Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO1135

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-12-2003
Datum publicatie
31-12-2003
Zaaknummer
09-753215-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(...) Verdachte was al maanden op de hoogte van het voornemen om [slachtoffer] om het leven te laten brengen en heeft nagelaten het latere slachtoffer - en de politie - te waarschuwen.

Verdachte heeft echter niet slechts passieve steun gegeven door zijn mond te houden, maar heeft [medeverdachte 1] ook daadwerkelijk bijgestaan in de uitvoering van zijn plannen. Toen op 3 mei 2003 een poging om [slachtoffer] te vermoorden was mislukt - een poging waaraan verdachte medeplichtigheid wordt verweten doordat hij heeft nagelaten het latere slachtoffer en/of de politie te waarschuwen -, is de moord een week uitgesteld. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-753215-03

rolnummer 0004

's-Gravenhage, 30 december 2003

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Turkije),

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, HvB Zoetermeer te Zoetermeer.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 en 16 december 2003.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr M.R. Mantz, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Degeling heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 2 primair, 2 subsidiair en 2 meer subsidiair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 meest subsidiair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Nadere bewijsoverweging.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de bewezenverklaring als volgt.

Uit het bewijsmateriaal is duidelijk geworden dat verdachte geruime tijd op de hoogte was van het voornemen van medeverdachte [medeverdachte 1] om [slachtoffer] om het leven te (laten) brengen.

Verdachte heeft echter niet, zoals in de rede zou hebben gelegen, [slachtoffer] en/of de politie gewaarschuwd, waardoor hij gelegenheid heeft gegeven aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] om een poging te ondernemen om reeds op 3 mei 2003 het latere slachtoffer om het leven te brengen. Dat het op deze datum niet verder is gekomen dan een poging is niet aan verdachte te danken.

Voorts heeft hij actief meegeholpen de moord mogelijk te maken, door, in opdracht van voornoemde [medeverdachte 1], het latere slachtoffer te vragen om op 10 mei 2003 's ochtends vroeg naar [bedrijf] te komen om een machine te repareren. De man die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht (medeverdachte [medeverdachte 2]) heeft verklaard dat hij voor 10 mei 2003 van zijn opdrachtgever (medeverdachte [medeverdachte 1]) had gehoord dat verdachte op de hoogte was van het plan om [slachtoffer] te vermoorden en dat verdachte [slachtoffer] naar het bedrijf zou lokken door er voor te zorgen dat [slachtoffer] een reparatie zou uitvoeren. Vast staat dat [slachtoffer] inderdaad in de ochtend van 10 mei 2003 naar het bedrijf is gekomen en een aanvang heeft gemaakt met de reparatie van een machine, waarna medeverdachte [medeverdachte 2] heeft toegeslagen. Kort na de moord liepen twee werknemers van [bedrijf], [werknemer 1] en [werknemer 2] onverwachts het bedrijfspand van [bedrijf] binnen. [werknemer 1] heeft het bebloede lichaam van [slachtoffer] zien liggen en [werknemer 2] zag het been van het slachtoffer alsmede de dader, waarna beiden vervolgens door [medeverdachte 2] zijn weggejaagd.

Medeverdachte [medeverdachte 3] zou in het oorspronkelijke plan alle sporen van de moord opruimen. Na de onverwachte komst van [werknemer 1] en [werknemer 2] gaf [medeverdachte 2] echter aan [medeverdachte 3] de opdracht om te vluchten en de anderen te bellen zodat zij alles konden opruimen. Uit de historische belgegevens blijkt dat [medeverdachte 2] om 07.30 uur telefonisch contact had met [medeverdachte 3], dat laatstgenoemde een minuut later medeverdachte [medeverdachte 1] belde, en dat die vervolgens om 07.48 uur telefonisch contact had met verdachte. In dat telefoongesprek werd verdachte gesommeerd om onmiddellijk naar [bedrijf] te komen. Verdachte had vrijwel direct daarna telefonisch contact met medeverdachte [medeverdachte 4], die op dat moment al bij [bedrijf] was. Verdachte is vervolgens omstreeks 08.10 uur bij [bedrijf] gearriveerd.

Om 08.09 uur heeft [werknemer 1] medeverdachte [medeverdachte 4] gebeld, waarna laatstgenoemde naar station Lammenschans is gereden. Daar heeft [werknemer 1] aan [medeverdachte 4] verteld wat hij gezien had. Een andere werknemer van [bedrijf], [werknemer 3], was bij dat gesprek aanwezig. Diezelfde ochtend vroeg verdachte aan voornoemde [werknemer 3] om datgene wat hij van [werknemer 1] had gehoord, voor zich te houden. Kort na 09.00 uur beval verdachte werknemer [werknemer 4] om tegen de politie te zeggen dat hij die ochtend pas om 08.30 uur was gearriveerd in plaats van om 08.00 uur. Bovendien heeft verdachte die zaterdag zowel tegen eerder genoemde [werknemer 3] als tegen een andere werknemer ([werknemer 5]) gezegd dat [slachtoffer] was verdwenen. Verdachte deed die mededelingen op een moment dat niemand van de familie van het slachtoffer zich nog zorgen over hem maakte. Ten slotte is komen vast te staan dat verdachte diezelfde middag het personeel de opdracht heeft gegeven de wasserij schoon te maken, terwijl gebruikelijk was dat dit op zondag door een medewerker werd gedaan.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte niet alleen heeft geweten dat de moord op 10 mei 2003 zou worden uitgevoerd, maar ook dat verdachte een wezenlijk onderdeel van het plan - er voor zorgen dat [slachtoffer] die ochtend vroeg naar het bedrijf zou komen - voor zijn rekening heeft genomen.

