Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO2652

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-12-2003
Datum publicatie
03-02-2004
Zaaknummer
AWB 03/66544
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / toegangsweigering.

In casu is sprake van een besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000 en niet van een voortzetting van een eerder opgelegde maatregel. Weliswaar voert verweerder sinds enige maanden niet meer het beleid als neergelegd in hoofdstuk A5/2.2.7 Vc 2000, doch in situaties waarin een uitzetting niet slaagt en de vreemdeling naar Nederland terugkeert wordt standaard de toegang geweigerd en de maatregel ex artikel 6 Vw 2000 opgelegd. Dat verweerder het beleid heeft gewijzigd en dat deze beleidswijziging nog niet bekend gemaakt is, neemt niet weg dat de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000 is opgeheven, en de vreemdelinge opnieuw de toegang is geweigerd en verweerder mitsdien bevoegd was opnieuw de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000 op te leggen. Hoewel sprake is van een eerste beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel, kan er niet aan voorbijgegaan worden dat de vreemdelinge vrijwel onmiddellijk voorafgaand aan de oplegging van deze maatregel onderworpen is geweest aan de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000. De door de rechtbank gemaakte belangenafweging leidt tot het oordeel dat voortduring van de maatregel met ingang van heden niet langer gerechtvaardigd is te achten. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2004/117 met annotatie van PJAMB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 94 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 03 / 66544 VRONTN J

inzake: A, geboren [...] 1977, van Sierraleoonse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, hierna te noemen: de vreemdelinge,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

Zitting: 29 december 2003.

De vreemdelinge is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.M. Blaauw, advocaat te Amsterdam.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. M. Nurdogan, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te ’s-Gravenhage.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 18 december 2003 is de vreemdelinge ex artikel 3 Vw op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van de vreemdelinge is op diezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw toegepast.

1.2 Bij kennisgeving ex artikel 94, eerste lid, Vw, van 22 december 2003, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld van de vrijheidsontnemende maatregel. Ingevolge datzelfde artikellid strekt het aldus aanhangig gemaakte beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

2. Overwegingen

2.1 De ambtenaar belast met grensbewaking is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden.

2.2 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten, zoals deze uit het zogeheten procedureoverzicht en verweerders toelichting ter zitting daarop naar voren zijn gekomen. Aan de vreemdelinge is reeds eerder, op 12 december 2002, de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Op 31 oktober 2003 heeft de vreemdelinge bezwaar ingediend tegen de voorgenomen verwijdering uit Nederland. Bij uitspraak van 12 november 2003 met kenmerk AWB 03/56461 heeft deze rechtbank en nevenvestigingsplaats Haarlem het voorlaatste vervolgberoep tegen de voortduring van die maatregel ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te concluderen dat de maatregel diende te worden opgeheven, onder meer nu blijkens de ter zitting door de gemachtigde van verweerder gedane mededeling verweerder vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het aan de vreemdelinge verstrekte laissez-passer op 20 december 2001 en ook vóórdat de bewaring op 12 december 2003 een jaar zal hebben geduurd op het bezwaar van 31 oktober 2003 zal beslissen. Op 18 december 2003 is de vreemdelinge onder begeleiding van escorts uitgereisd naar Brussel, teneinde van daar uit door te reizen naar Free Town, Sierra Leone. Omdat de benodigde transport-fax door verweerder niet was verzonden, is de doorreis naar Free Town mislukt. Dientengevolge is de vreemdelinge diezelfde dag onder begeleiding van escorts per vliegtuig teruggekeerd naar Nederland. Verweerder heeft een nieuwe vlucht aangevraagd en aan de Unit Facilitering Terugkeer (UFT) is verzocht de geldigheidsduur van het laissez-passer van de vreemdelinge te laten verlengen door de vertegenwoordiging van Sierra Leone. De Koninklijke Marechaussee (Kmar) heeft verweerder meegedeeld dat de vreemdelinge op 19 januari 2004 onder begeleiding van escorts op 19 januari 2004 kan uitreizen.

