Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO1937

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2003
Datum publicatie
04-02-2004
Zaaknummer
AWB 02/7075
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak / besluitmoratorium / ex-nunctoetsing.

De rechtbank constateert dat uit de ambtsberichten van april en oktober 2002 en van 12 mei 2003 blijkt dat Noord-Irak niet (langer) toegankelijk is voor personen afkomstig uit Centraal-Irak. De rechtbank merkt op dat een besluitmoratorium slechts is bedoeld om de beslistermijn te verlengen in die gevallen waarin nog geen besluit is genomen. In de onderhavige gevallen is een besluit genomen en is artikel 83 Vw 2000 van toepassing. Ingevolge artikel 83 Vw 2000 dienen gewijzigde feiten en omstandigheden betrokken te worden bij de beoordeling van het beroep, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. Naar het oordeel van de rechtbank is van deze uitzonderingsgevallen geen sprake. Beide partijen hebben zich kunnen uitlaten over de betreffende gewijzigde feiten en omstandigheden. Verweerder werpt derhalve ten onrechte tegen dat eisers een verblijfsalternatief hebben in Noord-Irak. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2004/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 02/7075 BEPTDN A S2

uitspraak: 19 december 2003

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1964,

verblijvende te B,

van Iraakse nationaliteit,

IND dossiernummer: 9901.01.2018,

eiser,

gemachtigde: mr. P. M. van der Roest, advocaat te Emmen,

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. K. Bijkerk, werkzaam bij de IND.

PROCESVERLOOP

Op 2 januari 1999 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan.

Bij beschikking van 8 december 1999, uitgereikt op 11 januari 2000, heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan en ambtshalve beslist aan eiser geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

Eiser heeft daartegen bij brief van 7 februari 2000 bezwaar gemaakt.

Bij beschikking van 28 december 2001 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 25 januari 2002 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. De gronden van het beroep zijn ingediend op 21 februari 2002.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 20 november 2003. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Op 3 december 2003 heeft de rechtbank besloten met toepassing van artikel 8:68 Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek te heropenen.

Verweerder heeft schriftelijk gereageerd op de door eiser ingeroepen feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83 Vw en beide partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting.

