Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO1051

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
29-12-2003
Zaaknummer
09.920224-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(...) De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan brandstichting, doordat hij en zijn mededader bouwmateriaal -gelegen naast de gevel van het bejaardentehuis- met aanstekers in brand hebben gestoken, waardoor op twee plaatsen vuur is ontstaan. Vervolgens zijn verdachte en zijn vriend weggerend en hebben zij - ondanks dat zij al grote zwarte rookwolken boven de gebouwen uit zagen komen en de sirenes van de hulpdiensten al hoorbaar waren, geen alarm geslagen. Integendeel, verdachte en zijn mededader hebben in het clubhuis met vrienden nog wat gedronken en verdachte is later op de avond nog bij de brand gaan kijken en vervolgens naar huis gegaan. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER JEUGDSTRAFZAKEN

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09.920224-03

rolnummer 0008

's-Gravenhage, 24 december 2003

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in Rijksinrichting voor Jongens 't Nieuwe Lloyd te Amsterdam.

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 10 december 2003.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. Bissessur, advocaat te Zoetermeer, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. L. Schuijer heeft gevorderd dat aan verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3 primair, 4 primair en 5 primair telastgelegde wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij BAM NBM Infra zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1842,92 en dat de vordering van de benadeelde partij TMT Verhuur BV. zal worden toegewezen tot een bedrag van € 925,- en voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard, aangezien deze in zoverre niet van eenvoudige aard is. Tenslotte heeft zij gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 400,- en voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard, aangezien deze in zoverre niet van eenvoudige aard is en onvoldoende is onderbouwd en dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 3056,-.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vier genoemde vorderingen van de benadeelde partijen gevorderd dat deze hoofdelijk zullen worden toegewezen.

De telastlegging

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

De bewezenverklaring

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3 primair, 4 primair en 5 primair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Strafmotivering

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan brandstichting, doordat hij en zijn mededader bouwmateriaal -gelegen naast de gevel van het bejaardentehuis- met aanstekers in brand hebben gestoken, waardoor op twee plaatsen vuur is ontstaan. Vervolgens zijn verdachte en zijn vriend weggerend en hebben zij - ondanks dat zij al grote zwarte rookwolken boven de gebouwen uit zagen komen en de sirenes van de hulpdiensten al hoorbaar waren, geen alarm geslagen. Integendeel, verdachte en zijn mededader hebben in het clubhuis met vrienden nog wat gedronken en verdachte is later op de avond nog bij de brand gaan kijken en vervolgens naar huis gegaan.

Door aldus te handelen is niet alleen veel materiële schade toegebracht, maar is ook het leven van een groot aantal personen in gevaar gebracht. Het bouwmateriaal lag immers tegen de gevel van een bejaardentehuis en de brand is overgeslagen naar dit gebouw. Personeel en bewoners moesten met spoed worden geëvacueerd. Dit moet een zeer traumatische ervaring voor hen zijn geweest. Verdachte is aan dit alles echter volledig voorbij gegaan.

Daarnaast heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan brandstichting in een kaartverkoophuisje van een sportvereniging en meerdere bouwketen, waarbij gebruik is gemaakt van brandversnellende middelen, zoals spiritus, terpentine en stickerverwijderaar.

Het betreft hier delicten met een enorme gevaarzetting voor de omgeving, die een hoop onrust veroorzaken in de samenleving.

De rechtbank heeft acht geslagen op:

1. het rapport basisonderzoek strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming d.d.

11 juli 2003, opgesteld en ondertekend door K.J. Sleebos, raadsonderzoekster;

2. het rapport vervolgonderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 14 november 2003, opgesteld en ondertekend door K.J. Sleebos en J.E. Smit;

3. het rapport van stichting FORA d.d. 5 december 2003 van het psychologisch-pedagogisch onderzoek, ondertekend door drs. M.F. Petit, psycholoog- pedagogoog;

4. het rapport van stichting FORA d.d. 9 december 2003 van het psychiatrisch onderzoek, ondertekend door J. de Jonge, kinder- en jeugdpsychiater.

