Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO1724

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2003
Datum publicatie
14-01-2004
Zaaknummer
206345
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(...) Verzoeksters menen dat de verzochte omgangsregeling in het belang van beide minderjarigen is nu tussen hen en verzoeksters een hechte relatie bestaat welke dient te worden bestendigd. Ter terechtzitting hebben verzoeksters gesteld dat zij zich zien als vervanger van de vader. Zij hebben aangegeven wel aandacht voor de gelijke behandeling ten aanzien van de twee andere kinderen uit het gezin te hebben, maar dat hun belangstelling toch voornamelijk uitgaat naar hun neefjes.

De moeder meent dat de verzochte omgangsregeling niet in het belang van de minderjarigen en dat van het nieuwe gezinsleven is, omdat de voorkeur van verzoeksters voor de minderjarigen ten opzichte van de twee kinderen van haar huidige partner de nodige spanningen veroorzaakt in het nieuw samengestelde gezin. Begrip voor het nieuwe gezinsleven van de minderjarigen ontbreekt volgens de moeder aan de zijde van verzoeksters. Voorts voert de moeder aan dat de band die verzoeksters zeggen te hebben met de minderjarigen niet de band van de vader met zijn kinderen kan vervangen. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Familie- en Jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Vaststelling omgangsregeling

rekestnummer : 03-5014

zaaknummer : 206345

datum beschikking : 19 december 2003

BESCHIKKING op het op 3 september 2003 ingekomen verzoek van:

[verzoekster 1],

zus van de vader en tante van de betreffende minderjarigen,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. P.C. Burger

en

[verzoekster 2],

zus van de vader en tante van de betreffende minderjarigen,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. P.C. Burger.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[belanghebbende 1],

de moeder,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. F.A.E. Ohlenroth,

en

[belanghebbende 2],

de vader,

wonende te [woonplaats], [staat], Verenigde Staten van Amerika

procureur: -.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het daartegen ingediende verweerschrift.

Op 28 november 2003 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen de tantes en de moeder, beiden vergezeld van hun procureur.

BEOORDELING

De als belanghebbenden genoemde vader en moeder hebben geruime tijd een affectieve relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd in juni 2000, en zijn de ouders van de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], en

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

De vader heeft de beide minderjarigen erkend en is na het beëindigen van de relatie met de moeder naar de Verenigde Staten van Amerika geëmigreerd. Beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen die bij de moeder verblijven.

Verzoeksters zijn zussen van de vader en dus tantes van de minderjarigen.

Het verzoek strekt tot het treffen van een regeling inzake de omgang tussen verzoeksters en de minderjarigen van een weekeinde per veertien dagen van vrijdagmiddag 18.00 uur tot zondagmiddag 18.00 uur, alsmede de helft van de vakanties waarbij de minderjarigen de feestdagen afwisselend bij de moeder en bij verzoeksters zullen doorbrengen. Tevens strekt het verzoek ertoe te bepalen dat de moeder verzoeksters in elk geval vier keer per jaar schriftelijk zal informeren omtrent gewichtige aangelegenheden zoals de gezondheid van de minderjarigen alsmede de behaalde schoolresultaten, waarbij kopieën van de schoolrapporten aan verzoeksters zullen worden toegestuurd.

De moeder voert hiertegen verweer. De vader heeft zich bij brief van 30 augustus 2003 akkoord verklaard met de door verzoeksters verzochte omgangsregeling.

Feiten

Nadat de ouders van de minderjarigen hun relatie hadden verbroken, hebben de moeder en de minderjarigen enige tijd bij één van verzoeksters in huis gewoond totdat de moeder een eigen huis kreeg toegewezen. In het najaar van 2000 is de moeder tezamen met de minderjarigen en haar nieuwe partner voor een periode van twee jaar naar Limburg verhuisd. Verzoeksters bezochten het gezin, waartoe ook twee kinderen uit de vorige relatie van de partner behoren, eens in de drie weken. Zij haalden de minderjarigen dan op om bij hen te logeren of zij bleven een hele dag bij het gezin. Ook in de vakanties logeerden de minderjarigen vaak enige tijd bij verzoeksters. Na de terugkeer van het gezin van Limburg naar Leiden paste één van verzoeksters iedere week een vaste dag op de beide minderjarigen waarbij één van hen ook bij verzoekster bleef slapen. Er werd ook met enige regelmaat op andere dagen opgepast. Op of omstreeks 11 april 2003 heeft zich een incident tussen verzoeksters en de moeder en haar nieuwe partner voorgedaan, als gevolg waarvan het contact tussen verzoeksters en de minderjarigen is verbroken. Dat incident betreft een melding door verzoeksters aan het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK).

Standpunten partijen

Ter zake van het incident hebben verzoeksters aangevoerd dat de minderjarige [minderjarige 1] twee blauwe ogen, een bloeduitstorting en een blauwe plek in zijn nek had, welk letsel door de nieuwe partner van de moeder zou zijn toegebracht. Dit heeft ertoe geleid dat verzoeksters aan het AMK hun zorgen over de minderjarigen hebben geuit.

De moeder stelt dat het - naar haar mening ten onrechte - inschakelen van het AMK de verhoudingen tussen partijen dermate heeft verstoord dat de omgang tussen de families niet langer in goede harmonie kan plaatsvinden. Zij stelt dat de beschrijving van het incident volstrekt uit zijn verband is gehaald en dat het incident dermate onbetekenend was dat het AMK geen verdere actie heeft ondernomen. Het aanbieden van excuses aan haar partner was op zijn plaats geweest. Nu is het daarvoor echter te laat, aldus de moeder.

Omgangsregeling

Verzoeksters hebben gesteld in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarigen te staan, bij te dragen aan hun verzorging en opvoeding en deel uit te maken van hun gezinsleven. Volgens verzoeksters mist de grootmoeder-vaderszijde met wie het contact eveneens is verbroken de beide minderjarigen zeer, net als verzoeksters.

De rechtbank is van oordeel dat verzoeksters ontvankelijk zijn in hun verzoek tot het treffen van een omgangsregeling. Uit de concrete feitelijke omstandigheden blijkt immers dat verzoeksters een intensief contact hebben gehad met de minderjarigen en - zeker direct na het uit elkaar gaan van vader en moeder - een belangrijke rol hebben gespeeld in het gezin van de moeder. Ook nadat de moeder en de minderjarigen een nieuw gezin zijn gaan vormen met de nieuwe partner van de moeder en zijn kinderen, hebben verzoeksters nog enkele jaren regelmatig contact met de minderjarigen gehad en met enige regelmaat hand- en spandiensten, zoals opvang van de minderjarigen, verleend in het nieuwe gezin. Deze omstandigheden leiden de rechtbank tot de conclusie dat tussen verzoeksters en de minderjarigen een zodanige nauwe persoonlijke betrekking bestaat dat de rechtbank zal onderzoeken of plaats is voor de verzochte omgangsregeling.

Verzoeksters menen dat de verzochte omgangsregeling in het belang van beide minderjarigen is nu tussen hen en verzoeksters een hechte relatie bestaat welke dient te worden bestendigd. Ter terechtzitting hebben verzoeksters gesteld dat zij zich zien als vervanger van de vader. Zij hebben aangegeven wel aandacht voor de gelijke behandeling ten aanzien van de twee andere kinderen uit het gezin te hebben, maar dat hun belangstelling toch voornamelijk uitgaat naar hun neefjes.

De moeder meent dat de verzochte omgangsregeling niet in het belang van de minderjarigen en dat van het nieuwe gezinsleven is, omdat de voorkeur van verzoeksters voor de minderjarigen ten opzichte van de twee kinderen van haar huidige partner de nodige spanningen veroorzaakt in het nieuw samengestelde gezin. Begrip voor het nieuwe gezinsleven van de minderjarigen ontbreekt volgens de moeder aan de zijde van verzoeksters. Voorts voert de moeder aan dat de band die verzoeksters zeggen te hebben met de minderjarigen niet de band van de vader met zijn kinderen kan vervangen.

De rechtbank acht aannemelijk dat de samenstelling van een nieuw gezin de nodige problemen binnen dat gezin kan meebrengen en dat de omstandigheid dat verzoeksters blijk geven van hun voorkeur voor de minderjarigen ten opzichte van de andere kinderen binnen het gezin eveneens de nodige spanningen met zich brengt. Nu de relatie tussen moeder, haar partner en verzoeksters ernstig is verstoord acht de rechtbank het niet in het belang van de minderjarigen hen bloot te stellen aan spanningen die ongetwijfeld zullen voortvloeien uit een opgelegde omgangsregeling. Daarbij neemt de rechtbank ook de mate van verwantschap in aanmerking. De rechtbank is van oordeel dat de verzochte omgangsregeling niet past bij de verhouding tante - neefje, waarbij de rechtbank opmerkt dat verzoeksters niet de plaats van vader kunnen overnemen. De mate van contact die verzoeksters voorheen met de minderjarigen hadden doet daar niet aan af. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verzochte regeling een te grote inbreuk maakt op het huidige gezinsleven van de beide minderjarigen.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verzochte omgangsregeling niet in het belang van de minderjarigen is en zal zij het verzoek derhalve afwijzen.

Ten overvloede geeft de rechtbank partijen uitdrukkelijk in overweging te bevorderen dat herstel van het contact tussen beide families zal plaatsvinden, zodat het voor de minderjarigen in de nabije toekomst mogelijk zal zijn de familie van vaderszijde te bezoeken.

Informatieverplichting

Verzoeksters hebben aangevoerd dat artikel 1:377b BW, dat aan de niet met het ouderlijk gezag belaste ouder een recht op informatie verschaft, analoog moet worden toegepast op de onderhavige verhouding van tante van de minderjarigen. De moeder is van mening dat het verzoek om een informatieregeling moet worden afgewezen, nu de vader de aangewezen persoon is om dit verzoek te doen en verzoeksters hierbij geen belang hebben.

Volgens de letterlijke bewoordingen van artikel 1:377b BW komt het zogenoemde informatie- en consultatierecht slechts toe aan de niet met het gezag belaste ouder. Het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM leidt er echter toe dat verzoeksters - nu de rechtbank heeft geoordeeld dat van een nauwe persoonlijke betrekking sprake is - hoewel zij niet de ouders van de minderjarigen zijn, ook in dit verzoek ontvankelijk zijn. De rechtbank heeft hierbij ook acht geslagen op de wetsgeschiedenis van artikel 1:377b BW die vermeldt dat er geen onderscheid moet bestaan tussen de verschillende personen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot een kind kunnen staan. Gelet echter op de mate van verwantschap - het gaat om bloedverwanten in de derde graad - en de contacten die tussen verzoeksters en de minderjarigen hebben bestaan, waarvan de rechtbank van oordeel is dat die contacten hoewel intensief niet leiden tot de conclusie dat verzoeksters ook een belangrijke opvoedende en verzorgende taak hebben gehad, zal de rechtbank het verzoek afwijzen. Ook hier is de rechtbank van oordeel dat verzoeksters niet de plaats van de vader kunnen innemen.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen verzoeksters en de minderjarigen alsmede het verzoek om het opleggen van een informatieplicht aan de zijde van de moeder af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I. Obbink-Reijngoud, bijgestaan door M.J.G.P. Derks als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2003.

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.