Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO3884

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-12-2003
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
AWB 02/33701
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Angola / traumatabeleid / binnenlands vestigingsalternatief.

Eiseres is getraumatiseerd als gevolg van verkrachtingen door UNITA-rebellen. Verweerder stelt dat eiseres geen beroep kan doen op het traumatabeleid, omdat eiseres een binnenlands vestigingsalternatief heeft. De rechtbank overweegt dat uitgangspunt van het traumatabeleid is dat van een getraumatiseerde vreemdeling niet kan worden gevergd dat hij terugkeert naar het land van herkomst, waar de traumatische ervaringen zijn opgedaan. De stellingen van verweerder met betrekking tot de UNITA vinden geen bevestiging in het ambtsbericht van 14 mei 2003. Desgevraagd heeft verweerder aangegeven dat er geen concrete stukken of informatiebronnen zijn die die stellingen onderbouwen. Verweerder heeft de vraag of UNITA thans feitelijk deel uitmaakt van de centrale overheid, dan ook negatief beantwoord zonder deugdelijke motivering. Voorts heeft verweerder, voorzover UNITA niet geacht zou moeten worden deel uit te maken van de centrale overheid, evenmin voldoende gemotiveerd dat UNITA in (andere) delen van Angola geen macht uitoefent, welke delen van het land dit betreft, noch dat de centrale overheid bescherming kan en wil bieden. De rechtbank hecht hier aan, omdat een redelijke uitleg van de door de centrale overheid te bieden bescherming zou zijn dat de centrale overheid in staat en bereid is om eiseres te vrijwaren van bijvoorbeeld confrontaties met personen die door eiseres in verband worden gebracht met de traumatische gebeurtenissen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom een binnenlands vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/33701 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1985, van Angolese nationaliteit, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. W. Koetsier-van der Kamp, advocaat te Vlagtwedde,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: drs. P.E.G. Heijdanus Meershoek, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 8 februari 2001 heeft eiseres een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling, aan te merken als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 15 februari 2002 heeft verweerder aan eiseres schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 15 maart 2002 heeft eiseres haar zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 4 april 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 26 april 2002 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 7 juni 2002. Op 27 juni 2003 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 26 september 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2003. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig S. Grootendorst, als tolk in de Portugese taal.

4. Na de zitting is gebleken dat het onderzoek in deze procedure niet volledig is geweest, zodat de rechtbank aanleiding heeft gezien om met toepassing van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek te heropenen teneinde nadere inlichtingen in te winnen.

5. Bij brief van 21 oktober 2003 heeft verweerder de rechtbank nadere informatie verschaft. De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 28 oktober 2003 gereageerd.

6. Bij brieven van 29 oktober 2003 en 7 november 2003 hebben partijen de rechtbank toestemming gegeven de zaak zonder nadere zitting af te doen, waarna het onderzoek op 1 december 2003 is gesloten.

II. FEITEN

Bij besluit van 4 april 2002 is eiseres in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’, met ingang van 8 februari 2001, geldig tot 8 februari 2002, onder gelijktijdige verlenging van de geldigheidsduur tot 8 februari 2003.

III. ASIELRELAAS

Eiseres heeft - kort samengevat - het volgende asielrelaas naar voren gebracht. Eiseres is afkomstig uit C, Angola. Op 11 januari 2001 vielen rebellen van de UNITA het dorp van eiseres aan. Huizen werden in brand gestoken en mensen werden door de rebellen gedood. De rebellen hebben ook de vader van eiseres gedood en het ouderlijk huis van eiseres in brand gestoken. Eiseres werd door de rebellen gescheiden van haar moeder, broer en zuster en meegenomen naar een ondergronds huis. Daar is eiseres verkracht door drie UNITA-rebellen. Na enkele uren kon eiseres met behulp van een van de rebellen ontsnappen. Eiseres heeft op 13 januari 2001 met de hulp van een non haar land van herkomst per vliegtuig te verlaten.

