Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO1126

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2003
Datum publicatie
16-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/61104, 02/92573
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burundi / taalanalyse.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet op grond van de taalanalyse heeft kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij afkomstig is uit Burundi. De rechtbank is van oordeel dat de (eind)conclusie in de taalanalyse, inhoudende dat eiseres eenduidig niet behoort tot de taal- en cultuurgemeenschap van Burundi, niet strookt met hetgeen als onderzoeksresultaat in de analyse wordt vermeld. In de analyse wordt opgemerkt dat eiseres Swahili spreekt dat niet te plaatsen is in Burundi. Dit is in tegenspraak met de bevinding van de taalanalist dat eiseres Swahili spreekt, zoals dat gesproken wordt door mensen die vanuit het Midden-Oosten naar Burundi zijn getrokken. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gereageerd op hetgeen eiseres in de zienswijze heeft opgemerkt. Onduidelijk is of verweerder ook los van de taalanalyse de identiteit en nationaliteit van eiseres in twijfel zou hebben getrokken. Er bestaat geen aanleiding om nader in te gaan op hetgeen verweerder in het voornemen en het besluit overigens heeft overwogen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/61104 BEPTDN en AWB 02/92573 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] juli 1986, van Burundese nationaliteit, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. E.J.M. Klip, advocaat te Lekkerkerk,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. D.S. van Asperen, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1a. Op 26 juli 2001 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 19 maart 2002 heeft verweerder aan eiseres schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 16 april 2002 heeft eiseres haar zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 11 juli 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen en eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 onder de beperking “verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling” onthouden.

1b. Bij beroepschrift van 7 augustus 2002 heeft eiseres tegen dit besluit, voor zover het gericht is tegen de weigering om eiseres een verblijfsvergunning asiel te verlenen, beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 9 september 2002.

2a. Bij bezwaarschrift van 7 augustus 2002 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 juli 2002 voor zover het gericht is tegen de ambtshalve weigering om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 onder de beperking “verblijf als minderjarige vreemdeling” te verlenen. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 9 september 2002. Het bezwaar is bij besluit van 13 november 2002 kennelijk ongegrond verklaard.

2b. Bij beroepschrift van 11 december 2002 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 14 januari 2003.

4. Op 7 augustus 2003 zijn de op de zaken betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 23 oktober 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2003. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig R. Kanis, als tolk in het Swahili en M.A. Camacho, namens de wettelijke vertegenwoordigster, de Stichting Nidos.

II. FEITEN

In het rapport taalanalyse van 27 februari 2002 wordt -onder meer- onder punt 4 “Beschrijving van de taal/de talen/het dialect/de dialecten gesproken door de vreemdeling” en het kopje “Algemeen” vermeld dat de vreemdeling goed Swahili spreekt, zoals dat gesproken wordt door mensen die vanuit het Midden-Oosten naar Burundi zijn getrokken. Zij spreekt sneller dan iemand uit Burundi dat doet. Onder punt 4 en het kopje “Echtheid van de/het gebezigde taal/talen/dialect/dialecten” wordt vermeld dat eiseres Swahili spreekt dat niet te plaatsen is in Burundi. Haar tongval is beïnvloed door een taal of talen uit het Midden-Oosten. Haar Swahili is vloeiend. Onder punt 5 “Resultaat” wordt vermeld dat de vreemdelinge eenduidig niet behoort tot de taal- en cultuurgemeenschap van Burundi, zoals zij beweert.