MOTIVERING

Standpunten van partijen

Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiser is afkomstig uit Baghdad, Centraal-Irak en behoort tot de bevolkingsgroep der Sabaï-Mandaï. Eiser heeft vanwege zijn religie problemen ondervonden. Bovendien is eiser vanwege zijn afkomst en religie niet toegelaten tot de universiteit. Tevens is hij tijdens zijn militaire dienst gediscrimineerd en enkele malen gestraft voor dingen die hij niet heeft gedaan. In maart 1991 is eiser gedeserteerd omdat hij tegen de oorlog met Koeweit was. Eiser heeft tot augustus 1992 bij een oom verbleven. Vervolgens heeft eiser tot december 1998 illegaal in Rusland verbleven. Eind december 1998 is eiser Nederland ingereisd.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat aan de betrouwbaarheid van eisers verklaringen ernstig wordt getwijfeld. Eiser heeft voor wat zijn gestelde verblijf in Rusland en aangaande zijn gestelde asielmotieven geen documenten overgelegd. Voorts is van belang dat eiser in eerste instantie zijn verblijf in Rusland op aanraden van zijn reisagent heeft verzwegen. Voorts kan geen geloof worden gehecht aan eisers verklaringen dat hij van augustus 1992 tot december 1998 illegaal in Rusland heeft verbleven en er verschillende werkzaamheden zou hebben verricht. Blijkens informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is langdurig illegaal wonen en werken in de Russische Federatie niet zonder meer mogelijk. Eiser heeft voorts op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij uitzetting ondanks zijn illegale status heeft kunnen voorkomen. Wat er ook zij van de geloofwaardigheid, eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft te vrezen voor vervolging vanwege desertie. Eiser valt niet onder de Antikian categorieën. Bovendien heeft eiser na zijn desertie nog geruime tijd in Irak verbleven, hetgeen niet duidt op negatieve belangstelling. Uit de door eiser afgelegde verklaringen kan niet worden afgeleid dat de ondervonden discriminatie vanwege het behoren tot de Sabaï-Mandaï zodanig is geweest dat zijn leven onhoudbaar is geworden. Derhalve is niet aannemelijk dat eiser heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag. Evenmin is aannemelijk dat er een reëel risico bestaat dat eiser bij terugkeer in het land van herkomst zal worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. De verklaringen van eiser zijn voorts niet van dien aard dat aannemelijk is dat van hem als gevolg van traumatische ervaringen, die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verwacht terug te keren naar het land van herkomst. Terugkeer van eiser naar Noord-Irak is niet van bijzondere hardheid. Het al dan niet aanwezig zijn van familie-, gemeenschaps en/of politieke banden is hierbij niet van belang.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij wel degelijk in Rusland heeft verbleven. Eiser heeft verscheidene adressen genoemd in Rusland waar hij gedurende de jaren 1992 tot december 1998 heeft verbleven. Voorts spreekt eiser vloeiend Russisch. Eiser is vanzelfsprekend niet in staat te bewijzen dat hij ambtenaren heeft omgekocht om illegaal in Rusland te kunnen verblijven. Na eisers desertie hebben de autoriteiten diverse malen huiszoeking gedaan bij eisers ouders en zusters. Eisers ouders zijn verhuisd en hebben smeergeld betaald aan militairen om niet te worden lastiggevallen. Eiser is vanwege het feit dat hij behoort tot de Sabaï-Mandaï bevolkingsgroep ernstig gediscrimineerd. Eiser is op verschillende manieren achtergesteld en de discriminatie is onhoudbaar voor hem geworden. Een gedwongen terugkeer naar Irak leidt tot aanhouding en arrestatie nu eiser al tien jaar weg is uit Irak. Tevens zal aan het licht komen dat eiser op de lijst van deserteurs staat en dit zal voor eiser noodlottige gevolgen hebben. Eiser beschikt als Sabaï-Mandaï niet over een vestigingsalternatief in Noord-Irak. Eiser heeft in dit verband verwezen naar uitspraken van de arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle van 21 december 2001, AWB 00/178 en van 13 november 2000 AWB 00/2210 en van nevenzittingsplaats Haarlem van 5 juni 2000, AWB 99/6657.

Eiser heeft daar nimmer verbleven en heeft in het geheel geen banden in Noord-Irak.

Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrond verklaring van het beroep. De goede procesorde verzet zich ertegen dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening houdt met de onzekere situatie in Irak, althans de afdoening van de onderhavige zaak zou hierdoor ontoelaatbaar worden vertraagd. Derhalve meent verweerder dat de bestreden beschikking in dit geval dient te worden getoetst naar het moment dat deze is genomen (ex tunc).

Beoordeling van het beroep

Onder meer gelet op het bepaalde in het Koninklijk Besluit van 22 juli 2002, gepubliceerd in de Staatscourant van 25 juli 2002, nr. 140, is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Justitie. Daar waar in deze uitspraak voor wat betreft de periode tot 22 juli 2002 wordt gesproken van verweerder dient te worden bedacht dat hiermede wordt bedoeld de (voormalige) Staatssecretaris van Justitie, wiens handelingen en besluiten, voor zover deze tot stand zijn gekomen voor 22 juli 2002, rechtens dienen te worden toegerekend aan voornoemde Minister.

In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking van 28 december 2001 toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495; verder: Vw 2000) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is de Vw (oud) ingetrokken (art. 122 Vw 2000).

Ingevolge het bepaalde in artikel 118, tweede lid, Vw 2000 blijft op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de Vw (oud) dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. De Vw 2000 voorziet niet in een expliciete regeling van overgangsrecht met betrekking tot het toepasselijke materieelrechtelijke rechtsregime voor de te nemen beslissing op bezwaar. Aangezien verweerder in de bezwaarfase, op de voet van artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb), tot een volledige heroverweging van het besluit in primo is overgegaan en daarbij, overeenkomstig vaste bestuursrechtelijke uitgangspunten, ook het nieuwe materiele recht heeft moeten toepassen, tenzij dit ten nadele zou zijn van degene die bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit in primo, zal de hierboven genoemde toets materieelrechtelijk plaatsvinden aan de hand van de Vw 2000. Eerst na deze toetsing zal de rechtbank bezien of het rechtsregime zoals dat luidde ten tijde van de aanvraag voor eiser als gunstiger valt aan te merken en in hoeverre verweerder toepassing had dienen te geven aan dat rechtsregime.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 (Trb. 1954, 88) betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) en bijbehorend Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), wordt een vreemdeling als vluchteling aangemerkt indien deze uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Irak zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is. De rechtbank ziet zich derhalve allereerst gesteld voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig is. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord en overweegt hieromtrent als volgt.