IV. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Eiseres komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. De verklaringen van eiseres duiden er niet op dat zij persoonlijk de bijzondere negatieve aandacht van de UNITA heeft te vrezen. Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 mei 2001 blijkt voorts dat Angolezen die hebben te vrezen voor vervolging van de zijde van de UNITA-milities veilig kunnen verblijven in gebieden die onder de effectieve controle van de regering staan. Eiseres komt evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De omvang van Angola is groot en de gebeurtenissen die eiseres heeft ondergaan, zijn veroorzaakt door een rebellenbeweging die in andere delen van het land geen feitelijke macht uitoefent.

2. Eiseres legt aan het beroep ten grondslag dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Van eiseres kan, vanwege haar posttraumatische stressstoornis, niet in redelijkheid gevergd worden dat zij terugkeert naar haar land van herkomst. Ten onrechte wordt eiseres een binnenlands vestigingsalternatief tegengeworpen. In heel Angola zal zij dagelijks worden geconfronteerd met de gevolgen van de rebellenoorlog die gewoed heeft in haar land. De traumatische ervaringen zullen daardoor steeds weer worden opgerakeld.

V. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. (…);

b. (…);

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

4. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel worden bij het onderzoek naar de aanvraag de daar genoemde omstandigheden betrokken, waaronder de omstandigheid, genoemd onder f, dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitsdocumenten heeft kunnen overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag en de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken ervan hem niet is toe te rekenen.

5. Vooropgesteld moet worden dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft overwogen dat de algehele situatie in Angola niet zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land zonder meer als vluchteling aan te merken zijn. Eiseres dient derhalve aannemelijk te maken dat er haar persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin rechtvaardigen.

6. De rechtbank stelt voorts vast dat hoewel verweerder de aanvraag van eiseres op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft afgewezen uit het bestreden besluit en uit hetgeen de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft medegedeeld, volgt dat verweerder uitgaat van de geloofwaardigheid en de aannemelijkheid van het asielrelaas van eiseres.

7. In beroep is enkel nog in geschil de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

8. Verweerder heeft in zijn beleid in hoofdstuk C1/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) uitgewerkt, dat voor de toepassing van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 in de eerste plaats is gedacht aan de situatie dat de vreemdeling getraumatiseerd is. Waar er wordt gesproken van traumata of traumatische ervaring, wordt gedoeld op gebeurtenissen die tot de veronderstelling leiden dat deze psychische schade berokkenen. De handelingen moeten zijn verricht van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden. Als de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden door toedoen van de centrale overheid is in het kader van het traumatabeleid geen plaats voor tegenwerpen van een binnenlands vestigingsalternatief. Dit alternatief wordt wel tegengeworpen als de omvang van het land groot is, de feitelijke (regionale) machthebbers of politieke of militante groeperingen de gebeurtenissen hebben veroorzaakt en in andere delen van het land geen macht uitoefenen en de centrale overheid bescherming kan en wil bieden.

9. Tussen partijen is, blijkens de desbetreffende overwegingen in het bestreden besluit en de toelichting daarvan door de gemachtigde van verweerder op zitting, niet in geschil dat eiseres door - in elk geval - de verkrachtingen door UNITA-rebellen is getraumatiseerd als bedoeld in hoofdstuk C1/4 van de Vc 2000.

10. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres geen geslaagd beroep kan doen op het traumatabeleid, omdat eiseres een binnenlands vestigingsalternatief heeft. Immers, de omvang van het land van herkomst is groot en de gebeurtenissen zijn veroorzaakt door een rebellenbeweging, die in andere delen van het land geen feitelijke macht heeft.

11. Ter zitting heeft eiseres gewezen op het nieuwste ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 mei 2003, inzake de algemene situatie in Angola, waaruit blijkt dat naar aanleiding van het vredesproces UNITA-functionarissen zijn benoemd op overheidsfuncties. Gelet hierop stelt eiseres zich op het standpunt dat er geen onderscheid meer kan worden gemaakt tussen de overheid en de UNITA, zodat het binnenlands vestigingsalternatief niet meer kan worden tegengeworpen.