III. ASIELRELAAS

Eiseres is afkomstig uit Bujumbura, wijk B, en zij is moslim. De moeder van eiseres was oorspronkelijk afkomstig uit Jemen en van Arabische afkomst. De vader van eiseres was afkomstig uit Burundi en behoorde tot de Hutu-stam. Na het schooljaar 1992/1993, toen de oorlog uitbrak, is eiseres niet meer naar school geweest. Eind juli 1996 is de moeder van eiseres bij hen thuis geslagen, verkracht en vermoord door militairen. Eiseres was op dat op moment thuis. Haar vader is in oktober 1999 vermoord door militairen, eveneens in hun huis. Eiseres is daarbij geslagen. Na het overlijden van haar vader heeft een buurvrouw, C, voor eiseres gezorgd. Deze buurvrouw overleed in december 2000. Hierna heeft Imam D eiseres opgevangen. Een onbekende vrouw heeft eiseres op een onbekende datum in 2001 opgehaald, waarna zij naar Uvera is gebracht, alwaar zij drie dagen heeft verbleven. Vervolgens is zij met een vrachtauto naar Mombassa gereisd. Eiseres is per schip vanaf Mombassa naar Nederland gereisd. Op 25 juli 2001 kwam eiseres in Nederland aan.

IV. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres zowel niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “verblijf als minderjarige vreemdeling”. Gezien het feit dat eiseres niet over de meest elementaire kennis over haar gestelde land van afkomst beschikt en op basis van de resultaten van de taalanalyse wordt geconcludeerd dat geen geloof wordt gehecht aan de verklaringen van eiseres omtrent haar identiteit, nationaliteit, etnische afkomst, reisverhaal en asielrelaas. Er is geen enkele aanleiding te twijfelen aan de kwaliteit van de afgenomen taalanalyse. In de taalanalyse worden zowel de gesproken talen als de kennis over het land van herkomst geanalyseerd. Voorts heeft eiseres de mogelijkheid tot het uitvoeren van een contra-expertise onbenut gelaten. Ten slotte heeft eiseres op geen enkele wijze aangetoond, dan wel aannemelijk gemaakt, dat zij daadwerkelijk uit Burundi afkomstig is.

2. Eiseres legt aan het beroep ten grondslag dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en, subsidiair, voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier. De bestreden besluiten zijn onzorgvuldig genomen. Swahili is wel degelijk de eerste en de enige taal in B, de Aziatische wijk, en de wijken waar voornamelijk Moslims wonen. Dit blijkt ook uit de door eiseres overgelegde pagina uit B.F. Grimes’ Ethnologue: Languages of the World, ed. 2000. De door verweerder ingeschakelde taaldeskundige is onvoldoende op de hoogte van de taal en cultuur in Burundi. Gezien de achtergrond van eiseres is het niet merkwaardig dat eiseres het Kirundi slechts passief beheerst. Eiseres wordt op grond van de taalanalyse ten onrechte als niet-Burundisch aangeduid. Ten slotte is eiseres ten onrechte niet gehoord tijdens de bezwaarfase.

V. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

2. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Ten aanzien van het beroepschrift van 7 augustus 2002 overweegt de rechtbank als volgt.

4. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

5. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

6. De rechtbank stelt vast dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres in geschil is, aangezien verweerder de gestelde identiteit en nationaliteit van eiseres ongeloofwaardig acht. Verweerder heeft de ongeloofwaardigheid van de gestelde afkomst van eiseres mede gebaseerd op de uitkomst van een taalanalyse.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet op grond van de taalanalyse in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet afkomstig is uit Burundi. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de (eind)conclusie in de taalanalyse, dat eiseres eenduidig niet behoort tot de taal- en cultuurgemeenschap van Burundi, niet strookt met hetgeen als onderzoeksresultaat in de analyse wordt vermeld, namelijk dat eiseres goed Swahili spreekt, zoals dat gesproken wordt door mensen die vanuit het Midden-Oosten naar Burundi zijn getrokken. Uit dit laatste kan immers niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat eiseres niet uit Burundi komt, aangezien dit niet in strijd is met en zelfs steun kan bieden voor de (veronder)stelling dat eiseres uit Burundi afkomstig is. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksresultaten van de taalanalyse niet eenduidig zijn. In de analyse wordt opgemerkt dat eiseres Swahili spreekt dat niet te plaatsen is in Burundi. Dit is ook in tegenspraak met de, reeds voormelde, bevinding van de taalanalist dat eiseres Swahili spreekt, zoals dat gesproken wordt door mensen die vanuit het Midden-Oosten naar Burundi zijn getrokken. Hieruit volgt dat het door eiseres gesproken Swahili wel te plaatsen is in Burundi. Daar komt bij dat uit de door eiseres in beroep overgelegde pagina uit B.F. Grimes’ Ethnologue: Languages of the World, ed. 2000, het Swahili de eerste taal is in de wijk waar eiseres stelt te zijn geboren.

