Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO2571

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-10-2003
Datum publicatie
02-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/30698
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wav / prioriteitgenietend aanbod.

De ratio van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, Wav en artikel 9, aanhef en onder a, Wav ligt in de bescherming van prioriteitgenietend arbeidsaanbod uit Nederland en overige EER-landen. Deze ratio verhoudt zich niet met de bij artikel 7, derde lid, Verdrag tussen Nederland en Armenië inzake luchtdiensten expliciet aan de werkgever gelaten keuzevrijheid om in de behoefte van personeel hier te lande te voorzien door eigen personeel, nu de tegengeworpen weigeringsgronden deze keuzevrijheid illusoir maken. Verweerder kan evenmin worden gevolgd in de uitleg van de werking van het vierde lid van artikel 7 van dat verdrag. Het vorenstaande leidt, mede gelet op artikel 94 Grondwet, tot de slotsom dat artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, Wav en artikel 9, aanhef en onder a, Wav, zijnde niet verenigbaar met de genoemde bepalingen van artikel 7 van het Verdrag, buiten toepassing dienen te blijven. Toewijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 93
Grondwet 94
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 8
Wet arbeid vreemdelingen 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2004/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 21 Wet arbeid vreemdelingen (Wav)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 03 / 30698 WAV H

inzake: De vennootschap naar Armeens recht ARMENIAN AIRLINES, in Nederland gevestigd te Haarlemmermeer, verzoekster, hierna te noemen: de werkgever,

gemachtigde: mr. S.H.J. Roelofs, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna ook te noemen: COWI), gevestigd te Zoetermeer, verweerder,

gemachtigde: mr. H.C. Dijkstra, werkzaam bij COWI.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1. De werkgever heeft op 7 maart 2003 een aanvraag ingediend om afgifte van een tewerkstellingsvergunning ingevolgde de Wav ten behoeve van A (hierna: de werknemer), geboren op [...] 1960 en van Armeense nationaliteit, in de functie van plenipotentiary. Bij besluit van 9 mei 2003 heeft verweerder de verzochte tewerkstellingsvergunning geweigerd. De werkgever heeft op 26 mei 2003 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

1.2. Bij brief van 28 mei 2003 heeft de werkgever de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat Armenian Airlines gedurende een periode van tot en met zes weken na de te nemen beslissing op het bezwaarschrift zal worden behandeld als ware ten behoeve van haar een tewerkstellingsvergunning afgegeven. Voorts is verzocht de Staat te veroordelen in de kosten van het geding en tot vergoeding van het griffierecht.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

1.4. De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2003. Ter zitting hebben de werkgever en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

1.5. Bij brief van 10 oktober 2003 heeft verweerder aanvullende inlichtingen verschaft. Ook de werkgever heeft op 10 oktober 2003 nadere stukken overgelegd. Met instemming van partijen is het onderzoek daarna gesloten.

2. OVERWEGINGEN

2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Standpunt van partijen

2.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7, tweede en derde lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Armenië inzake luchtdiensten, met Bijlage (Trb. 2000/2) het recht toekomt om de werknemer op Nederlands grondgebied arbeid te laten verrichten. De werkgever meent dat hem, als zijnde de aangewezen luchtvaartmaatschappij in de zin van het Verdrag, dit recht toekomt en dat de bepalingen uit de Wav hem niet mogen worden tegengeworpen voor zover zij afbreuk doen aan het hem op grond van het Verdrag toekomende recht. De op grond van de Wav gevraagde tewerkstellingsvergunning ten behoeve van de werknemer moet mitsdien zondermeer verleend worden. Daarnaast doet de werkgever een beroep op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar eerder aan hem verleende tewerkstellingsvergunningen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bepalingen uit de Wav in het onderhavige geval onverkort van toepassing zijn. Verweerder meent dat het vierde lid van artikel 7 van het Verdrag zulks stipuleert.

Het wettelijk kader

2.3. Artikel 7 van het Verdrag luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

2. Het is de aangewezen maatschappij van de ene Verdragsluitende Partij toegestaan om haar in verband met het verzorgen van luchtvervoer benodigde leidinggevend, commercieel, operationeel en technisch personeel te zenden naar en te doen verblijven op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij;

3. In deze behoefte aan personeel naar keuze van de aangewezen maatschappij kan worden voorzien door eigen personeel of door gebruikmaking van diensten van een andere organisatie, onderneming of luchtvaartmaatschappij die werkzaam is op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij en die gemachtigd is dergelijke diensten te verlenen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij;

4. De bovengenoemde activiteiten worden verricht in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de andere Verdragsluitende partij.

