Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO1381

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-12-2003
Datum publicatie
13-02-2004
Zaaknummer
AWB 03/62753
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2004:AO6202
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / gemeenschapsonderdaan / ongewenstverklaring.

De vreemdeling is ongewenst verklaard. Desgevraagd heeft verweerder meegedeeld dat de rechtbank ambtshalve mag toetsen of de vreemdeling verblijfsaanspraak kan ontlenen aan het Europese gemeenschapsrecht. De rechtbank overweegt dat het standpunt van verweerder, inhoudende dat de inbewaringstelling is gebaseerd op het feit dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft, ambtshalve wordt verworpen. Op grond van hetgeen verweerder heeft overwogen in het besluit tot ongewenstverklaring is de rechtbank van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat de vreemdeling de Duitse nationaliteit heeft. Daaraan doet niet af dat de vreemdeling geen papieren heeft overgelegd waaruit die nationaliteit blijkt. Gelet op het arrest Baumbast van 17 september 2002 komt de vreemdeling een recht toe om op het gebied van een andere lidstaat te verblijven met dien verstande dat daaraan voorwaarden en beperkingen kunnen worden gesteld. De Afdeling heeft in de uitspraak 200302048/1 van 7 juli 2003 overwogen dat rechtmatig verblijf wordt aangenomen zolang en indien het onderzoek naar de analoog toe te passen beperkingen en voorwaarden niet heeft uitgewezen dat daaraan niet is voldaan. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

beroep vrijheidsontnemende maatregel

Reg.nr : AWB 03/62753 VRONTN

Inzake : A, CRV nummer 1701002439, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. M.J. Bisschop-Roodveen, advocaat te Barendrecht,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. J.W.Th. Berg, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1958 en de Duitse nationaliteit te hebben.

2. Op 2 december 2003 heeft de rechtbank een beroepschrift op grond van artikel 93 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) van de vreemdeling ontvangen. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 2 december 2003 waarbij de vreemdeling de maatregel van bewaring is opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 9 december 2003. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. M. Bouman, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2. De gemachtigde van de vreemdeling heeft ter zitting aangevoerd dat uit de stukken niet blijkt op grond van welke titel de vreemdeling in de periode na de beëindiging van zijn strafdetentie op 2 december 2003 om 8:00 uur, tot het gehoor ingevolge artikel 59 Vw 2000 om 11:20 uur, in bewaring heeft verbleven. Verweerder heeft hieromtrent geen stukken overgelegd waaruit dit zou blijken. De gemachtigde meent dat deze omstandigheid moet leiden tot de conclusie dat de bewaring van de vreemdeling onrechtmatig is en subsidiair dat verweerder daarover nadere informatie behoort te verschaffen.

Voorts heeft de gemachtigde van de vreemdeling aangevoerd dat de voorbereidingen en maatregelen die ertoe hadden kunnen leiden dat de vreemdeling na zijn ontslag uit strafrechtelijke detentie uit Nederland kon worden verwijderd, niet tijdig zijn aangevangen. Reeds op 14 november 2003, zijnde de datum van de uitspraak van de politierechter, stond vast dat de vreemdeling tot 2 december 2003 in strafdetentie moest verblijven. Pas op 1 december 2003 heeft de presentatie plaatsgevonden bij de Duitse autoriteiten. Derhalve heeft verweerder door slechts kort vóór de beëindiging van de strafrechtelijke detentie een aanvang te maken met het onderzoek ter fine van uitzetting, onvoldoende voortvarend gehandeld.

3. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting ten aanzien van de eerste grief van de gemachtigde van de vreemdeling, medegedeeld dat hij telefonisch contact heeft gehad met de Vreemdelingendienst, doch de betreffende verbalisant was niet tijdig bereikbaar. Derhalve heeft de gemachtigde van verweerder de rechtbank verzocht alsnog gelegenheid te verschaffen nadere stukken over te leggen met betrekking tot de in geding zijnde periode.

Met betrekking tot de tweede grief heeft de gemachtigde van verweerder onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opgemerkt dat verweerder een inspanningsverplichting heeft om zoveel mogelijk te voorkomen dat de vreemdeling na zijn strafrechtelijke dententie in vreemdelingrechtelijke bewaring gesteld moet worden; echter, het enkele feit dat de vreemdeling niet eerder gepresenteerd is bij de Duitse autoriteiten kan niet zonder meer leiden tot een onrechtmatige bewaring.

Voorts heeft de gemachtigde van verweerder, daarnaar gevraagd, medegedeeld dat de rechtbank ambtshalve mag toetsen of de vreemdeling een verblijfsaanspraak kan ontlenen aan het Europese gemeenschapsrecht.

De gemachtigde van de vreemdeling heeft dit beaamd.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich overigens op het standpunt gesteld dat niet vaststaat of de vreemdeling de Duitse nationaliteit heeft omdat hij geen papieren heeft en het Duitse consulaat de aanvraag om afgifte van een laissez passer nog in onderzoek heeft; derhalve kan de vreemdeling niet als een gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, onderdeel e,, onder 1º, van de Vw 2000 worden aangemerkt.

4. De rechtbank overweegt het navolgende.

De onderhavige maatregel van bewaring is er onder meer op gebaseerd dat de vreemdeling - op 2 december 2003 - geen rechtmatig verblijf heeft.