Uit deze rapportage en adviezen komt onder meer het volgende naar voren:

(uit het onder 3. genoemde rapport:)

Verdachte is een zeer krenkbare jongen die naar het lijkt zijn gevoelens van onlust laat afvloeien door het zoeken van negatieve spanning en middelengebruik. Het geweten heeft daarbij onvoldoende remmende werking op zijn gedrag. Verdachte doet impulsief wat op dat moment bij hem opkomt zonder na te denken over de gevolgen voor hem en zijn slachtoffers. Desondanks was er ook sprake van een zekere planning, mede gezien de stickerverwijderaar die hij in zijn bezit had. Ondanks een zekere planning, zoals hiervoor weergegeven, kan er gezien de gebrekkig functionerende egofuncties ten tijde van het tenlastegelegde zoals het geweten, de empathie en het vermogen impulsen te beheersen, gesproken worden van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogen. Verdachte kan dan ook enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Gezien de eerdere recidive en de persoonlijkheid van verdachte is zonder interventie de kans op recidive van een soortgelijk feit groot.

Van een deels voorwaardelijke, deels onvoorwaardelijke jeugddetentie zal mogelijk enig preventief effect uitgaan. Gezien de persoonlijkheidsproblematiek, de kans op recidive en de eventuele gevolgen daarvan voor de samenleving (gevaar voor personen en goederen), het vergoelijkend thuismilieu en het belang van de ontwikkeling van verdachte zelf is, bij bewezen feiten, een PIJ-maatregel geïndiceerd. Het is raadzaam om de ouders te betrekken bij de behandeling om hen inzicht te geven in het gedrag van [verdachte] en hoe zij beter en anders met hem kunnen omgaan. De meest aangewezen instelling om vorm te geven aan de behandeling is "Harreveld".

(uit het onder 4. genoemde rapport:)

Er is sprake van gebrekkige egofuncties en stagnatie in de ontwikkeling en van dreigende verdere schreefgroei in de ontwikkeling eventueel leidend tot stoornissen in de persoonlijkheid.

Er is bij verdachte sprake van een psychiatrische stoornis in de impulscontrole in de zin van pyromanie. Er is verder sprake van misbruik van alcohol en cannabis op grond van de definitie daarvan in de DSM-IV. Er kan gesproken worden van zowel een ziekelijke stoornis (pyromanie) als van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Verdachte kan op grond daarvan dan ook als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Gezien de eerdere contacten met politie/justitie en gezien het grote aantal brandstichtingen, alsmede de specifieke psychiatrische stoornis en de persoonlijkheid van verdachte is zonder uitgebreide behandeling kans op recidive van een soortgelijk feit groot.

Van een deels voorwaardelijke, deels onvoorwaardelijke jeugddetentie zal mogelijk enig preventief effect uitgaan. Gezien de dreigende verdere scheefgroei van de persoonlijkheid, de specifieke psychiatrische problematiek, de kans op recidive en de eventuele gevolgen daarvan voor de samenleving (gevaar voor personen en goederen) en het belang van behandeling voor de ontwikkeling van verdachte zelf, is bij bewezen feiten een PIJ-maatregel geïndiceerd.

De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemde rapporten over, maakt deze tot de hare en zal het gegeven advies opvolgen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de gepleegde delicten en het grote gevaar voor recidive, de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank adviseert de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen ten uitvoer te leggen in 'Jongerenhuis Harreveld' te Harreveld.

Vorderingen tot schadevergoeding

T.a.v. feit 1:

[benadeelde partij 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden schade tot een bedrag van € 500.000, -.

De verdachte en zijn raadsman hebben de vordering van de benadeelde partij betwist. Daartoe heeft de raadsman gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet van eenvoudige aard is en derhalve niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafgeding, aangezien de gegrondheid van de schadeposten niet zonder nadere gegevens kan worden vastgesteld.

De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering en deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

BAM NBM Infra heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden schade tot een bedrag van

€ 1842,92.

De verdachte en de raadsman hebben zich ter zake van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De benadeelde partij heeft aangetoond dat door deze tot een bedrag van € 1842,92 schade is geleden.

Aannemelijk is dat deze schade het gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij kan dus tot dat bedrag worden toegewezen.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1842,92 ten behoeve van het slachtoffer genaamd BAM NBM Infra.