8. Voor zover er, gelet op het in het voornemen en besluit neergelegde standpunt van verweerder, van uit moet worden gegaan dat verweerder de identiteit en afkomst ook los van de uitkomst van de taalanalyse in twijfel trekt, wordt als volgt overwogen.

9. Verweerder heeft in de eerste plaats in het bestreden besluit niet gemotiveerd gerespondeerd op de in de zienswijze ingenomen stelling dat eiseres de Kirundi-taal verafschuwt. Nu eiseres in het nader gehoor heeft opgemerkt dat dit laatste het geval is, omdat de militairen die, volgens haar verklaringen, haar ouders hebben gedood Kirundi spreken, kan niet worden volgehouden de stelling dat zij het Kirundi verafschuwt op geen enkele wijze heeft onderbouwd, zoals in het besluit is overwogen. Evenmin heeft verweerder voldoende draagkrachtig gereageerd op de in de zienswijze opgenomen opmerking dat eiseres “als buitenlandse in haar land is opgegroeid” en aldaar “geheel geen maatschappelijke contacten onderhield”. In het licht van het hetgeen eiseres in het nader gehoor heeft verklaard, moet deze opmerking naar het oordeel van de rechtbank aldus worden verstaan dat eiseres, vanwege haar vergaande isolement waarin zij zowel vóór als nadat haar ouders om het leven werden gebracht, slechts in zeer beperkte mate buitenshuis heeft geleefd. Om die reden zou het geen bevreemding hoeven te wekken, aldus de zienswijze, dat eiseres betrekkelijk weinig over het leven in Burundi in het algemeen, en Bujumbura in het bijzonder, heeft weten te vertellen. Rekening houdend met hetgeen eiseres in het nader gehoor heeft verklaard omtrent de omstandigheden waaronder zij in de (Aziatische) wijk B in Bujumbura is opgegroeid, kon verweerder in redelijkheid niet volstaan met de enkele overweging dat de stelling van eiseres dat zij geen maatschappelijke contacten onderhield niet nader is onderbouwd.

10. Nu, gelet op het voorgaande, onduidelijk is of verweerder, de identiteit, afkomst en nationaliteit van eiseres ook los van hetgeen onder rechtsoverwegingen V.8 en V.9 is overwogen in twijfel zou hebben getrokken, bestaat geen aanleiding om nader in te gaan op hetgeen verweerder in het voornemen en in het besluit overigens heeft overwogen.

12. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit van 11 juli 2002 heeft kunnen komen wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb en artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Het beroep is reeds hierom gegrond.

13. Ten aanzien van het beroepschrift van 11 december 2002 overweegt de rechtbank als volgt.

14. Gelet op hetgeen in onder V.7, 8 en 9 is overwogen kan ook de beslissing op het bezwaarschrift van 13 november 2002 geen stand houden, aangezien ook de ambtshalve weigering van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf als minderjarige vreemdeling” mede is gebaseerd op de taalanalyse van 27 februari 2002. Ook dit beroep is derhalve gegrond.

15. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat sprake is van schending van de hoorplicht in de bezwaarprocedure. Gelet op het vorenoverwogene, blijkt uit de gronden van het bezwaarschrift zelf niet reeds aanstonds dat de bezwaren van eiseres ongegrond zijn en dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie, zodat horen op grond van artikel 7:2 van de Awb niet achterwege had kunnen worden gelaten.

16. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (2 punten voor de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

17. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

VI. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart de beroepen gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderd en zes en zestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 109,-- (zegge: honderd en negen euro).

Gewezen door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Metselaar, griffier, en openbaar gemaakt op: 18 december 2003

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 18 december 2003

Conc: DM

Coll: SM

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.