Dat standpunt van verweerder wordt ambtshalve verworpen.

4.1 Uit het door verweerder ingezonden procesdossier blijkt dat de vreemdeling bij besluit van 3 september 2003 ongewenst is verklaard. Dat besluit is bekend gemaakt op woensdag 5 november 2003 door uitreiking in persoon. Daarnaar gevraagd is namens de vreemdeling ter zitting medegedeeld dat tegen dat besluit geen rechtsmiddel is aangewend. Dat besluit is derhalve op donderdag 4 december 2003 rechtens onaantastbaar geworden (immers de eerste dag na ommekomst van een termijn van vier weken na de dag van bekendmaking).

4.1.1 In voormeld besluit wordt ervan uitgegaan dat de vreemdeling de Duitse nationaliteit heeft. Daarin staat ook vermeld dat de vreemdeling op 3 augustus 1995 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning voor begunstigde EU-onderdanen en dat zijn laatste verblijfsvergunning geldig was tot 30 augustus 2002.

In dat besluit is overwogen dat de vreemdeling in mei 2001 verwijtbaar werkloos is geworden na ontslag door zijn verslaving aan drugs en zijn eerste aanvaring met justitie, als gevolg waarvan zijn rechtmatig verblijf ex artikel 8, aanhef en onder e, Vw 2000 van rechtswege vervalt. Voorts is daarin overwogen dat gesteld noch gebleken is dat de vreemdeling anderszins een verblijfsrecht kan ontlenen aan één van de uit het EU-Verdrag voortvloeiende Richtlijnen.

4.1.2 Op grond van hetgeen verweerder heeft overwogen in het besluit tot ongewenstverklaring is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige procedure ervan moet worden uitgegaan dat de vreemdeling de Duitse nationaliteit heeft en dat daaraan niet kan afdoen dat de vreemdeling (thans) geen papieren heeft overgelegd waaruit die nationaliteit blijkt.

4.1.3 Nu de vreemdeling onderdaan van een lidstaat is en daarmee burger van de Unie, komt hem, gelet op het Baumbast arrest van 17 september 2002 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (JV 2002/466 m.n. CAG) een recht toe om ingevolge artikel 18, eerste lid, EG op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven, met dien verstande dat daaraan voorwaarden en beperkingen kunnen worden gesteld.

4.1.4 Dit betekent, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 7 juli 2003 (200302048/1; JV 2003/431 m.n. CAG), dat het uit die verdragsbepaling voortvloeiend recht van verblijf wordt aangenomen, zolang en indien het onderzoek naar de analoog toe te passen beperkingen en voorwaarden van de(ze) Richtlijn (90/364/EEG jo 64/221/EEG) niet heeft uitgewezen dat daaraan niet wordt voldaan.

4.1.5 Een dergelijk onderzoek, resulterend in besluitvorming , heeft blijkens de gedingstukken tot dusverre nog niet plaats gehad in zoverre verweerder jegens de vreemdeling alleen is overgegaan tot ongewenstverklaring bij besluit van 3 september 2003 en dit besluit uitsluitend is gebaseerd op de nationale regels, zoals bepaald bij en krachtens de Vw 2000 dan wel de Vreemdelingencirculaire.

4.2. Het vorenstaande brengt mee dat de vreemdeling - in elk geval op 2 december 2002 ten tijde van het opleggen van de maatregel tot bewaring - moet worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, onderdeel e,, onder 1º, van de Vw 2000.

Hiermee is sprake van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000, omdat een redelijke uitleg van die bepaling meebrengt dat ook zij, die een verblijfsrecht rechtstreeks aan het EG-verdrag ontlenen en niet aan een op dat verdrag gebaseerde regeling, binnen de reikwijdte van de bepaling vallen, aldus de Afdeling in voormelde uitspraak.

4.2.1 Hieraan kan niet afdoen dat verweerder zich in het besluit van 3 september 2003 tot ongewenstverklaring op standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het EG-verdrag en de daaruit voortvloeiende Richtlijnen en Verordeningen.

Dat besluit is - gelet op de inhoud ervan - immers niet aan te merken als een besluit, bedoeld in rechtsoverweging 4.1.4.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank niet toe aan het in beschouwing nemen van de formele rechtskracht van het besluit van 3 september 2003 (nog daargelaten dat dat besluit ten tijde van het opleggen van de onderhavige maatregel nog geen formele rechtskracht had) en van het bepaalde in artikel 67, derde lid, Vw 2000, waarin is bepaald dat in afwijking van artikel 8 - en derhalve ook van onderdeel aanhef onder e - de ongewenstverklaarde geen rechtmatig verblijf kan hebben.

5. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring van de vreemdeling vanaf de aanvang onrechtmatig was. Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van heden. Hetgeen overigens namens de vreemdeling is gesteld behoeft thans geen beoordeling.

Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van € 950,-- in totaal.

6. De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322-- (1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,-- en wegingsfactor 1). Het beroepschrift wordt niet in aanmerking genomen, aangezien het geen gronden bevat en de rechtbank ambtshalve tot haar oordeel is gekomen.

Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring;

3. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot € 950,-- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens en uitgesproken in het openbaar op 11 december 2003 in tegenwoordigheid van S.J.W. Stort, griffier.

RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).

afschrift verzonden op: 11 december 2003