Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO1007

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
16-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/22532
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid asielrelaas / onderzoek paspoort.

De rechtbank stelt vast dat de overweging van verwerrder het asielrelaas ongeloofwaardig is, is gebaseerd op twijfels met betrekking tot eisers verklaringen over zijn identiteit, woonplaats en scholing. Verweerder stelt dat na onderzoek is gebleken dat het een echt Nigeriaans nationaal paspoort zou betreffen. Dit standpunt is niet met stukken onderbouwd, terwijl uit het dossier niet blijkt dat het paspoort aan een onderzoek onderworpen is. Naar het oordeel van de rechtbank kan eisers stelling dat hij is ingereisd met een vals/vervalst paspoort, niet zonder meer ongeloofwaardig worden geacht. De rechtbank overweegt dat verweerder ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 gehouden is het relaas inhoudelijk te beoordelen in het licht van de algemene situatie in het land van herkomst en een inhoudelijke belangenafweging dient te maken. De beoordeling van het relaas betreft alleen zijn identiteit, afkomst en scholing. Verweerder heeft geen overwegingen gewijd aan de geloofwaardigheid op zich. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/22532 OVERIO

inzake: A, geboren op [...] 1976, van Nigeriaanse nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers, advocaat te Made,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. C.E. McLean-Laurman, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 4 mei 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij beschikking van 6 juli 2000, uitgereikt op 17 juli 2000, is deze aanvraag niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid. Op 17 juli 2000, heeft eiser tegen de afwijzende beschikking bezwaar gemaakt. Bij brief van 14 augustus 2000 heeft eiser de gronden van zijn bezwaar nader aangevuld. Bij beschikking van 22 februari 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 21 maart 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 22 april 2002. Op 29 mei 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 20 mei 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig R. Daudu, als tolk in de Pidgin-Engelse taal.

II. ASIELRELAAS

Eiser behoort tot de Edo-stam en is afkomstig uit Kaduna, Nigeria. Hij woonde samen met zijn vader, moeder en broer. Allen waren christen. Op 10 februari 2000 was eiser aan het voetballen. Bij thuiskomst trof hij zijn ouders en broer vermoord aan. Hun dood hield verband met de onlusten over de invoering van de sharia (islamitische wetgeving). Die dag waren nog veel meer christenen vermoord. Eiser werd mishandeld door de moslimautoriteiten. Hiervan draagt hij nog littekens. Eiser ging terug naar het voetbalveld en hield zich in een school bij het veld dagenlang schuil. C, een goede vriend van eisers vader, die in Benin-city woonde, zag op televisie dat er gevochten werd in Kaduna met beelden van de dode lichamen van eisers ouders. C ging eiser halen en bracht hem van Kaduna naar Edo-state. C regelde vervolgens een paspoort en ticket voor eiser en zette hem op het vliegtuig.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Eiser is ingereisd met een paspoort waarvan de echtheid is vastgesteld. De door eiser gestelde personalia komen niet overeen met de personalia op dit paspoort. Eiser houdt vast aan de stelling dat de pasfoto in het paspoort van hem is maar dat de personalia in het paspoort niet bij hem horen. Eiser heeft verder geen andere documenten overgelegd met betrekking tot zijn identiteit. Voorts is ongeloofwaardig dat eiser uit Kaduna afkomstig is, nu hij geen nauwkeurige gegevens over deze plaats kan verstrekken. Verder is ongeloofwaardig dat eiser niet kan lezen en schrijven dan wel een plattegrond kan tekenen terwijl hij heeft verklaard twaalf jaar onderwijs te hebben gevolgd. Gelet op het voorgaande wordt het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig geacht en behoeft dit geen nadere bespreking. Niet is gebleken dat er een reëel risico bestaat dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ten slotte faalt eisers beroep op het traumatabeleid eveneens op grond van de ongeloofwaardigheid van het relaas.

2. Eiser legt aan het beroep ten grondslag dat het bestreden besluit niet voldoet aan de eisen van zorgvuldige voorbereiding in de zin van artikel 3:2 van de Awb. Verweerder is in het geheel niet ingegaan op het relaas van eiser. Juist gelet op eisers verklaring dat het overgelegde nationaal paspoort niet van hem is, heeft eiser van meet af aan eerlijk verklaard over zijn identiteit. Eiser heeft het paspoort door middel van omkoping verkregen. Verder is verweerder in het bestreden besluit niet of nauwelijks ingegaan op de uitvoerige gronden die eiser in bezwaar heeft aangevoerd zodat het bestreden besluit om die reden evenmin aan de vereisten van artikel 3:46 van de Awb voldoet.

