Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO0590

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2003
Datum publicatie
19-12-2003
Zaaknummer
09/757053-03 en 09/091641-03 (t.t.z. gev)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank 's-Gravenhage heeft een 31-jarige man veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf wegens doodslag, verkrachting, diefstal en poging tot doodslag. De poging tot doodslag en de doodslag beging de man in december 2002 en januari 2003, nadat hij niet was teruggekeerd van een proefverlof van de tbs-inrichting waar hij sedert 1999 verbleef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/757053-03 en 09/091641-03 (t.t.z. gev)

rolnummer 0006 en 0005

's-Gravenhage, 18 december 2003

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd te P.I. Rijnmond, Huis van Bewaring De IJssel, Krimpen a/d IJssel.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 december 2003 .

De verdachte, bijgestaan door zijn raadslieden mr Van Zundert en mr Ong Sien Hien, zijn verschenen en gehoord.

Er hebben zich drie benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr Kole heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/757053-03 onder feit 1 primair, 2 primair en 3 telastgelegde feiten en terzake van het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/091641-03 primair telastgelegde feit wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de materiële schade van de [benadeelde partij 1] en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 2354,71 subsidiair 47 dagen hechtenis ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer [nabestaande slachtoffer 1];

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de schade van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot het maximale bedrag dat ten tijde van het misdrijf wettelijk mogelijk was, nl. fl. 1500,- (€ 680,67).

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot ƒ1500,- (€ 680,67) subsidiair 13 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2];

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de materiële schade van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 350,- subsidiair 7 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3]

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A en A1

Ontvankelijkheid officier van justitie.

De raadsman van verdachte heeft de volgende redenen aangevoerd die naar zijn oordeel - zo begrijpt de rechtbank - elk voor zich, dan wel in onderlinge samenhang moeten leiden primair tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging, subsidiair tot bewijsuitsluiting (zakelijk weergegeven):

1. verdachte is op 24 januari 2003 aangehouden ter zake van het niet terugkeren van verlof uit de TBS-kliniek; hij was echter op dat moment reeds verdachte en had dientengevolge in verzekering gesteld moeten worden en binnen 87 uur moeten worden voorgeleid aan de rechter-commissaris; het OM heeft misbruik gemaakt van zijn bevoegdheden door verdachte eerst op 18 februari 2003 in verzekering te stellen;

2. verdachte heeft eerst 24 uur na zijn inverzekeringstelling kunnen spreken met zijn advocaat;

3. verdachte heeft zich diverse malen beroepen op zijn zwijgrecht; toch is de politie langdurig doorgegaan met verhoren; verdachte is daarbij onder grote (psychische) druk geplaatst;

4. telefoongesprekken van familieleden zijn afgeluisterd; dit was onrechtmatig, omdat zij geen verdachte waren en bovendien in die fase niet zijn gewezen op hun verschoningsrecht;

5. de huisgenoten van verdachte zijn ook aangehouden; deze personen konden niet als verdachte worden aangemerkt, maar slechts als getuige; hun aanhouding was onrechtmatig;

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

ad 1 en 2:

De raadsman heeft een beroep gedaan op vermeende verzuimen bij de inverzekeringstelling van de verdachte. Dergelijke verzuimen kunnen aan de orde worden gesteld bij het verhoor door de rechter-commissaris als bedoeld in art. 59a Sv. Zulks is in casu ook gebeurd. Tegen het oordeel van de rechter-commissaris dat het verleende bevel tot inverzekeringstelling niet onrechtmatig is, staat geen hogere voorziening open. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen bij de inverzekeringstelling die reeds aan de rechter-commissaris zijn voorgelegd. Noch de tekst van art. 359a Sv noch de wetsgeschiedenis van die bepaling geeft daartoe aanleiding.