Artikel 93 van de Grondwet luidt als volgt:

Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

Artikel 94 van de Grondwet luidt als volgt:

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Artikel 2 van de Wav luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Het is een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Artikel 8 van de Wav luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Een tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd:

b. indien het een arbeidsplaats betreft waarvan de beschikbaarheid niet ten minste vijf weken vóór het indienen van de aanvraag aan de Centrale organisatie werk en inkomen is gemeld.

Artikel 9 van de Wav luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Een tewerkstellingsvergunning kan worden geweigerd:

a. indien de werkgever niet kan aantonen voldoende inspanningen te hebben gepleegd de arbeidsplaats door prioriteitgenietend op de arbeidsmarkt beschikbaar aanbod te vervullen.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

2.4 De voorzieningenrechter stelt vast dat de bepalingen van het Verdrag voor Nederland op 1 juli 2002 in werking zijn getreden, dat de werkgever de aangewezen luchtvaartmaatschappij is in de zin van dit Verdrag en dat niet in geschil is dat de werknemer behoort tot het in verband met het verzorgen van luchtvervoer benodigd personeel, als omschreven in het tweede lid van artikel 7, voornoemd.

Voorts zijn naar zijn voorlopig oordeel de belangen van particulieren rechtstreeks betrokken bij de uitvoering van het Verdrag en zijn de leden 2, 3 en 4 van artikel 7 zodanig concreet geformuleerd dat deze bepalingen zonder meer in de Nederlandse rechtsorde als objectief recht kunnen functioneren. Gelet hierop, zijn, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, de in dit geschil aan de orde zijnde leden 2, 3 en 4 van artikel 7 van het Verdrag een ieder verbindende bepalingen in de zin van artikel 93 van de grondwet, voornoemd.

2.5 Verweerder heeft zijn weigering om de werkgever de gevraagde tewerkstellingsvergunning te verlenen gebaseerd op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, Wav en artikel 9, aanhef en onder a, Wav, voornoemd.

De ratio van deze bepalingen ligt in de bescherming van prioriteit genietend arbeidsaanbod uit Nederland en overige EER-landen. Immers, uit het door verweerder uitgegeven Vademecum Wet arbeid vreemdelingen 2002 blijkt dat met de in de Wav opgenomen dwingende en facultatieve weigeringsgronden wordt beoogd zoveel mogelijk vacatures te laten vervullen met arbeidsaanbod uit Nederland en de overige EER-landen en slechts dan tewerkstellingsvergunningen af te geven aan vreemdelingen van buiten de EER als dat echt noodzakelijk is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter verhoudt deze ratio van de tegengeworpen dwingende weigeringsgrond ex artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, en de facultatieve weigeringsgrond ex artikel 9, aanhef en onder a, Wav zich niet met de bij artikel 7, derde lid, van het Verdrag expliciet aan de werkgever gelaten keuzevrijheid om in de behoefte van personeel hier te lande te voorzien door eigen personeel. Immers, de tegengeworpen weigeringsgronden maken deze keuzevrijheid illusoir. Om dezelfde reden kan verweerder evenmin worden gevolgd in de door hem voorgestane uitleg van de werking van het vierde lid van artikel 7.

2.6 Het vorenstaande leidt, mede gelet op artikel 94 van de Grondwet, voornoemd, de voorzieningenrechter tot de slotsom dat artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, Wav en artikel 9, aanhef en onder a, Wav, als zijnde niet verenigbaar met de genoemde bepalingen van artikel 7 van het Verdrag, buiten toepassing dienen te blijven.

2.7 Gegeven deze conclusie behoeven de overige door de werkgever aangedragen argumenten geen bespreking meer.

2.8 Aangezien overigens niet is gebleken van gronden die tot weigering van de vergunning hebben te leiden, komt het verzoek om voorlopige voorziening voor inwilliging in aanmerking.

2.9 In dit geval ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door de werkgever gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 644, -- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.10 De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat verweerder aan de werkgever het voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht ad € 232,-- zal vergoeden.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de werkgever voor de periode tot

en met zes weken na de te nemen beslissing op het bezwaarschrift van 26 mei 2003 dient te worden behandeld als ware hem een tewerkstellingsvergunning verleend;

3.2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de werkgever moet voldoen;

3.3. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door de werkgever betaalde griffierecht ad € 232,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.C.C. van de Schepop, voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2003, in tegenwoordigheid van E.H. Mazel als griffier.

afschrift verzonden op: 28 oktober 2003

Coll:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.