Eiser dient te worden erkend als vluchteling dan wel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning gelet op hetgeen over de rellen in Nigeria bekend is. Voorts doet eiser een beroep op het traumatabeleid vanwege zijn huidige psychische gesteldheid als gevolg van de gewelddadige dood van zijn familieleden. Bovendien is eiser mishandeld door de moslimautoriteiten in de religieuze strijd in Kaduna. De littekens daarvan draagt hij duidelijk zichtbaar over zijn hele lichaam Zij kunnen door een Geneeskundig Inspecteur onderzocht worden.

3. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser gewezen op de notitie van 31 maart 2000 van de medewerker van Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland (VVN) die eiser heeft voorbereid op het nader gehoor. In deze notitie staat vermeld dat eiser een beperkt begripsvermogen heeft, hij op school niets leerde en daar altijd sliep.

IV. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

3. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

4. De rechtbank stelt vast dat voor zover verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen dat het relaas ongeloofwaardig wordt geacht, dit gebaseerd is op twijfels met betrekking tot eisers verklaringen over zijn identiteit, woonplaats en scholing.

5. Met betrekking tot het door eiser overgelegde nationaal paspoort overweegt de rechtbank dat verweerder stelt dat na onderzoek is gebleken dat het een echt Nigeriaans nationaal paspoort zou betreffen. Dit standpunt is evenwel niet met stukken onderbouwd terwijl uit het dossier evenmin blijkt dat het paspoort aan een onderzoek onderworpen is. In het licht hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank eisers stelling, dat hij is ingereisd met een vals/vervalst paspoort, niet zonder meer ongeloofwaardig worden geacht.

6. Verweerder heeft voorts, in het kader van de geloofwaardigheid, de omstandigheid tegengeworpen dat eiser geen gegevens van zijn woonplaats op een plattegrond kan aanwijzen, hoewel hij scholing zou hebben genoten. Dit punt is door verweerder echter niet beoordeeld in het licht van hetgeen eiser op dit punt in bezwaar heeft aangevoerd, te weten dat hij zeer moeilijk kan lezen en schrijven. Vraag is dan ook of verweerder in redelijkheid aan dit punt zoveel gewicht heeft kunnen toekennen. Dit geldt temeer nu, naar het oordeel van de rechtbank, het op de weg van verweerder had gelegen de bevindingen, zoals weergegeven in de notitie ‘voorbereiding nader gehoor’ van de medewerker VVN, genoemd onder III.3, te betrekken bij de afweging.

7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat het bestreden besluit met betrekking tot de overwegingen over de geloofwaardigheid van het relaas van eiser een deugdelijke motivering ontbeert zodat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en 3:46 van de Awb.

8. Door eiser is verder aangevoerd dat verweerder niet is ingegaan op zijn relaas en in die zin het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.

9. De rechtbank overweegt in het licht hiervan dat, los van de vraag of in casu een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000, voordoet die afbreuk doet aan de verklaringen van eiser, verweerder ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 gehouden is het relaas van eiser inhoudelijk te beoordelen in het licht van de algemene situatie in het land van herkomst en een inhoudelijke belangenafweging dient te maken.

10. Zoals hierboven onder rechtsoverweging III.4 is overwogen, betreft de beoordeling van het relaas van eiser door verweerder alleen zijn identiteit, afkomst en scholing en heeft verweerder geen overwegingen gewijd aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas op zich.

Dit betekent dat verweerder een beoordeling van het asielrelaas in het bestreden besluit heeft nagelaten. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit ook op dit punt onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

11. Hetzelfde geldt ten aanzien van de stelling van eiser dat verweerder geen aandacht heeft besteed aan de littekens van eiser en evenmin heeft onderzocht in hoeverre deze littekens verband houden met het vertrek van eiser uit zijn land van herkomst. Ook op dit punt komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

12. Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij ten onrechte in bezwaar niet is gehoord.

13. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb dient een bestuursorgaan belanghebbenden te horen voordat het op bezwaar beslist. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de hoorplicht een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftprocedure.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder b van de Awb kan van het horen in bezwaar worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op voorgaande overwegingen, in de onderhavige zaak niet op de voet van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen heeft kunnen afzien. Op dit punt dient het bestreden besluit eveneens te worden vernietigd.

15. Hetgeen verder in beroep is aangevoerd behoeft geen nadere bespreking nu het beroep gegrond dient te worden verklaard en verweerder gehouden is een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

16. Verweerder zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op €644 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt €322,--, wegingsfactor 1).

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met in-achtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

Gewezen door mr. J.M. Sassenburg, voorzitter, in tegenwoordigheid van ir. M.V.C. Dam-Jansen, griffier en openbaar gemaakt op: 17 december 2003

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 17 december 2003

Conc: MD

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.