Verweerder heeft zakelijk weergegeven en voor zover van belang overwogen dat eiser geen documenten heeft overgelegd ten aanzien van zijn gestelde verblijf in Rusland en zijn asielmotieven, dat het niet geloofwaardig is dat eiser langdurig illegaal in Rusland heeft gewoond en gewerkt en dat evenmin geloofwaardig is dat eiser na zijn detentie in Rusland niet is uitgezet. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f van de Vw 2000. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder voorts te kennen gegeven dat het ontbreken van documenten ter staving van eisers asielrelaas en zijn gestelde verblijf in Rusland niet langer aan eiser wordt tegengeworpen. Verweerders conclusie dat vanwege het ontbreken van documenten op voorhand afbreuk wordt gedaan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas wordt door verweerder mitsdien niet gehandhaafd.

Verweerder heeft aan zijn primaire stelling name eveneens ten grondslag gelegd dat niet geloofwaardig is dat eiser langdurig illegaal heeft gewoond en gewerkt in de Russische Federatie. Verweerder heeft zich gebaseerd op een telefoonnotitie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 19 november 1999. Bij verweerschrift van 7 november 2003 heeft verweerder zijn standpunt in de bestreden beschikking genuanceerd in die zin dat langdurig illegaal verblijf in de Russische Federatie wel mogelijk is, zolang geen contact heeft plaatsgevonden met een formele instantie aldaar. Nu eiser volgens zijn eigen verklaring wel contact gehad met de autoriteiten, gezien zijn detentie gedurende zijn verblijf in de Russische Federatie, handhaaft verweerder niettemin zijn standpunt.

Uit het dossier blijkt evenwel dat eiser blijkens zijn eigen verklaringen gedetineerd is geweest in Odessa, Oekraïne, zodat enkel uit deze detentie niet kan worden afgeleid dat eiser contacten heeft gehad met formele instanties in de Russische Federatie. Verweerder kan zich derhalve niet op de gebezigde argumenten op het standpunt blijven stellen dat eisers langdurig illegaal verblijf in de Russische Federatie niet geloofwaardig is.

De rechtbank komt op grond van het vorenoverwogene tot het oordeel dat het primaire standpunt van verweerder onvoldoende is gemotiveerd en de conclusie dat het relaas ongeloofwaardig is niet kan dragen.

Het subsidiaire onderdeel van het besluit houdt in dat, ook als wel wordt uitgegaan van de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas, het relaas onvoldoende zwaarwegend is.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden heeft overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat eiser zich in de negatieve belangstelling van de autoriteiten heeft geplaatst. Niet aannemelijk is dat eiser vanwege zijn desertie voor vervolging van de zijde van de autoriteiten heeft te vrezen. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 april 2001 blijkt dat er in geval van dienstweigering en desertie slechts lichte straffen worden opgelegd die in het algemeen niet uitkomen boven enkele maanden detentie. Bovendien dient gewicht te worden toegekend aan de omstandigheid dat eiser, ondanks zijn desertie, nog gedurende anderhalf jaar bij zijn oom in Irak heeft verbleven, zonder dat in die periode van enige belangstelling van de zijde van de autoriteiten voor hem is gebleken. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging vanwege de omstandigheid dat hij behoort tot de bevolkingsgroep der Sabaï-Mandaï. Niet is gebleken dat er ten aanzien van eiser sprake is geweest van een zodanige discriminatie dat het leven van eiser onhoudbaar zou zijn geworden. Gezien het voorgaande is het niet aannemelijk dat eiser zich in een situatie zou bevinden waarin sprake is van vervolging in de zin van het Verdrag.

