Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO2859

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-12-2003
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/1573 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2002 heeft de Académie Nantes, gevestigd te Frankrijk, aan verweerder medegedeeld dat eiseres per 1 september 2001 geen recht heeft op een werkloosheidsuitkering, op de grond dat zij niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 03/1573 WW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 24 juli 2002 heeft de Académie Nantes, gevestigd te Frankrijk, aan verweerder medegedeeld dat eiseres per 1 september 2001 geen recht heeft op een werkloosheidsuitkering, op de grond dat zij niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht.

Bij brief van 30 juli 2002 heeft verweerder dit besluit medegedeeld aan eiseres, met vermelding van de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen bij de Académie Nantes.

Op 11 december 2002 heeft verweerder een bezwaarschrift van eiseres ontvangen, gericht tegen de brief van 30 juli 2002.

Bij besluit van 6 maart 2003 heeft verweerder zich onbevoegd verklaard om te beslissen op het door eiseres gemaakte bezwaar.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 9 april 2003, ingekomen bij de rechtbank op 14 april 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 17 november 2003 ter zitting behandeld. Eiseres en haar echtgenoot zijn verschenen. Verweerder is niet verschenen.

Motivering

Eiseres heeft de Engelse nationaliteit. Zij heeft tot september 2001 in Frankrijk gewoond, waar zij tot 1 juni 2001 werkzaam was als docente Engels. Daarna is zij werkloos geworden en ontving zij een Franse werkloosheidsuitkering.

In september 2001 is eiseres met haar echtgenoot naar Nederland gekomen en heeft zij bij verweerder een WW-uitkering aangevraagd met ingang van 1 september 2001. Aanvankelijk werd de uitkering geweigerd om reden dat het zogenoemde E303-formulier niet aan de vereisten voldeed, maar bij besluit van 6 juni 2002 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en medegedeeld dat de Franse uitkering gedurende 3 maanden zal worden uitbetaald overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 69 van de EG-Verordening nr. 1408/71.

Bij brief van 21 juni 2002 heeft verweerder aan de Franse uitvoeringsinstelling doorgegeven dat eiseres op de werkbriefjes heeft ingevuld dat zij van 1 september 2001 tot 2 december 2001 niet heeft gesolliciteerd.

Daarop is bij voornoemd besluit van de Académie Nantes van 24 juli 2002 vastgesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan de (Franse) voorwaarden voor het recht op een werkloosheidsuitkering. Dit besluit is door verweerder bij brief van 30 juli 2002 aan eiseres gezonden, waarbij is medegedeeld dat als gevolg hiervan de verstrekking van de werkloosheidsuitkering met ingang van 1 september 2001 dient te worden beëindigd.

Eiseres heeft zich bij brief, ongedateerd, ontvangen op 11 december 2002, tot verweerder gewend, omdat zij geen reactie heeft gekregen op het door haar bij de Académie Nantes ingediende bezwaar.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld niet bevoegd te zijn om op het bezwaar van eiseres te beslissen, omdat de beslissing tot beëindiging van de werkloosheidsuitkering is genomen door het Franse uitvoeringsorgaan.

In artikel 69, eerste lid, aanhef en onder b, van de EG-Verordening

nr. 1408/71 is bepaald dat een werkloze die naar een andere lidstaat gaat, tot behoud van het recht op een werkloosheidsuitkering, zich in die lidstaat als werkzoekende dient te laten inschrijven en zich aan het aldaar uitgeoefende toezicht dient te onderwerpen.

Ingevolge artikel 70, eerste lid, van genoemde Verordening wordt de uitkering verleend door het orgaan van de lidstaat waar de werkloze werk gaat zoeken.

De wijze van toepassing van genoemde Verordening is geregeld in de toepassingsverordening. Artikel 83 van deze EG-Verordening nr. 574/72 bevat nadere voorwaarden voor behoud van het recht op uitkering indien een werkloze naar een andere lidstaat gaat. Ingevolge artikel 83, eerste lid, van deze Verordening dient het "bevoegde orgaan" (het uitvoeringsorgaan van het laatste land van arbeid) een verklaring af te geven (het eerdergenoemde E303-formulier), waarop ten behoeve van het uitvoeringsorgaan van het land waar de werkloze werk gaat zoeken, de gegevens worden vermeld die nodig zijn voor het verlenen van een uitkering, zoals het bedrag en de duur ervan en de feiten waardoor het recht op uitkering kan worden gewijzigd (rubriek 5 van het E303-formulier)

In artikel 83, derde lid, van de EG-Verordening 574/72 is voorts (onder meer) het volgende bepaald:

"Het orgaan van de plaats waarheen de werkloze zich heeft begeven verricht de controle of laat deze verrichten alsof het een werkloze betrof die uitkeringen geniet krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling. Het geeft het bevoegde orgaan bericht van ieder feit als bedoeld in lid 1, sub e), zodra het hiervan kennis heeft gekregen en het staakt onmiddellijk de betaling van de uitkering ingeval de uitkering moet worden geschorst of ingetrokken. Het bevoegde orgaan deelt onverwijld mede in welke mate en met ingang van welke datum de rechten van de werkloze door dit feit worden beïnvloed. Het betalen van de uitkeringen kan eventueel slechts worden hervat na ontvangst van deze opgaven."