2.3 De vreemdelinge heeft primair de vraag opgeworpen of er wel sprake is van een nieuwe toegangsweigering en een nieuwe maatregel. In dat verband is aangevoerd dat de uitzetting is mislukt door het ontbreken van een door verweerder te verzenden transport-fax. Nu de vreemdelinge onder begeleiding van escorts heeft gereisd is er sprake geweest van een voortzetting van de eerdere opgelegde vrijheidsontnemende maatregel en niet van een eerste beroep, omdat de vreemdelinge niet uit de macht van verweerder is geweest. Door de vreemdelinge is voorts verwezen naar het op dezelfde dag door deze rechtbank en nevenvestigingsplaats behandelde vervolgberoep bewaring, met kenmerk Awb 03/64235.

Subsidiair heeft de vreemdelinge zich op het standpunt gesteld dat indien en voor zover moet worden aangenomen dat er sprake is van een nieuw opgelegde maatregel de periode van de voorafgaande vrijheidsontnemende maatregel van 12 december 2002 tot 18 december 2003 zal moeten worden betrokken bij de te maken belangenafweging ten aanzien van de vraag of de toepassing van de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde maatregel maatregel gerechtvaardigd is. De te maken belangenafweging dient gelet op alle feiten en omstandigheden in het voordeel van de vreemdelinge uit te vallen.

2.4 Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de vreemdelinge bij haar terugkeer uit Brussel op de luchthaven Schiphol op 18 december 2003 de – verdere – toegang tot Nederland opnieuw is geweigerd en vervolgens haar de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw is opgelegd. Verweerder heeft aangegeven in situaties als de onderhavige al enige maanden het beleid te voeren dat in situaties waarin de uitzetting van een vreemdeling niet slaagt, de toegang bij terugkeer in Nederland opnieuw wordt geweigerd en een nieuwe maatregel wordt opgelegd. Voorts is ter zitting verklaard dat niet vast staat dat de uitzetting op 19 januari 2004 zal plaatsvinden, aangezien eerst nog verlenging van de geldigheidsduur van het laissez-passer verkregen dient te worden van de diplomatieke vertegenwoordiging van Sierra Leone. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder toegezegd dat, indien het niet lukt om de uitzetting op 19 januari 2004 te doen plaatsvinden, verweerder zelf de maatregel zal opheffen.

2.5 Ter zitting heeft de aldaar aanwezige broer van de vreemdelinge, B, verklaard dat hij vaste woon-en verblijfplaats heeft in C en hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Hij reist in verband met zaken regelmatig naar Gambia en bezoekt dan soms ook Sierra Leone. In januari 2004 moet hij weer voor zaken naar Afrika. Hij wil zijn zus dan begeleiden. Dat is veiliger voor haar. Tot die tijd kan zij bij hem wonen. Hij zal met haar naar de ambassade van Sierra Leone gaan voor verlenging van het laissez-passer. Dat zal geen probleem opleveren, want hij heeft goede contacten met de ambassade.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 Allereerst dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of in casu sprake is van een besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw als bedoeld in artikel 94, eerste lid, Vw en niet van voortduring van een eerder opgelegde maatregel als bedoeld in artikel 96, eerste lid, Vw. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en heeft daartoe het volgende overwogen.

2.7 In hoofdstuk A5/2.2.7 Vc is bepaald dat de vrijheidsontnemende maatregel eindigt wanneer de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten, dan wel de maatregel opgeheven wordt. Daarbij is vermeld dat indien een poging tot terugkeer door omstandigheden (bv. door verzet van de vreemdeling) niet slaagt, de oorspronkelijk opgelegde maatregel van kracht blijft en geen nieuwe plaatsingsbeschikking wordt genomen.

Naar uit het verhandelde ter zitting is gebleken, voert verweerder sinds enige maanden dit beleid niet meer, doch wordt in situaties waarin een uitzetting niet slaagt en de vreemdeling naar Nederland terugkeert standaard (opnieuw) de toegang geweigerd en (opnieuw) de maatregel ex artikel 6 Vw opgelegd.

