Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO0597

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
03-02-2004
Zaaknummer
AWB 03/62315, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / artikel 3 EVRM.

Verzoeker heeft gesteld dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat hij bij terugkeer in Syrië een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling te wachten staat. Dat de omstandigheid dat verzoeker beroepsmilitair is, niet is gewijzigd ten opzichte van zijn vorige procedure, is een ondeugdelijke motivering nu het ten tijde van de besluitvorming in de vorige procedure geldende ambtsbericht inzake Syrië, geen melding maakte van de in het ambtsbericht van 4 juni 2003 genoemde bijzondere omstandigheden ten aanzien van dienstplichtige militairen en deserteurs. Verweerder heeft gelet op het ambtsbericht van 4 juni 2003 niet zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering tot het oordeel kunnen komen dat geen sprake is van schending van artikel 3 EVRM. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Regnrs: AWB 03/62315, 03/62311, 03/62324, 03/62322, 03/62338, 03/62332,

03/62347 en 03/62346 BEPTDN A S7

uitspraak: 17 december 2003

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1951,

verzoeker 1,

B,

geboren op [...] 1958,

verzoekster 1,

mede namens hun minderjarige zoon

C,

geboren op [...] 1997,

D

geboren op [...] 1982,

verzoeker 2 en

E,

geboren op [...] 1987,

verzoekster 2,

allen verblijvende te Ter-Apel,

van Syrische nationaliteit,

IND dossiernummers: 9911.02.8242, 0206.24.8030 en 0311.26.0309

verzoekers,

gemachtigde: mr. J. Ruys, advocaat te Helmond,

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Straatman, werkzaam bij de IND.

PROCESVERLOOP

Op 26 november 2003 hebben verzoekers aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft bij beschikking van 29 november 2003 afwijzend op de aanvraag van verzoeker 1 beslist. Bij beschikkingen van 30 november 2003 heeft verweerder op de aanvragen van verzoekster 1, verzoekster 2 en verzoeker 2 beslist.

Bij beroepschriften van 30 november 2003 hebben verzoekers beroep ingesteld tegen de beschikkingen van 29 en 30 november 2003. Deze beroepen zijn geregistreerd onder AWB 03/62311, 03/62332, 03/62346 en 03/62322 BEPTDN A S7. Verzoekers is meegedeeld dat zij de behandeling van de beroepschriften niet in Nederland mogen afwachten.

Bij verzoekschriften van 30 november 2003 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen totdat op de beroepen wordt beslist. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken aan de voorzieningenrechter en verzoekers gezonden. De openbare behandeling van de verzoeken om een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 12 december 2003. Verzoekers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

MOTIVERING

Feiten en standpunten van partijen

Verzoeker 1 en verzoekster 1 hebben op 2 november 1999 mede namens verzoekster 2 voor de eerste maal aanvragen om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 17 augustus 2000 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan verzoekers geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Verzoekers hebben daartegen bij brief van 19 september 2000 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 30 oktober 2002 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Bij beroepschriften van 26 november 2003 hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. Bij uitspraak van 16 juni 2003 van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, zijn de beroepen ongegrond verklaard en zijn de verzoeken om een voorlopige voorziening afgewezen.

De door verzoeker 2 op 24 juni 2002 ingediende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is door verweerder bij beschikking van 18 december 2002 afgewezen. Deze beschikking is bij uitspraak van de rechtbank Roermond op 13 juni 2003 onherroepelijk geworden door ongegrondverklaring van het beroep.

Verzoekers hebben op 26 november 2003 herhaalde aanvragen ingediend. Ter ondersteuning daarvan hebben verzoekers een drietal documenten overgelegd:

1. een afschrift van een brief van het Ministerie van Binnenlandse zaken van 12 juli 2003 gericht aan de leiding van de politie van de provincie Rif Damascus, waarin verzocht wordt om A te arresteren vanwege het verrichten van activiteiten gericht tegen de veiligheid van de staat en vanwege zijn ontsnapping uit de gevangenis.

2. twee onvertaalde verkoopaktes uit 1993 en 1994.

3. een onvertaalde kopie van een brief met een overzicht van de militaire dienst van verzoeker.

Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat de door verzoeker 1 overgelegde documenten niet beschouwd kunnen worden als nieuwe feiten en omstandigheden. Ten aanzien van het overgelegde arrestatiebevel kan niet worden vastgesteld of dit document echt is, nu een kopie is overgelegd en niet het origineel. Daarnaast heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat dit document een kopie betreft van een authentiek op hem betrekking hebbend arrestatiebevel. Omtrent de verkrijging ervan heeft verzoeker enkel vage verklaringen afgelegd en weet hij niet hoe zijn familie in het bezit is gekomen van dit bevel. Evenmin acht verweerder het aannemelijk dat de Syrische autoriteiten, na de ontsnapping van verzoeker op 29 september 1999, eerst op 12 juli 2003, een arrestatiebevel uitvaardigen, met als reden onder meer deze ontsnapping. Bovendien wijst verweerder op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse zaken inzake Syrië van 4 juni 2003, waaruit blijkt dat het niet strookt met de werkwijze van de Syrische autoriteiten om arrestatiebevelen te verstrekken aan familieleden van personen die door de autoriteiten worden gezocht. Op basis van deze overwegingen concludeert verweerder dat het arrestatiebevel een kopie is van een authentiek document zodat dit document geen novum is in de zin van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Ten aanzien van de overige door verzoeker 1 overgelegde documenten heeft verweerder gesteld dat deze niet kunnen worden betrokken bij de beoordeling, nu deze documenten niet voorzien zijn van een vertaling. Voorts heeft verweerder gesteld dat deze documenten niet kunnen leiden tot een heroverweging van de beslissing op de eerste aanvraag, nu nimmer getwijfeld is aan de militaire achtergrond van verzoeker 1 en in de eerste procedure uiteindelijk niet meer getwijfeld is aan de verklaringen van verzoeker dat hij huiseigenaar en verhuurder van woningen is. Er bestaat volgens verweerder derhalve geen aanleiding de aanvragen inhoudelijk te beoordelen op inwilligbaarheid.

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat hun aanvragen ten onrechte in de AC-procedure zijn afgedaan. Naar het oordeel van verzoekers is voldoende gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden en was een nader onderzoek in deze aangewezen. Verzoeker 1 is van mening dat verweerder ten onrechte het door hem overgelegde kopie van een arrestatiebevel niet als novum heeft aangemerkt omdat de authenticiteit van dit document niet kan worden vastgesteld. Volgens verzoeker dient verweerder waarde toe te kennen aan het overgelegde arrestatiebevel, omdat de Syrische autoriteiten geen originele documenten afgeven. Voorts bestrijdt verzoeker dat hij vage verklaringen zou hebben afgelegd met betrekking tot de wijze waarop hij dit document heeft verkregen. Hij heeft eerlijk aangegeven dat hij niet weet hoe zijn familie aan het document heeft kunnen komen. Zijns inziens is er dan ook geen reden te twijfelen aan hetgeen hij hierover heeft verklaard. Voorts bestrijdt verzoeker dat het bevreemdend is dat eerst op 12 juli 2003 een arrestatiebevel wordt uitgevaardigd, nu het zeer wel mogelijk is dat het overgelegde bevel een vervolg is op een groot aantal eerdere bevelen. Verweerder had hiernaar nader onderzoek moeten instellen.

Voorts stelt verzoeker dat hem als beroepsmilitair bij terugkeer in Syrië een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling te wachten staat. Verzoeker heeft in dit verband onder andere verwezen naar pagina 83 van het ambtsbericht van juni 2003, waaruit blijkt dat de Syrische autoriteiten een actief opsporings- en vervolgingsbeleid voeren ten aanzien van deserteurs. Voorts heeft verzoeker in dit verband verwezen naar een brief van Amnesty International van 24 juni 2003.

Beoordeling van de verzoeken

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen het besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Verzoekers zijn tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

In dit geding dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is onder meer van belang of verweerder de aanvragen zonder schending van eisen van zorgvuldigheid in het kader van de AC-procedure heeft kunnen afwijzen.

Artikel 4:6 Awb bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag is gedaan, de aanvrager is gehouden nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden te melden. Indien daarvan geen sprake is, kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerder afwijzende beschikking.

Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, verwezen zij onder meer naar de uitspraak van 4 april 2003, JV 2003, 219 en de uitspraak van 21 juli 2003, JV 2003, 432, moet de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in dit geval, direct treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

Vooropgesteld moet worden dat met de uitspraken van 13 respectievelijk 16 juni 2003 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Roermond in rechte is vast komen te staan dat verzoekers niet kunnen worden aangemerkt als vluchteling, dat zij bij uitzetting naar Syrië geen reëel risico lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat evenmin sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die tot verblijfsaanvaarding nopen. De aanvragen van 26 november 2003 die aan de bestreden beschikkingen ten grondslag liggen, moeten derhalve worden aangemerkt als nieuwe aanvragen in de zin van artikel 4:6, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Allereerst stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder de aanvraag van verzoekster 1 respectievelijk van verzoeker 2 en van verzoekster 2 afhankelijk heeft geacht van de aanvraag van verzoeker 1. In het hiernavolgende zal dan ook met name op de aanvraag van verzoeker 1 worden ingegaan. De conclusies die ten aanzien van de aanvraag van verzoeker 1 worden getrokken gelden ook voor vorenvermelde verzoekers.

Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat tussen partijen de overgelegde kopieën van een tweetal verkoopaktes uit 1993 en 1994 en een kopie van een brief met een overzicht van de militaire dienst van verzoeker 1 niet (meer) in geschil zijn.

Het door verzoeker 1 bij de aanvraag overgelegde arrestatiebevel heeft verweerder niet als novum aangemerkt omdat niet kan worden vastgesteld dat dit document authentiek is. Het standpunt van verweerder dat het een kopie betreft hebben verzoekers niet betwist. De voorzieningenrechter is met verwijzing naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 september 2003, nr. 200304202/1, gepubliceerd in JV 2003, nr. 504 van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat kopieën niet aangemerkt kunnen worden als rechtens relevante nova. Daarnaast heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker 1 ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt dat het door hem overgelegde document een kopie betreft van een authentiek op hem betrekking hebbend arrestatiebevel.

Ten aanzien van verzoekers beroep op artikel 3 EVRM, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

In een uitspraak van de Raad van State 5 maart 2002, 200200237/1 wordt onder meer overwogen dat zelfs indien sprake is van gedwongen terugkeer naar een land waar, naar gesteld, een risico bestaat op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling of bestraffing, moet in de regel worden voldaan aan de in het nationale recht neergelegde procedure-regels. Slechts onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaan om deze regels niet tegen te werpen (uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, in de zaak Bahaddar tegen Nederland, gepubliceerd in JV 1998/45). Artikel 4:6 Awb is een regel in vorenbedoelde zin.

Als bijzondere op de individuele zaak betrekking hebbende omstandigheid heeft verzoeker 1 in de zienswijze gesteld dat hij bij uitzetting naar Syrië een reëel risico loopt slachtoffer te worden van een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, nu hij beroepsmilitair is en uit het meest recente algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Syrië van 4 juni 2003, blijkt dat voor beroepsmilitairen een andere strafmaat geldt dan voor dienstplichtige militairen en dat de Syrische autoriteiten een actief opsporings- en vervolgingsbeleid voeren ten aanzien van deserteurs. In de eerdere ambtsberichten stond dit volgens verzoeker nog niet vermeld. Volgens verzoeker is verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op dit punt.

In beroep heeft verzoeker ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij niet kan terugkeren naar Syrië verder nog gewezen op een brief van Amnesty International van 24 juni 2003.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, nu verweerder niet is ingegaan op de door verzoeker geschetste omstandigheden. Dat, zoals in het besluit staat verwoord, de omstandigheid dat verzoeker beroepsmilitair is, niet is gewijzigd ten opzichte van zijn vorige procedure, is een ondeugdelijke motivering nu het ten tijde van de besluitvorming in de vorige procedure geldende ambtsbericht inzake Syrië, geen melding maakte van de in het ambtsbericht van 4 juni 2003 genoemde bijzondere omstandigheden ten aanzien van dienstplichtige militairen en deserteurs. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, gelet op het ambtsbericht van 4 juni 2003, niet zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering tot het oordeel kunnen komen dat geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM.

Derhalve is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de aanvragen niet heeft kunnen afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikkingen.

Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in gegrondverklaring van de beroepen kan eindigen. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op de beroepen te beslissen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 Awb en artikel 3:46 Awb en komen de bestreden beschikkingen voor vernietiging in aanmerking.

Nu verzoekers de behandeling van hun aanvragen in Nederland mogen afwachten en het stadium van de procedure zich, door gegrondverklaring van de beroepen en daarmee de vernietiging van de bestreden besluiten, wederom bevindt in de aanvraagfase, hebben verzoekers geen belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening.

De verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening zijn derhalve ongegrond.

Voor vergoeding van de kosten die verzoekers in verband met het indienen van de verzoekschriften of de beroepschriften hebben moeten maken, bestaat aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening bekend onder nummer AWB 03/62315, 03/62324, 03/62347 en 03/62338 BEPTDN A S7 af;

- verklaart de beroepen, bekend onder nummer AWB 03/62311, 03/62322, 03/62346 en 03/62332 BEPTDN A S7 gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 29 november 2003 en draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad EUR 966,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekers dienen te voldoen.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak ten aanzien van het gedeelte waarin op de beroepen is beslist, binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Aldus gegeven door mr. K. Wentholt, voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.B.A. Mensink als griffier op 17 december 2003.

Afschrift verzonden op: 17 december 2003