Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO2151

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
29-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/45233
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid asielrelaas.

Verweerder heeft het bestreden besluit primair gebaseerd op het oordeel dat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig is en subsidiair op het oordeel dat het asielrelaas onvoldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. De rechtbank overweegt dat het primaire en het subsidiaire standpunt los van elkaar staan en ieder op zich een zelfstandige grondslag voor het bestreden besluit vormen. Door direct te beoordelen of het subsidiaire standpunt het besluit kan dragen treedt de rechtbank derhalve niet buiten de grondslag van het besluit noch buiten de omvang van het geschil. De belangen van eiser worden hierbij niet geschonden, omdat de rechtbank de geloofwaardigheid van het asielrelaas tot uitgangspunt neemt. Evenmin worden de belangen van verweerder geschonden, aangezien de beoordeling van de geloofwaardigheid alleen in het midden kan worden gelaten als het subsidiaire standpunt van verweerder het besluit kan dragen. Bovendien heeft eiser ter zitting verklaard zich te kunnen vinden in het standpunt van verweerder dat het relaas onvoldoende zwaarwegend is voor een beroep op vluchtelingschap dan wel artikel 3 EVRM. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 02/45233

Datum uitspraak: 15 oktober 2003

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1985,

van Togolese nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. A. Portier,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(voorheen: de Staatssecretaris van Justitie),

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder,

gemachtigde mr. A. van Dijck.

Het procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 17 september 2001 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 12 juni 2002 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 7 juli 2003. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Gezien de gronden van het beroep heeft de rechtsstrijd betrekking op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgronden.

3. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag, kort weergegeven, het volgende naar voren gebracht. Eiser is afkomstig uit Togo en werkte op de markt, waar hij de goederen die mensen op de markt hadden gekocht, met een karretje naar hun auto bracht. Toen hij op een dag voor een jongen een zak moest wegbrengen, werd hij samen met deze jongen opgepakt. Tijdens zijn detentie werd eiser meerdere malen verhoord en mishandeld en gemarteld. Eiser heeft de gevangenis weten te ontvluchten en heeft hierop zijn land van herkomst verlaten.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Ten eerste twijfelt verweerder aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser. Voorts is volgens verweerder niet aannemelijk dat eiser wordt gezien als tegenstander van de autoriteiten. Verweerder acht geen gronden aanwezig voor toelating van eiser op grond van het traumatabeleid.

5. Eiser heeft het standpunt van verweerder met betrekking tot de geloofwaardigheid van zijn verklaringen gemotiveerd betwist. Eiser meent dat hij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel onder b of c van de Vw 2000.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. De rechtbank constateert dat verweerder het bestreden besluit primair heeft gebaseerd op het oordeel dat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig is, subsidiair op het oordeel dat het asielrelaas onvoldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. Zo blijkt ook uit het verweerschrift, waarin wordt gesteld dat voor zover van de juistheid van eisers verklaringen dient te worden uitgegaan, verweerder het standpunt handhaaft dat niet aannemelijk is dat eiser in Togo in de bijzondere negatieve belangstelling van de autoriteiten staat.

8. Vooropgesteld dient te worden dat de rechtbank in het onderhavige geval het primaire standpunt van verweerder in het midden zal laten en direct zal beoordelen of het subsidiaire standpunt het besluit kan dragen. De rechtbank overweegt hiertoe dat het primaire en het subsidiaire standpunt los van elkaar staan en ieder op zich een zelfstandige grondslag voor het bestreden besluit vormen, zodat de rechtbank door deze wijze van beoordelen noch buiten de grondslag van het besluit noch buiten de omvang van het geschil treedt.

9. De belangen van eiser worden door deze wijze van beoordelen niet geschaad omdat de rechtbank de geloofwaardigheid van het asielrelaas veronderstellenderwijs en dus niet bij wijze van rechtsoordeel als uitgangspunt neemt. Bovendien is de rechtbank volgens de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State niet gehouden alle beroepsgronden te bespreken, indien het reeds op voorhand duidelijk is dat deze niet kunnen leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Evenmin worden de belangen van verweerder geschonden, aangezien de beoordeling van de geloofwaardigheid alleen in het midden kan worden gelaten als het subsidiaire standpunt van verweerder het besluit kan dragen.

10. Bovendien acht de rechtbank in dit verband mede van belang dat de gemachtigde van eiser ter zitting heeft verklaard zich te kunnen vinden in het standpunt van verweerder dat het relaas onvoldoende zwaarwegend is voor een beroep op vluchtelingschap dan wel artikel 8 van het EVRM, aangezien niet aannemelijk is dat eiser in de bijzondere negatieve belangstelling staat van de Togolese autoriteiten.

11. Nu niet langer in geschil is dat eiser niet in de bijzondere negatieve belangstelling staat van de Togolese autoriteiten, heeft verweerder geen grond voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 aanwezig hoeven achten.

12. Met betrekking tot eisers beroep op het traumatabeleid overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens het besluit van 14 mei 2002 worden de overwegingen uit het voornemen van 15 februari 2002 overgenomen en dienen zij als in het besluit ingelast te worden beschouwd. Blijkens het voornemen stelt verweerder zich op het standpunt dat uit eisers verklaringen, noch uit overige aanwijzingen, blijkt dat zijn vertrek uit het land van herkomst, verband houdt met zodanige traumatische ervaringen, dat van hem daarom in redelijkheid niet kan worden verwacht terug te keren naar het land van herkomst. In de zienswijze van 14 maart 2002 op het voornemen heeft de gemachtigde van eiser het standpunt van verweerder betwist en zich op het standpunt gesteld dat hetgeen eiser is overkomen ongetwijfeld traumatiserend zal zijn geweest. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat in de zienswijze geen nieuwe gegevens naar voren zijn gebracht waaruit zou blijken dat eiser in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid. In de gronden van beroep heeft eiser geen argumenten naar voren gebracht waarom hij in bezit zou moeten worden gesteld van een dergelijke verblijfsvergunning.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor geen aanleiding geven voor de conclusie dat de gebeurtenissen voor eiser zodanig traumatiserend zijn geweest, dat van hem niet gevergd kan worden terug te keren naar zijn land van herkomst.

Gelet op hetgeen overigens is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om eiser niet in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid. Immers, met de enkele veronderstelling van de gemachtigde dat hetgeen eiser is overkomen ongetwijfeld traumatiserend zal zijn geweest, is op geen enkele wijze onderbouwd dat eiser zou voldoen aan de voorwaarden van het traumatabeleid.

14. Verweerder heeft derhalve geen grond voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 aanwezig hoeven achten.

15. Het beroep is derhalve ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2003 in tegenwoordigheid van J. van de Meerakker als griffier.

de griffier de rechter

Verzonden op 15 oktober 2003

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).