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde artikelen voortvloeit dat de beslissing omtrent de gevolgen die moe(s)ten worden verbonden aan het niet of niet voldoende solliciteren door eiseres, was en is voorbehouden aan het Franse uitvoeringsorgaan. In het bijzonder kan worden gewezen op de zin

"Het bevoegde orgaan deelt onverwijld mede in welke mate en met ingang van welke datum de rechten van de werkloze door dit feit worden beïnvloed."

Hieruit volgt dat verweerder geen eigen beslissingsbevoegdheid heeft omtrent de schorsing of beëindiging van het recht op uitkering. Aangezien voorts geen bijzondere regeling is getroffen omtrent rechtsbescherming dient er van uit te worden gegaan dat bezwaar uitsluitend mogelijk was bij het Franse uitvoeringsorgaan dat het primaire besluit heeft genomen. Verweerder heeft hier terecht op gewezen in de brief van 30 juli 2002.

Dit betekent - hoe spijtig dit voor eiseres ook moge zijn - dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet hij maar de Académie Nantes bevoegd is te beslissen op het bezwaar van eiseres tegen de beëindiging van de uitkering per 1 september 2001.

Hoewel eiseres in haar bezwaarschrift heeft aangegeven dat zij geen reactie heeft gekregen van de Académie Nantes, bevindt zich bij de gedingstukken een brief aan eiseres van de Académie Nantes van 9 december 2002, waarvan op 11 december 2002 een kopie is gezonden aan verweerder (B.34).

In deze brief heeft de Académie Nantes zich - op grond van het voorafgaande naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte - op het standpunt gesteld dat de brief van 24 juli 2002 geen beslissing bevat, maar dat daarin alleen informatie is verstrekt.

De mededeling in deze brief dat verweerder niet alleen de controle op de sollicitatieplicht uitoefent, maar ook bevoegd is te beslissen tot het al dan niet beëindigen van de uitkering, moet tevens voor onjuist worden gehouden.

Uit voornoemde bepalingen van beide EG-Verordeningen kan de rechtbank geen andere conclusie trekken dan dat de beslissingsbevoegdheid in het onderhavige geval bij de Académie Nantes ligt.

Al hetgeen eiseres heeft aangevoerd kan aan het voorgaande niet afdoen.

Het besluit van verweerder van 6 juni 2002 betreft de toekenningsbeslissing, terwijl thans sprake is van een herziening van de uitkering met terugwerkende kracht, op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor behoud van de uitkering.

Voor zover eiseres van mening is dat zij wel voldoende initiatieven heeft ontplooid om werk te vinden op grond waarvan ten onrechte is besloten tot beëindiging van de uitkering, dien(t)(de) zij zich daarvoor te wenden tot het Franse uitvoeringsorgaan.

De rechtbank overweegt voorts dat niet is gebleken dat verweerder het bezwaar van eiseres van 11 december 2002 heeft doorgezonden aan de Académie Nantes dan wel over de bevoegdheidskwestie in overleg is getreden met dit orgaan. Mede gelet op voornoemde brief van de Académie Nantes van 9 december 2002 had dit in het onderhavige geval zeker in de rede gelegen. Nu beide organen zich op het standpunt stellen dat zij niet bevoegd zijn, dreigt het bezwaar van eiseres tussen wal en schip te vallen. In de begeleidende brief bij het bestreden besluit heeft verweerder wel aangeboden in Frankrijk aan te dringen op het (alsnog) in behandeling nemen van het bezwaarschrift van eiseres, doch niet is gebleken - ook niet uit verweerders brief, ingekomen bij de rechtbank per fax op 14 november 2003 - van concrete acties op dit punt. De rechtbank gaat er van uit dat verweerder zijn toezegging in de begeleidende brief bij het bestreden besluit van 6 maart 2003 alsnog gestand zal doen.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. M.M. Smorenburg, mr. D. de Loor en mr. L.B.A. Wöltgens, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2003 in tegenwoordigheid van de griffier F.P. Krijnen.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: