Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO2618

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2003
Datum publicatie
02-03-2004
Zaaknummer
AWB 02/66134
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Angola / alleenstaande vrouw.

Verweerder stelt te recht dat eiseres geen vluchteling is. Uit de ambtsberichten van 13 februari 2002 en 27 augustus 2002 volgt niet dat iedere vrouw zonder sociaal netwerk in Angola een reëel risico loopt bij terugkeer het slachtoffer te worden van seksueel geweld. Evenmin is gesteld of gebleken dat uit de ambtsberichten blijkt dat alleenstaande vrouwen met kinderen in Angola geen andere keus hebben dan zich door middel van prostitutie staande te houden. Nu eiseres geen relevante 'special distinguishing features' heeft aangedragen en aldus niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar persoonlijke situatie slechter is dan die van andere alleenstaande vrouwen in Angola, heeft verweerder in de ambtsberichten terecht geen grond gezien voor het oordeel dat eiseres persoonlijk bij terugkeer naar Angola een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Zutphen

Meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

Registratienummer: AWB 02/66134

Datum uitspraak: 24 november 2003

UITSPRAAK

op het beroep in het geschil tussen:

A

geboren op [...] 1980,

van Angolese nationaliteit,

eiseres,

mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen,

gemachtigde: mr. G.P.G. Willemse-Schoenmakers, advocaat te Ulft,

en

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

verweerder,

gemachtigde: mr. R. Jonkman, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2002 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij brief van 28 augustus 2002 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is behandeld ter zitting van 3 april 2003, waar eiseres en haar gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. Motivering

2.1 Op grond van artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan, voor zover van belang, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. (…).

Onder verdragsvluchteling wordt, voor zover van belang, verstaan: elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2.2 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.3 Het asielrelaas van eiseres luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

Eiseres is afkomstig uit Angola. In het begin van december 2001 is eiseresses partner, die politieagent was en vermoedelijk ook behoorde tot de Uniao Nacional para a Independencia Total de Angola (UNITA), naar zijn werk gegaan en vervolgens niet meer teruggekeerd. Op 15 december 2001 hoorde eiseres van generaal B dat haar partner was doodgeschoten, omdat hij informatie aan UNITA had verstrekt als gevolg waarvan Portugese jagers zijn gedood. De generaal vertelde eiseres dat zij beter kon vluchten, omdat zij ook verantwoordelijk werd gehouden. Eiseres is daarop ondergedoken. Op 27 januari 2002 heeft eiseres haar land verlaten.

2.4 Voor zover eiseres stelt dat zij verdragsvluchteling is, moet voorop worden gesteld dat de situatie in Angola niet zodanig is dat asielzoekers uit dat land zonder meer als verdragsvluchteling behoren te worden aangemerkt. Eiseres zal aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot haar persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die haar vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin kunnen rechtvaardigen.

2.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eiseres de gestelde vrees voor vervolging niet aannemelijk heeft gemaakt en met name niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege de activiteiten van haar echtgenoot heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin van de kant van de Angolese autoriteiten.

Verweerder heeft overwogen dat de verklaring van eiseres dat zij vreest dat zij zal worden gedood op zichzelf ontoereikend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiseres haar verklaring heeft gebaseerd op vermoedens en dat van enige concrete negatieve bejegening van eiseres door de Angolese autoriteiten niet is gebleken. De rechtbank heeft in de aangedragen beroepsgronden geen aanknopingspunten gevonden om verweerder niet in die overwegingen te volgen.

Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders standpunt dat ook op grond van eisseresses verklaringen over haar vertrek via de luchthaven van Luanda, bezien in het licht van het ambtsbericht van 13 februari 2002 (DPV/AM-743821) van de Minister van Buitenlandse Zaken, niet aannemelijk is dat eiseres in de negatieve belangstelling staat van de Angolese autoriteiten, de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Uit genoemd ambtsbericht blijkt – voor zover hier van belang - dat het Angolese regime bij de uitreis zeer nauwkeurig controleert. De verklaring van eiseres dat zij door een andere deur de luchthaven heeft verlaten en dat haar reisbegeleider - een priester - met mensen heeft gepraat, heeft verweerder niet hoeven leiden tot de conclusie dat eiseres haar land zonder problemen heeft kunnen verlaten door middel van omkoping.

2.6 Voor zover eiseres stelt dat gedwongen terugkeer naar haar land van herkomst in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 3 EVRM mag niemand onderworpen worden aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Mede gelet op het onder 2.5 overwogene heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Eiseres heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van 22 januari 2003 (AWB 02/24001, 24004 en 23997) van deze rechtbank (enkelvoudige kamer), nevenzittingsplaats Zutphen, aangevoerd dat zij, als jonge vrouw zonder sociaal netwerk, bij terugkeer naar haar land een reëel risico loopt slachtoffer te worden van seksueel geweld. Zij voert daarbij tevens aan dat juist zij dat risico loopt, omdat zij zich eerder, voor haar vertrek, aan prostitutie heeft moeten overgeven en dat zij de zorg heeft voor twee jonge kinderen. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank als volgt.

Bij uitspraak van 30 oktober 1991, RV 100/13 (Vilvarajah), heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) – voor zover hier van belang – als volgt geoordeeld:

“111. The evidence before the Court concerning the background of the applicants, as well as the general situation, does not establish that their personal position was any worse than the generality of other members of the Tamil community or other young male Tamils who were returning to their country. Since the situation was still unsettled there existed the possibility that they might be detained and ill-treated as appears to have occurred previously in the cases of some of the applicants (...). A mere possibility of ill-treatment, however, in such circumstances, is not in itself sufficient to give rise to a breach of Article 3.

112. It is claimed that the second, third and fourth applicants were in fact subjected to ill-treatment following their return (…). Be that as it may, however, there existed no special distinguishing features in their cases that could or ought to have enabled the Secretary of State to foresee that they would be treated in this way.”

Gesteld noch gebleken is dat het EHRM deze strikt individuele benadering heeft verlaten. De rechtbank volgt het EHRM hierin.

Bij uitspraak van 15 november 1996, RV 100/14 (Chahal), heeft het EHRM - voor zover hier van belang – als volgt geoordeeld: “86. It follows from the considerations (…) above that, as far as the applicant’s complaint under Article 3 is concerned, the crucial question is whether it has been substantiated that there is a real risk that Mr. Chahal, if expelled, would be subjected to treatment prohibited by that Article. Since he has not yet been deported, the material point in time must be that of the Court’s consideration of the case. It follows that, although the historical position is of interest in so far it may shed light on the current situation and its likely evolution, it is the present conditions, which are decisive.”

De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat seksueel geweld kan vallen onder de in artikel 3 EVRM verboden behandeling.

Uit de algemene ambtsberichten van 13 februari 2002 (DPV/AM-743821) en 27 augustus 2002 (DPV/AM-769409) van de Minister van Buitenlandse Zaken volgt niet dat iedere vrouw zonder sociaal netwerk in Angola een reëel risico loopt bij terugkeer het slachtoffer te worden van seksueel geweld. Evenmin is gesteld of gebleken dat uit genoemde ambtsberichten blijkt dat alleenstaande vrouwen met kinderen, als eiseres, in Angola geen andere keus hebben dan zich door middel van prostitutie staande te houden. Nu eiseres voorts geen relevante “special distinguishing features” heeft aangedragen, hoewel dat ingevolge artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 op haar weg ligt, en aldus niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar persoonlijke situatie slechter is dan die van andere alleenstaande vrouwen in Angola, heeft verweerder in de enkele in bedoelde algemene ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken neergelegde informatie over de slechte positie van alleenstaande vrouwen in Angola, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat eiseres - persoonlijk - bij terugkeer naar Angola een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling.

2.7 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder eiseres op goede gronden een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerst lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 geweigerd.

2.8 Eiseres heeft voorts ter zitting een beroep gedaan op het traumatabeleid.

Ingevolge het bepaalde onder C1/4.4.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) ziet – voor zover hier van belang – het traumatabeleid van verweerder op gevallen waarin de persoonlijke beleving van bepaalde gebeurtenissen voor een asielzoeker zodanig traumatiserend zijn geweest, dat van hem of haar niet gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst.

Aannemelijk dient te zijn – volgens genoemde paragraaf – dat de gestelde gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek van de betrokken asielzoeker uit het land van herkomst.

