Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO1130

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-12-2003
Datum publicatie
30-12-2003
Zaaknummer
09-753204-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(...) Op 15 mei 2003 is in Den Haag het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen in de kofferbak van zijn BMW. Uit intensief onderzoek is gebleken dat het slachtoffer in de ochtend van 10 mei 2003 in het bedrijfspand van wasserij [bedrijf] op het bedrijventerrein Roomburg te Leiden om het leven is gebracht. (...)

(...) Verdachte heeft echter niet slechts passieve steun gegeven door zijn mond te houden, maar heeft zijn neef ook daadwerkelijk bijgestaan in de uitvoering van zijn plannen. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-753204-03

rolnummer 0003

's-Gravenhage, 30 december 2003

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Turkije),

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, PCS HvB Unit 1 te 's-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 en 16 december 2003.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr T.J. van der Spoel, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Degeling heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 2 primair, 2 subsidiair en 2 meer subsidiair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 meest subsidiair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Nadere bewijsoverweging.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de bewezenverklaring als volgt.

Uit het bewijsmateriaal is duidelijk geworden dat verdachte sinds maart/april 2003 op de hoogte was van het voornemen van medeverdachte [medeverdachte 1] om [slachtoffer] om het leven te (laten) brengen.

Verdachte heeft echter niet, zoals in de rede zou hebben gelegen, [slachtoffer] en/of de politie gewaarschuwd, waardoor hij gelegenheid heeft gegeven aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] om een poging te ondernemen om reeds op 3 mei 2003 het latere slachtoffer om het leven te brengen. Dat het op deze datum niet verder is gekomen dan een poging is niet aan verdachte te danken.

Voorts heeft hij actief meegeholpen de moord mogelijk te maken, door, in opdracht van voornoemde [medeverdachte 1], ervoor te zorgen dat een groot aantal werknemers later dan normaal zou beginnen die zaterdagochtend 10 mei 2003.

De man die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht (medeverdachte [medeverdachte 2]) heeft verklaard dat hij voor 10 mei 2003 van zijn opdrachtgever (medeverdachte [medeverdachte 1]) had gehoord dat een onderdeel van het plan was dat werknemers van [bedrijf] later naar het bedrijf zouden komen. Vast staat dat verdachte diverse medewerkers heeft meegedeeld dat zij zaterdagochtend 10 mei 2003 later naar hun werk konden komen. Twee van hen zijn door verdachte zelfs op 10 mei 2003 even na middernacht gebeld. Aan één van die werknemers heeft verdachte bovendien gevraagd om tegen andere werknemers te zeggen dat ook zij die ochtend later konden komen.

Kort na de moord liepen twee werknemers van [bedrijf], [werknemer 1] en [werknemer 2] onverwachts het bedrijfspand van [bedrijf] binnen. [werknemer 1] heeft het bebloede lichaam van [slachtoffer] zien liggen en [werknemer 2] zag het been van het slachtoffer alsmede de dader, waarna beiden vervolgens door [medeverdachte 2] zijn weggejaagd. Medeverdachte [medeverdachte 3] zou in het oorspronkelijke plan alle sporen van de moord opruimen. Na de onverwachte komst van de werknemers [werknemer 1] en [werknemer 2] gaf [medeverdachte 2] echter aan [medeverdachte 3] de opdracht om te vluchten en de anderen te bellen zodat zij alles konden opruimen. Uit de historische belgegevens blijkt dat [medeverdachte 2] om 07.30 uur telefonisch contact had met [medeverdachte 3], dat laatstgenoemde een minuut later medeverdachte [medeverdachte 1] belde, dat die vervolgens om 07.48 uur telefonisch contact had met medeverdachte [medeverdachte 4] en dat laatstgenoemde een minuut later verdachte belde. Ondanks ontkenning van verdachte staat tevens vast dat

verdachte die ochtend omstreeks 07.49 uur in het bedrijfspand was. Niet alleen blijkt uit de historische belgegevens dat verdachte op dat moment in de buurt van wasserij [bedrijf] was, maar getuige [getuige] heeft bovendien verklaard dat hij verdachte omstreeks 07.50 denkt te hebben gezien in zijn kantoor in het bedrijfspand. Voorts staat vast dat verdachte om 07.55 uur telefonisch contact had met medeverdachte [medeverdachte 1]. Getuige [werknemer 1] heeft het bebloede lichaam van [slachtoffer] zien liggen en is vervolgens weggejaagd door [medeverdachte 2]. Om 08.09 uur heeft [werknemer 1] verdachte gebeld, waarna verdachte naar station Lammenschans is gereden. Daar heeft [werknemer 1] aan verdachte verteld wat hij gezien had, waarna verdachte antwoordde dat er niets aan de hand was en dat hij slechts een klein beetje bloed had gezien. Verdachte heeft zich in de loop van die dag veel inspanningen getroost om te voorkomen dat getuige [werknemer 1] aan anderen en aan de politie zou vertellen wat hij had gezien. Ten slotte is komen vast te staan dat verdachte heeft meegeholpen de sporen van het misdrijf uit te wissen door zelf bloedsporen te verwijderen en door tezamen met [medeverdachte 4] het personeel zaterdagmiddag 10 mei 2003 opdracht te geven de wasserij schoon te maken, terwijl gebruikelijk was dat dit op zondag door een medewerker werd gedaan.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte niet alleen heeft geweten dat de moord op 10 mei 2003 zou worden uitgevoerd, maar ook dat verdachte een wezenlijk onderdeel van het plan - er voor zorgen dat werknemers die ochtend later dan normaal naar het bedrijf zouden komen - voor zijn rekening heeft genomen.