Gesproken kan worden van een zeer koelbloedige moord. Weliswaar is niet aannemelijk geworden dat verdachte zelf het heeft plan opgevat om [slachtoffer] om het leven te laten brengen noch dat verdachte voorbereidende besprekingen heeft gevoerd met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], maar de betrokkenheid van verdachte bij de voorbereiding en de uitvoering is evenwel zo groot dat verdachte zonder meer als medepleger kan worden beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Op 15 mei 2003 is in Den Haag het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen in de kofferbak van zijn BMW. Uit intensief onderzoek is gebleken dat het slachtoffer in de ochtend van 10 mei 2003 in het bedrijfspand van wasserij [bedrijf] op het bedrijventerrein Roomburg te Leiden om het leven is gebracht. Voorts is gebleken dat [medeverdachte 1], mede-eigenaar van het wasserijbedrijf van het slachtoffer, de opdrachtgever was van deze moord. Verdachte was al maanden op de hoogte van het voornemen om [slachtoffer] om het leven te laten brengen en heeft nagelaten het latere slachtoffer - en de politie - te waarschuwen.

Verdachte heeft echter niet slechts passieve steun gegeven door zijn mond te houden, maar heeft [medeverdachte 1] ook daadwerkelijk bijgestaan in de uitvoering van zijn plannen. Toen op 3 mei 2003 een poging om [slachtoffer] te vermoorden was mislukt - een poging waaraan verdachte medeplichtigheid wordt verweten doordat hij heeft nagelaten het latere slachtoffer en/of de politie te waarschuwen -, is de moord een week uitgesteld. Blijkens verklaringen van een medeverdachte was verdachte degene die het latere slachtoffer de ochtend van 10 mei 2003 naar het wasserijbedrijf [bedrijf] zou lokken. Voorts heeft een medeverdachte bewerkstelligd dat de werknemers die ochtend later zouden beginnen, zodat de plaats van het misdrijf zou kunnen worden opgeruimd.

Op 10 mei 2003 heeft de moord daadwerkelijk plaatsgevonden. [slachtoffer] is die zaterdagochtend om ongeveer 6.30 uur naar de wasserij gekomen om een reparatie uit te voeren. Hij werd daar opgewacht door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], die door [medeverdachte 1] de nacht van 9 op 10 mei in wasserij [bedrijf] waren binnengelaten. Terwijl [medeverdachte 3] op de uitkijk stond, is [medeverdachte 2] het slachtoffer genaderd en heeft hij hem met een metalen pijp tegen het hoofd geslagen en met een mes in de borstkas gestoken. Het slachtoffer is tengevolge van de

toegebrachte messteken overleden.

[medeverdachte 2] heeft vervolgens het lichaam van het slachtoffer in de kofferbak van diens auto gelegd en is met die auto naar Den Haag gereden, waar hij de auto op een vooraf uitgekozen plaats heeft achtergelaten.

Er is sprake geweest van een weloverwogen en degelijk voorbereide moord. Verdachte heeft zijn medewerking verleend aan deze koelbloedige moord, waardoor aan een man zijn kostbaarste bezit, het leven, is ontnomen en aan de nabestaanden van het slachtoffer

onherstelbaar leed is toegebracht. Een dergelijke moord draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich niet tegen zijn vriend heeft durven verzetten en dat hij, door diens bevelen uit te voeren, een voor de uitvoering van de criminele plannen van zijn neef noodzakelijke bijdrage heeft geleverd. Anderzijds overweegt de rechtbank dat dit aandeel beduidend minder groot is dan van andere mededaders, hetgeen tot uitdrukking dient te komen in de strafmaat.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 6 juni 2003 weliswaar eerder is veroordeeld, maar niet terzake van soortgelijke strafbare feiten.

Al hetgeen hiervoor is overwogen voert de rechtbank tot de beslissing verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur op te leggen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 45, 46a, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 2 primair, 2 subsidiair en 2 meer subsidiair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 meest subsidiair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van 1 primair:

medeplegen van moord;

ten aanzien van 2 meest subsidiair:

poging tot uitlokking van moord;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op :4 juni 2003,

in voorlopige hechtenis gesteld op :7 juni 2003;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Quadekker, voorzitter,

Moussault en Van den Boom, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Japenga, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 december 2003.