Eiser kan derhalve niet aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 een aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

Het is, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aannemelijk dat eiser gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zodat eiser aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van eiser kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst. Eiser kan derhalve aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

Met betrekking tot artikel 29 eerste lid onder d van de Vw heeft verweerder in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat van eiser weliswaar niet gevergd kan worden dat hij terugkeert naar Centraal-Irak, maar dat eiser een verblijfsalternatief heeft in Noord-Irak. Eiser heeft artikel 83 Vw ingeroepen en zich beroepen op de ambtsberichten van april en oktober 2002 die hebben geleid tot het instellen van een beleid van categoriale bescherming. Verweerder heeft dienaangaande, bij verweerschrift, het standpunt ingenomen dat artikel 83 niet dient te worden toegepast vanwege de onzekere situatie die na de oorlog in Irak is ontstaan, onder verwijzing naar het besluitmoratorium dat ten aanzien van Irak is ingesteld.

Voorts heeft verweerder, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk laten weten dat de ingeroepen feiten en omstandigheden geen aanleiding zijn voor intrekking of wijziging van het bestreden besluit, als bedoeld in artikel 83, derde lid Vw 2000.

De rechtbank constateert dat uit de tot op heden aanwezige ambtsberichten van 9 april en 23 oktober 2002, geactualiseerd tot 20 maart 2003 bij het ambtsbericht van 12 mei 2003, blijkt dat Noord-Irak niet (langer) toegankelijk is voor personen afkomstig uit Centraal-Irak. Verweerder is deze mening ook toegedaan en heeft op grond van de inhoud van de ambtsberichten van 9 april 2002 en oktober 2002 besloten ten aanzien van personen afkomstig uit Centraal-Irak over te gaan tot een beleid van categoriale bescherming. Dit beleid geldt nog steeds. Er zijn geen ambtsberichten, noch stelt verweerder zich op het standpunt dat er informatie is, waaruit blijkt dat Centraal-Irakezen thans wel toegang hebben tot Noord-Irak. Ook uit de informatie die is vervat in de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 juni 2003, waarop de minister zijn besluitmoratorium baseert, blijkt dit niet.

De rechtbank merkt voorts op dat een besluitmoratorium slechts is bedoeld om de beslistermijn te verlengen in die gevallen waarin nog geen besluit is genomen. In het onderhavige geval is, nog daargelaten dat de aanvraag dateert van voor invoering van de Vw 2000 en er ten tijde van onderhavige aanvraag nog geen besluitmoratorium bestond, een besluit genomen en dient, in beginsel met toepassing van artikel 83 Vw een oordeel over dit besluit te worden gegeven.

Ingevolge artikel 83 dienen gewijzigde feiten en omstandigheden betrokken te worden bij de beoordeling van het beroep, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of tenzij toepassing van artikel 83 tot ontoelaatbare vertraging in de afdoening aanleiding zou vormen. Naar het oordeel van de rechtbank is van deze uitzonderingsgevallen geen sprake. Beide partijen hebben zich kunnen uitlaten over de betreffende gewijzigde feiten en omstandigheden, terwijl uit de voor handen zijnde ambtsberichten duidelijk is dat personen afkomstig uit Centraal-Irak, zoals eiser, geen toegang hebben tot Noord-Irak. Verweerder neemt niet het standpunt in dat eiser thans wel een verblijfsalternatief in Noord-Irak heeft.

Verweerder werpt aan eiser derhalve ten onrechte tegen dat hij een verblijfsalternatief heeft in Noord-Irak. Het beroep is, in zoverre aan eiser een vergunning op grond van artikel 29 eerste lid onder d is onthouden, gegrond.

Nu niet gesteld of gebleken is dat toepassing van de voor 1 april 2001 geldende regelgeving met betrekking tot de toelating als vluchteling dan wel de verlening van een (voorwaardelijke) vergunning tot verblijf leidt tot een voor eiser gunstiger resultaat dan onder het thans geldende rechtsregime, was verweerder niet gehouden toepassing te geven aan het oude rechtsregime.

Het beroep is derhalve gegrond.

Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding.

BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking van 28 december 2001;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad EUR 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2003 in tegenwoordigheid van mr. S. Derks als griffier.

Afschrift verzonden: 24 december 2003