12. Ter zitting heeft verweerder met betrekking tot de samenwerking tussen de Angolese regering en de UNITA opgemerkt dat de UNITA zich conformeert aan de gedragslijn van de autoriteiten. De UNITA is opgenomen in de regering, maar maakt niet feitelijk de dienst uit. Gelet hierop acht verweerder het dan ook niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer nog problemen van de zijde van de UNITA zal ondervinden, aangezien dit niet de nieuwe machthebber is geworden.

13. De rechtbank is van oordeel dat het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 mei 2003 nieuwe feiten en omstandigheden zijn in de zin van artikel 83 van de Vw 2000. Op grond van artikel 83, derde lid, van de Vw 2000 heeft de rechtbank na de zitting verweerder in de gelegenheid gesteld om over de ingeroepen feiten en omstandigheden schriftelijk een standpunt te bepalen.

14. Bij brief van 21 oktober 2003 heeft verweerder aangegeven dat het standpunt dat op de zitting is verwoord - zoals hierboven weergegeven onder V.12 - gehandhaafd blijft. De ingeroepen feiten en omstandigheden vormen geen aanleiding om het bestreden besluit te wijzigen dan wel in te trekken.

15. De rechtbank stelt vast dat in het genoemde ambtsbericht van 14 mei 2003 verslag is gedaan van de resultaten van het vredesproces in Angola, dat heeft geresulteerd in een Memorandum of Commitment for the Final Implementation of the Protocol. Het Memorandum is op 26 augustus 2002 door de Angolese regering en UNITA ondertekend. Enkele belangrijke afspraken uit dit Memorandum zijn inmiddels gerealiseerd:

- toewijzing van faciliteiten aan UNITA;

- benoeming van UNITA-functionarissen voor posten in de provinciale- en districtsoverheden, ambassadeurschappen en andere overheidsfuncties;

- omvorming van de UNITA tot een politieke partij;

- maken van afspraken over het verkiezingsproces.

Inmiddels zijn leden van UNITA opgenomen in het nieuwe kabinet.

16. De rechtbank overweegt dat uitgangspunt van het traumatabeleid van verweerder is dat van een getraumatiseerde vreemdeling niet kan worden gevergd dat hij terugkeert naar het land van herkomst, waar hij de traumatische ervaringen heeft opgedaan. De ratio van het traumatabeleid is - zo begrijpt de rechtbank - dat een getraumatiseerde vreemdeling gevrijwaard moet blijven van (her)beleving van het trauma, hetgeen bijvoorbeeld door confrontatie met (onder meer) personen, situaties of plaatsen kan worden veroorzaakt. Door verweerder wordt dan ook geen binnenlands vestigingsalternatief tegengeworpen indien de traumatische ervaringen door (toedoen van) de centrale overheid zijn veroorzaakt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat UNITA thans niet (feitelijk) deel uitmaakt van de centrale regering en dit standpunt gemotiveerd met de hierboven onder V.12 aangehaalde stellingen. Deze stellingen vinden in de hierboven aangehaalde informatie uit het ambtsbericht geen bevestiging. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven dat er geen concrete stukken of informatiebronnen zijn die de stellingen van verweerder onderbouwen. Verweerder heeft dan ook de vraag, of UNITA thans feitelijk deel uitmaakt van de centrale overheid, negatief beantwoord zonder deugdelijke motivering. Voorts heeft verweerder, voor zover UNITA niet geacht zou moeten worden deel uit te maken van de centrale overheid, gezien bedoelde informatie evenmin voldoende gemotiveerd dat UNITA in (andere) delen van Angola geen macht uitoefent, welke delen van het land dit betreft, noch dat de centrale overheid bescherming kan en wil bieden. De rechtbank hecht hier vooral aan, omdat - in het licht van de ratio van het traumatabeleid - een redelijke uitleg van de door de centrale overheid te bieden bescherming zou zijn dat de centrale overheid in staat en bereid is om eiseres te vrijwaren van bijvoorbeeld confrontaties met personen die door eiseres in verband worden gebracht met de traumatische gebeurtenissen. Dit alles in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan eiseres een binnenlands vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen.

17. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

18. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

VI. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met in-achtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

Gewezen door mr. K. Engel-Mans, voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier en openbaar gemaakt op: 30 december 2003

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 30 december 2003

Conc.: AZ

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.