Azerbeidzjan vreest zij te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zij heeft de Armeense etniciteit, spreekt de Azeri-taal niet, is een alleenstaande vrouw en belijdt een ander geloof dan de Azeri. Uit een brief van verweerder van 10 juli 2003, aan Kroeze Israëls Advocaten en Adviseurs betreffende het terugkeerbeleid van Azerbeidzjan en Armenië, blijkt dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten weigeren laissez-passers af te geven aan mensen van etnisch Armeense afkomst. Evenmin kan eiseres naar Armenië terugkeren nu zij gehuwd is (geweest) met een Azeri en zij zich, als alleenstaande vrouw zonder familie of andere opvang, in Armenië niet kan staande houden.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

Hetgeen eiseres heeft aangevoerd is onvoldoende zwaarwegend om tot vluchtelingschap te kunnen concluderen. Voorts zijn er onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat juist eiseres bij terugkeer naar Azerbeidzjan het reële risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Indien zij de voorkeur zou geven aan vestiging elders, dan zou eiseres zich in Armenië kunnen vestigen.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Tussen partijen is in geschil de vraag of eiseres in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel b, van de Vw 2000.

3. Op 1 april 2001 is de Vw 2000 in werking getreden en is de Vreemdelingenwet 1965 ingetrokken. Ingevolge de Vw 2000 houdt het bestreden besluit de beslissing in over de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

4. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

5. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

6. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

7. Ingevolge artikel 31, eerste lid, va de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de minister aannemelijk te maken.

8. Verweerder heeft het asielrelaas van eiseres niet in zijn geheel of op onderdelen ongeloofwaardig geacht. Derhalve moet worden beoordeeld of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Azerbeidzjan gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Blijkens mededelingen van de gemachtigde van eiseres ter zitting, is tussen partijen niet langer in geschil dat zij het Azerbeidzjaanse staatsburgerschap heeft of kan verwerven.

9. Gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd spitst het geding zich toe op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Azerbeidzjan zal worden onderworpen aan een discriminatoire bejegening van een zodanige aard en omvang dat haar leven daardoor onhoudbaar zal worden.

10. Uit het algemeen ambtsbericht over de situatie in Azerbeidzjan van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 juni 2003 blijkt het volgende. Er bevinden zich thans nog 30.000 etnisch Armeniërs in Azerbeidzjan, waarvan slechts 3.000-4.000 volledig etnisch Armeens. Etnisch Armeense mannen jonger dan 60 jaar komen niet meer voor in Azerbeidzjan. Etnisch Armeniërs zonder invloedrijke familie kunnen tot op zekere hoogte problemen ondervinden. Binnen deze groep hebben alleenstaande etnisch Armeense vrouwen de zwakste positie. Er zijn gevallen bekend waarin etnisch Armeniërs die betrokken waren bij een "regulier conflict" (bijvoorbeeld een burenruzie, geschil over eigendom van een huis, arrestatie wegens winkeldiefstal, etc.) als gevolg van hun etnische afkomst zwakker stonden, harder werden aangepakt of anderszins werden achtergesteld. Achterstelling of negatieve bejegening is doorgaans van indirecte aard. Bescherming tegen intimidatie of achterstelling kan bij de autoriteiten worden verkregen, maar niet kan worden uitgesloten dat de autoriteiten minder geneigd zijn bescherming te bieden aan etnisch Armeniërs. De mate waarin bescherming kan worden verkregen, hangt af van de maatschappelijke positie van de persoon in kwestie en van de persoon op het politiebureau waartoe hij/zij zich heeft gewend. In mindere mate kan dit ook gelden indien het gaat om het inroepen van de bescherming van hogere autoriteiten.

Diverse mensenrechtenorganisaties hebben melding gemaakt van gevallen waarin alleenstaande etnisch Armeense vrouwen gesteld hebben de volgende problemen te hebben ondervonden:

- weigering van een kind op een bepaalde school;

- achterstelling bij verkrijgen van medische zorg;

- achterstelling bij het toewijzen van huisvesting;

- achterstelling bij het uitbetalen van pensioen;

- problemen met verkrijgen van een nieuwe paspoort en identiteitskaart, en angst documenten (waaronder huwelijks- en geboorteakten) aan te vragen, omdat dan ontdekt kan worden dat de huidige documenten illegaal zijn verkregen;

- problemen met eigendomsclaims (waarbij etnisch Armeniërs -meestal vrouwen- een appartement hebben geërfd, maar werden tegengewerkt bij het overschrijven van de eigendomsrechten op hun naam).

De problemen zijn over het algemeen van sociaal-economische aard. In geval van mogelijke problemen kan niet in alle gevallen adequate bescherming door de autoriteiten worden verkregen.

11. Hieruit kan worden afgeleid dat de positie van etnische Armeniërs in Azerbeidzjan zorgwekkend is, maar dat er in het algemeen geen sprake is van discriminatie van een zodanige aard en omvang dat het leven van de betrokkenen onthoudbaar is.

12. Naar het oordeel van de rechtbank verkeert eiseres echter in een bijzondere situatie. Eiseres is een oudere, alleenstaande etnisch Armeense vrouw die nauwelijks enige opleiding heeft genoten, die nauwelijks Azeri spreekt, die geen familie of andere relaties heeft in Azerbeidzjan, welk land zij reeds 15 jaar geleden heeft verlaten. Uit het bestreden besluit is niet af te leiden dat en hoe verweerder deze bijzondere omstandigheden in zijn besluitvorming heeft meegewogen.

13. Voorts is niet in geschil dat verweerder niet in zijn beoordeling heeft betrokken dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten bij de verlening van laissez-passers criteria hanteren die betrekking hebben op de etnische afkomst van de aanvragers. Nu genoemde handelwijze van de Azerbeidzjaanse autoriteiten een duidelijke aanwijzing is van discriminatie van overheidswege jegens etnisch Armeniërs - naast de in het ambtsbericht reeds als betrekkelijk gering geduide bereidheid van de autoriteiten om in geval van problemen bescherming te bieden - is de motivering van het bestreden besluit ten aanzien van te verwachten problemen bij terugkeer naar Azerbeidzjan ontoereikend.

14. Naar het oordeel van de rechtbank ontbeert het standpunt van verweerder dan ook een draagkrachtige motivering. Hetgeen verder in beroep is aangevoerd behoeft geen nadere bespreking nu het beroep gegrond dient te worden verklaard en verweerder gehouden is een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

15. Verweerder zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op €644 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt €322,--, wegingsfactor 1).

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met in-achtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Gewezen door mr. C.W. Rang, voorzitter, en mrs. M.A. Vermeulen en K. Engel-Mans, rechters, in tegenwoordigheid van ir. M.V.C. Dam-Jansen, griffier, en openbaar gemaakt op: 30 december 2003

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 30 december 2003

Conc: MD

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.