Verweerder heeft in het in het bestreden besluit ingelaste voornemen overwogen dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat haar vertrek uit het land van herkomst verband houdt met zodanig traumatische ervaringen dat van haar daarom in redelijkheid niet kan worden verwacht terug te keren. De rechtbank ziet in de aangedragen beroepsgronden geen grond voor het oordeel dat verweerder hierin niet gevolgd kan worden.

Eiseres heeft daarnaast bij brief van 27 september 2002 een beroep gedaan op een uitspraak van 9 augustus 2002 (AWB 02/57552) van deze rechtbank (enkelvoudige kamer), nevenzittingsplaats Zwolle, alsmede gewezen op het in die uitspraak aangehaalde ambtsbericht van 13 februari 2002 (DPV/AM-743821) van de Minister van Buitenlandse Zaken en daarbij aangevoerd dat zij bij terugkeer naar haar land van herkomst als alleenstaande vrouw zonder netwerk terecht zal komen in uiterst kritieke omstandigheden. Ter zitting heeft eiseres nog naar voren gebracht dat zij in Angola reeds als prostituee heeft moeten werken.

Ingevolge het bepaalde onder C1/4.4.2.4 Vc 2000 kunnen – voor zover hier van belang – klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst en met het asielrelaas, aanleiding geven tot verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

Het dient - volgens genoemd beleidsonderdeel - daarbij te gaan om zodanige individuele omstandigheden, dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de vreemdeling terugkeert naar het land van herkomst.

Dat eiseres een alleenstaande vrouw is, met twee jonge kinderen, die in Angola niet over een sociaal netwerk beschikt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht niet aangemerkt als een individuele omstandigheid als bedoeld in het hierboven aangehaalde beleid. De rechtbank wijst in dat verband op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 september 2002 (200204505/1).

Reeds nu niet is gebleken dat eiseres haar land heeft verlaten vanwege haar werkzaamheden als prostituee, heeft verweerder daarin evenmin grond hoeven zien eiseres een verblijfsvergunning asiel, als hier aan de orde, te verlenen.

Eiseres heeft ten slotte ter zitting een beroep gedaan op een uitspraak van 10 januari 2003 (AWB 02/2052 en 02/2054) van deze rechtbank (enkelvoudige kamer), nevenzittingsplaats Zutphen, en daarbij aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen specifiek beleid voert ten aanzien van alleenstaande vrouwen uit Angola, alsmede dat een kenbare belangenafweging ontbreekt.

Ingevolge het bepaalde onder C1/4.4.2.5 van de Vc 2000 kunnen - voor zover hier van belang – in het beleid specifieke groepen aangewezen worden, die om andere redenen dan traumata in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, aanhef, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder een zekere beoordelingsmarge toekomt bij het voeren van beleid, als bedoeld in onderdeel C1/4.4.2.5 van de Vc 2000, en dat verweerder dat beleid niet voert ten aanzien van alleenstaande vrouwen uit Angola.

Nu geen sprake is van klemmende redenen die verband houden met de redenen van vertrek, hetgeen voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, aanhef, eerste lid en onder c, van de Vw 2000 noodzakelijk is blijkens de tekst van dat artikellid, alsook de parlementaire geschiedenis daarbij (TK, 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 129), kan de algemene informatie over alleenstaande vrouwen in Angola, zoals neergelegd in onder meer het ambtsbericht van 27 augustus 2003 van de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder reeds daarom niet leiden tot het voeren van beleid, in de zin van paragraaf C1/4.4.2.5 van de Vc 2000.

2.9 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder eiseres in redelijkheid een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerst lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kunnen weigeren.

2.10 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerders besluit dat geen rechtsgrond bestaat voor verlening van een verblijfsgunning asiel voor bepaalde tijd aan eiseres toetsing in rechte kan doorstaan.

Het beroep is dan ook ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E.G. de Jong, als voorzitter, en mr. M. Engelbert-Clarenbeek en mr. J.G.J. Roelvink, rechters en door mr. E.G. de Jong in het openbaar uitgesproken op 24 november 2003 in tegenwoordigheid van mr. M.P. Schutte als griffier.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak dient te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 25 november 2003