2.8 De rechtbank merkt op dat verweerder aldus kennelijk haar beleid heeft gewijzigd, zij het dat deze beleidswijziging (nog) niet bekend gemaakt is door middel van een TBV of opname in de Vc. Dit laatste neemt echter niet weg dat in de onderhavige zaak, nadat de vreemdelinge Nederland op 18 december 2003 heeft verlaten en de op 12 december 2002 opgelegde maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw als gevolg daarvan op die datum is opgeheven, haar bij terugkeer op de luchthaven Schiphol op 18 december 2003 opnieuw de toegang is geweigerd en verweerder mitsdien bevoegd was haar opnieuw de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw op te leggen.

2.9 Vervolgens dient te worden beoordeeld of de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel na afweging van de betrokken belangen gerechtvaardigd is te achten. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

2.10 Hoewel sprake is van een eerste beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel, kan er niet aan voorbijgegaan worden dat de vreemdelinge vrijwel onmiddellijk voorafgaand aan de oplegging van deze maatregel gedurende de periode vanaf 12 december 2002 onderworpen is geweest aan de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw. De rechtbank ziet dan ook aanleiding die periode bij de hier aan de orde zijnde belangenafweging te betrekken.

2.11 De door de rechtbank gemaakte belangenafweging leidt tot het oordeel dat voortduring van de maatregel met ingang van heden niet langer gerechtvaardigd is te achten. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

Vast staat dat de vreemdelinge ruim een jaar haar vrijheid is ontnomen. Nadat de afwijzende beschikking op haar asielaanvraag op 30 december 2002 onherroepelijk is geworden, heeft het bijna een jaar geduurd voordat de feitelijke uitzetting van de vreemdelinge aan de orde was. Hoewel een eerder voorgenomen uitzetting op 2 november 2003 geen doorgang heeft gevonden omdat de vreemdelinge in verband met een door haar ingediend tweede asielverzoek een verzoek om voorlopige voorziening had ingediend, is de lange duur van de vrijheidsontnemende maatregel vanaf 12 december 2002 in overwegende mate veroorzaakt door het verzetten van afspraken en anderszins talmen door de diplomatieke vertegenwoordiging van Sierra Leone en omstandigheden aan de zijde van verweerder, zijnde omstandigheden waarop de vreemdelinge geen invloed had. Voorts is aan de zijde van de vreemdelinge geen sprake van criminele antecedenten noch van frustreren van de uitzetting. Tevens is van belang dat de vreemdelinge in Nederland kan verblijven bij haar broer, B, van Nederlandse nationaliteit en met vaste woonplaats in C. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de vreemdelinge niet aan haar vertrekplicht zal voldoen. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat opheffing van de maatregel en het verkrijgen van feitelijke toegang tot Nederland niet betekent dat de toegangsweigering van de vreemdelinge daarmee van de baan is. Tenslotte merkt de rechtbank nog het volgende op. In de jurisprudentie wordt, indien een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bestaat dat een vreemdeling op korte termijn uit Nederland zal worden verwijderd, doorgaans het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel doorslaggevend geacht. In het onderhavige geval staat weliswaar vast dat de Kmar op 19 januari 2004 een vlucht met escorts kan verzorgen, maar is allesbehalve zeker, mede gelet op de weinig voortvarende handelwijze van de autoriteiten van Sierra Leone tot nu toe, of verlenging van de geldigheidsduur van het laissez-passer alsdan geregeld zal zijn. Gelet op vorengenoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, dient het belang van de vreemdelinge bij opheffing van de maatregel zwaarder te wegen dan het belang van verweerder bij voortduring daarvan.

2.12 Het beroep is mitsdien gegrond. Nu de maatregel met ingang van heden niet langer gerechtvaardigd is geacht, is er geen reden voor toekenning van schadevergoeding.

2.13 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 322, -- (1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel ex artikel 6 Vw met ingang van 30 december 2003;

3.2 wijst het verzoek om schadevergoeding af;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322, -- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem, dient te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2003, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk als griffier.

Afschrift verzonden op: 30 december 2003

Coll:

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.