Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO2146

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-12-2003
Datum publicatie
02-02-2004
Zaaknummer
AWB 02/90444
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voornemenprocedure / zienswijze.

De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende zienswijze vóór de datum van bekendmaking van het bestreden besluit door verweerder is ontvangen en derhalve ten onrechte niet bij het besluit is betrokken. De stelling van verweerder dat de brief van 14 november 2002 als een onderdeel van het besluit van 7 november 2002 moet worden gezien, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Hiervoor is geen grondslag te vinden in de wet. De rechtbank is van oordeel dat niet middels een nadien gegeven schriftelijke aanvulling op het besluit kan worden afgeweken van artikel 3.115, zesde lid, Vb 2000. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: Awb 02/90444

Datum uitspraak: 8 december 2003

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1971,

van Kazachstaanse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. G.J. van der Graaf,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

gemachtigde mr. A. van Dijck.

Het procesverloop

Bij besluit van 7 november 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 11 september 2000 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 2 december 2002 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 november 2003. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Gezien de gronden van het beroep heeft de rechtsstrijd betrekking op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgronden.

3. Ter ondersteuning van haar aanvraag heeft eiseres, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiseres is afkomstig uit Alma Ati in Kazachstan. In februari 2000 heeft zij op vakantie een bekende en welgestelde ondernemer genaamd B ontmoet.

B wilde eiseres beter leren kennen, hetgeen eiseres niet wilde. Vanaf dat moment werd eiseres door B lastig gevallen. B heeft er voor gezorgd dat eiseres werd ontslagen en haar zoontje van school werd gestuurd. Eiseres heeft aangifte gedaan bij de politie en een klacht ingediend bij het OM. De politie heeft haar ertoe aangezet de klacht in te trekken en het OM heeft geen onderzoek opgestart wegens gebrek aan bewijs. Op 23 maart 2000 is eiseres door twee mannen verkracht en in het ziekenhuis beland. Eiseres vermoedt dat B daarachter zat. In juli 2000 probeerden drie mannen haar huis binnen te dringen. Een buurman kwam eiseres te hulp en is daarbij gewond geraakt en naar het ziekenhuis gebracht. Op 17 augustus 2000 heeft eiseres haar land verlaten.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het asielrelaas ongeloofwaardig is en, voor zover wel wordt uitgegaan van de geloofwaardigheid van het relaas, onvoldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. Uit het individuele ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 mei 2002 is gebleken dat de door eiseres overgelegde documenten, te weten een medische verklaring, een proces verbaal, een verklaring van de Officier van Justitie en een gerechtelijk medisch onderzoek, vervalst zijn bevonden. Gelet op de inhoud van het individuele ambtsbericht wordt getwijfeld aan de geloofwaardigheid van het relaas van eiseres. Afgezien van het voorgaande, kunnen de problemen die eiseres heeft ondervonden niet leiden tot vluchtelingschap, aangezien deze op geen enkele wijze zijn te herleiden tot één van de vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag.

Bij brief van 14 november 2002 heeft verweerder gereageerd op de aanvullende zienswijze van eiseres van 6 november 2002. Deze brief moet worden gezien als een onderdeel van het besluit.

5. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de besluitvorming door verweerder onzorgvuldig is geweest. Verweerder heeft ten onrechte de aanvullende zienswijze van eiseres van 6 november 2002 niet bij de besluitvorming betrokken. Verweerders brief van 14 november 2002, waarin verweerder alsnog reageert op de aanvullende zienswijze van 6 november 2000, doet daar niet aan af. Deze handelswijze is niet gebaseerd op de wet en de motivering van verweerder is bovendien volstrekt onvoldoende. Verder twijfelt eiseres aan de deugdelijkheid van het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het individuele ambtsbericht. Uit de geanonimiseerde onderliggende stukken van dit ambtsbericht blijkt onvoldoende door wie en op welke wijze het onderzoek is verricht. Bovendien heeft verweerder zelf aangegeven dat het individuele ambtsbericht een evidente onjuistheid bevat.

6. In geschil is allereerst of de zienswijze ten onrechte niet bij de besluitvorming is betrokken. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

7. Ingevolge artikel 3.115, zesde lid, van het Vb 2000, houdt de minister rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende schriftelijke zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daartoe niet ontoelaatbaar wordt vertraagd.

8. Niet in geschil is dat de aanvullende zienswijze van eiseres van 6 november 2002 door verweerder is ontvangen op 7 november 2002. Uit het dossier blijkt verder dat het besluit van 7 november 2002 op 8 november 2002 is toezonden aan de gemachtigde van eiseres. In geval van toezending is een besluit bekendgemaakt op de dag van terpostbezorging van dat besluit door het bestuursorgaan. Gelet hierop behoeft met een na afloop van de termijn ontvangen zienswijze slechts rekening te worden gehouden, indien de datum van ontvangst van die zienswijze gelegen is vóór de datum van bekendmaking van het besluit. De rechtbank verwijst daartoe naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 oktober 2002 (geregistreerd onder nummer 2002043861/1).

Op grond van de bovengenoemde gegevens stelt de rechtbank vast dat de aanvullende zienswijze van eiseres vóór de datum van bekendmaking van het bestreden besluit door verweerder is ontvangen en niet bij het besluit van 7 november 2002 is betrokken. De stelling van verweerder ter zitting dat de brief van 14 november 2002 van verweerder moet worden gezien als een onderdeel van het besluit van 7 november 2002 wordt door de rechtbank niet gevolgd. Voor deze stelling van verweerder is geen grondslag te vinden in de wet. Bovendien stelt de brief enkel dat de inhoud van de zienswijze verweerder geen aanleiding geeft zijn besluit van 7 november 2002 te wijzigen. De rechtbank is van oordeel dat niet middels een nadien gegeven schriftelijke aanvulling op het besluit kan worden afgeweken van artikel 3.115, lid 6 van het Vreemdelingenbesluit. Aangezien de mogelijkheid voor de vreemdeling om een zienswijze naar voren te brengen als een essentieel onderdeel moet worden beschouwd van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het besluit op de aanvraag, kan het besluit niet op grond van artikel 6:22 Awb in stand worden gelaten.

Op grond van het voorgaande overweegt de rechtbank dat verweerder ten onrechte de aanvullende zienswijze niet bij de besluitvorming heeft betrokken. Het beroep is in zoverre gegrond.

9. Hetgeen verweerder verder heeft overwogen en wat daar zijdens eiseres tegen in is gebracht, behoeft, nu niet is gebleken dat eiseres daar procesbelang bij heeft, geen verdere bespreking.

10. Het beroep is derhalve gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 3:46 van de Awb) en het vereiste dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3:2 van de Awb). Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 7 november 2002 geheel;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2003 in tegenwoordigheid van mr. N.G.M. Roothans als griffier.

de griffier de rechter

w.g. Roothans w.g. Ackermans-Wijn

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,

nevenzittingsplaats Arnhem,

Verzonden: 10 december 2003