TMT Verhuur BV heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden schade tot een bedrag van € 1279,25.

De verdachte en de raadsman hebben de vordering van de benadeelde partij betwist. Daartoe heeft de raadsman gesteld dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd en derhalve niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De benadeelde partij heeft aangetoond dat door deze tot een bedrag van € 1075,-

schade is geleden.

Aannemelijk is dat deze schade het gevolg is van het onder1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij kan dus tot dat bedrag worden toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafgeding, aangezien de gegrondheid van de overige schadeposten niet zonder nadere gegevens kan worden vastgesteld. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in haar vordering en deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1075,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd TMT Verhuur BV.

[benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden schade tot een bedrag van € 830,-.

De verdachte en de raadsman hebben zich ter zake van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De benadeelde partij heeft slechts aangetoond dat door deze tot een bedrag van € 400,- schade is geleden.

Aannemelijk is dat deze schade het gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij kan dus tot dat bedrag worden toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafgeding, aangezien de gegrondheid van de overige schadeposten niet zonder nadere gegevens kan worden vastgesteld. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in haar vordering en deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 400,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 1].

T.a.v. feit 3 primair:

[benadeelde partij 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden schade tot een bedrag van € 3056,-.

De verdachte en de raadsman hebben de vordering van de benadeelde partij betwist. Daartoe heeft de raadsman gesteld dat de vordering niet van eenvoudige aard is en onvoldoende is onderbouwd en derhalve niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Hoewel benadeelde niet in staat is facturen over te leggen van de verbrande goederen, komt de opstelling van benadeelde de rechtbank reëel voor, zowel voor wat betreft de daarop genoemde goederen die verloren zouden zijn gegaan als voor wat betreft de opgegeven waarde van deze goederen. De rechtbank zal het schadebedrag dan ook vaststellen op het door de benadeelde gevorderde bedrag.

Aannemelijk is dat deze schade het gevolg is van het onder 3 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij kan dus tot dat bedrag worden toegewezen.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 3056,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 2].

Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen:

36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77s, 77v, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3 primair, 4 primair en 5 primair telastgelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

Feit 1:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK BRAND STICHTEN TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN WAS;

EN

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK BRAND STICHTEN TERWIJL DAARVAN LEVENSGEVAAR VOOR EEN ANDER TE DUCHTEN WAS;

Feit 2, 3 primair, 4 primair en 5 primair:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK BRAND STICHTEN TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN WAS, MEERMALEN GEPLEEGD;

verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is telastgelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezene en verdachte te dier zake strafbaar.

Legt verdachte op de maatregel van

PLAATSING IN EEN INRICHTING VOOR JEUGDIGEN

in verzekering gesteld op : 9 juli 2003;

in voorlopige hechtenis gesteld op : 11 juli 2003.

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij BAM NBM Infra,

[adres] tot een bedrag van € 1842,92 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, met bepaling dat indien en voorzover de mededader van verdachte dit bedrag zou hebben betaald, de verdachte van betaling zal zijn bevrijd;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1842,92 ten behoeve van de benadeelde partij genaamd partij BAM NBM Infra, [adres];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 4 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij TMT Verhuur BV, [adres] tot een bedrag van € 1075,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, met bepaling dat indien en voorzover de mededader van verdachte dit bedrag zou hebben betaald, de verdachte van betaling zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1075,- ten behoeve van de benadeelde partij genaamd TMT Verhuur BV, van [adres];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 2 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1],

[adres] tot een bedrag van € 400,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, met bepaling dat

indien en voorzover de mededader van verdachte dit bedrag zou hebben betaald, de verdachte van betaling zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 400,- ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [benadeelde partij 1], [adres];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 1 dag;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2], [adres] tot een bedrag van € 3056,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, met bepaling dat indien en voorzover de mededaders van verdachte dit bedrag zouden hebben betaald, de verdachte van betaling zal zijn bevrijd;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 3056,- ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [benadeelde partij 2], [adres];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 7 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr J.T. van Belzen, kinderrechter, voorzitter,

mr C. Wapenaar, kinderrechter,

mr F.C. Schirmeister, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr M.A. Hobbelink, griffier.

Het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2003.