Gesproken kan worden van een zeer koelbloedige moord. Verdachte heeft weliswaar niet zelf het plan opgevat om [slachtoffer] om het leven te laten brengen en heeft ook geen voorbereidende besprekingen gevoerd met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], maar de betrokkenheid van verdachte bij de voorbereiding, de uitvoering en de afwikkeling is evenwel zo groot dat verdachte zonder meer als medepleger kan worden beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Op 15 mei 2003 is in Den Haag het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen in de kofferbak van zijn BMW. Uit intensief onderzoek is gebleken dat het slachtoffer in de ochtend van 10 mei 2003 in het bedrijfspand van wasserij [bedrijf] op het bedrijventerrein Roomburg te Leiden om het leven is gebracht. Voorts is gebleken dat [medeverdachte 1], neef van verdachte en mede-eigenaar van het wasserijbedrijf van het slachtoffer, de opdrachtgever was van deze moord. Verdachte was al maanden op de hoogte van het voornemen om [slachtoffer] uit de weg te laten ruimen en heeft nagelaten het latere slachtoffer - en de politie - te waarschuwen.

Verdachte heeft echter niet slechts passieve steun gegeven door zijn mond te houden, maar heeft zijn neef ook daadwerkelijk bijgestaan in de uitvoering van zijn plannen. Toen op 3 mei 2003 de eerste poging [slachtoffer] te vermoorden was mislukt - een poging waaraan verdachte medeplichtigheid wordt verweten doordat hij heeft nagelaten het latere slachtoffer en/of de politie te waarschuwen -, is de moord een week uitgesteld. Verdachte heeft werknemers van het bedrijf gebeld om hen te zeggen dat ze die zaterdagochtend later moesten beginnen, teneinde de feitelijke uitvoerders van de moord in staat te stellen de sporen van het misdrijf op te ruimen.

Op 10 mei 2003 heeft de moord daadwerkelijk plaatsgevonden. [slachtoffer] is, op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 4], zaterdagochtend 10 mei 2003 om ongeveer 6.30 uur naar de wasserij gekomen om een reparatie uit te voeren. Hij werd daar opgewacht door medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], die door [medeverdachte 1] de nacht van 9 op 10 mei in wasserij [bedrijf] waren binnengelaten. Terwijl [medeverdachte 3] op de uitkijk stond, is [medeverdachte 2] het slachtoffer genaderd en heeft hem met een metalen pijp tegen het hoofd geslagen en met een mes in de borstkas gestoken. Het slachtoffer is tengevolge van de toegebrachte messteken overleden.

[medeverdachte 2] heeft vervolgens het lichaam van het slachtoffer in de kofferbak van diens auto gelegd en is met die auto naar Den Haag gereden, waar hij de auto op een vooraf uitgekozen plaats heeft achtergelaten.

Er is sprake geweest van een weloverwogen en degelijk voorbereide moord. Verdachte heeft zijn medewerking verleend aan deze koelbloedige moord, waardoor aan een man zijn kostbaarste bezit, het leven, is ontnomen en aan de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed is toegebracht. Een dergelijke moord draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich niet tegen zijn neef heeft durven verzetten en dat hij, door klakkeloos diens bevelen uit te voeren, een voor de uitvoering van de criminele plannen van zijn neef noodzakelijke bijdrage heeft geleverd. Anderzijds overweegt de rechtbank dat dit aandeel beduidend minder groot is dan van andere mededaders, hetgeen tot uitdrukking dient te komen in de strafmaat.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 6 juni 2003 niet eerder terzake van strafbare feiten is veroordeeld.

Al hetgeen hiervoor is overwogen voert de rechtbank tot de beslissing verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur op te leggen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 45, 46a, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 2 primair, 2 subsidiair en 2 meer subsidiair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 meest subsidiair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van 1 primair:

medeplegen van moord;

ten aanzien van 2 meest subsidiair:

poging tot uitlokking van moord;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op :4 juni 2003,

in voorlopige hechtenis gesteld op :7 juni 2003;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Quadekker, voorzitter,

Moussault en Van den Boom, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Japenga, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 december 2003.