De rechtbank passeert derhalve deze onderdelen van het verweer.

ad 3:

De rechtbank constateert dat verdachte zich tijdens de verhoren meermalen op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Aan de raadsman moet worden toegegeven dat de verhoren desondanks onverminderd en langdurig zijn doorgegaan. Dat de verdachte daarbij onder enige psychische druk is gezet acht de rechtbank zeker aannemelijk. Niet is gebleken dat daarbij de grenzen van het toelaatbare zijn overschreden, waarbij in het oog moet worden gehouden dat het misdrijf ter zake waarvan verdachte werd verhoord de rechtsorde ernstig heeft geschokt.

ad 4:

Dit verweer van de raadsman vindt geen steun in het recht.

ad 5:

Op het moment van hun aanhouding waren er ten aanzien van [huisgenoot 1] en [huisgenoot 2] voldoende redenen waren hen als verdachte aan te merken. Immers leverde [huisgenoot 1] het moordwapen in bij de politie en bleek dat ook [huisgenoot 2] toegang had tot de plaats waar het wapen was bewaard. Hun aanhouding was derhalve rechtmatig.

Het beroep op niet-ontvankelijkheid wordt verworpen, omdat de daarvoor onder 3 t/m 5 aangevoerde gronden -zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang beschouwd- niet leiden tot de conclusie dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak en op een eerlijk proces en evenmin dat daardoor is gehandeld in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt. Ook is de rechtbank niet gebleken dat het OM minder vergaande vormverzuimen heeft gepleegd. Derhalve wordt ook het subsidiaire verweer tot bewijsuitsluiting verworpen.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/757053-03 onder 1 primair, 2 primair en 3 vermelde feiten, en dat verdachte het bij dagvaarding met parketnummer 09/091641-03 primair vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B en B1.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Ten aanzien van het eerste feit, de levensberoving van de heer [slachtoffer 1], heeft verdachte door zijn handelen de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed en veel verdriet aangedaan niet alleen doordat zij nu verder moeten leven zonder hem maar ook doordat hij aan die familieleden de mogelijkheid heeft ontnomen op een waardige manier afscheid te nemen van hun dierbare. Verdachte heeft het slachtoffer -een bejaarde man- in diens eigen huis doodgeschoten en vervolgens gedurende tenminste een uur het hele huis doorzocht. Hij heeft zelfs het neergeschoten slachtoffer dat tegen de kast aanlag, nog verplaatst teneinde de betreffende kast te kunnen doorzoeken. Dit wijst erop dat verdachte in alle rust en kalmte heeft gehandeld.

Delicten als onderhavige, dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en daarnaast brengen zij bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Met betrekking tot het door verdachte gepleegde zedendelict kan als feit van algemene bekendheid worden aangenomen, dat slachtoffers van dit soort delicten vaak langdurig te lijden hebben van de tengevolge van deze delicten opgelopen trauma's en de daardoor veroorzaakte emotionele schade. Het slachtoffer de heer [slachtoffer 2] is, hoewel het misdrijf meer dan 11 jaar geleden is gepleegd, nog steeds onder behandeling bij de RIAGG ten gevolge van deze verkrachting. Tevens is het slachtoffer na de verkrachting niet meer in staat gebleken zijn werk uit te voeren.

Verdachte heeft niet geschroomd ten koste van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer met geweld bevrediging van zijn seksuele lustgevoelens af te dwingen. Daarbij heeft hij het slachtoffer pijn toegebracht en hevige angst aangejaagd door middel van bedreigingen. De rechtbank rekent verdachte daarbij in het bijzonder aan dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn natuurlijk overwicht dat hij had op het zwakbegaafde slachtoffer. Na de verkrachting heeft verdachte het slachtoffer onder bedreiging met een mes ook nog beroofd van zijn bezittingen.

Voorts heeft verdachte een gewapende overval gepleegd op een juwelier en heeft na het plegen van dit feit geschoten bewust en gericht in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer, de heer [slachtoffer 3] De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij bij de uitvoering van deze overval grof geweld heeft toegepast. Hij is bij de voorbereiding van dit misdrijf zeer planmatig te werk gegaan door een vuurwapen aan te schaffen en een masker te dragen. Ook door dergelijke feiten wordt de rechtsorde ernstig geschokt en worden gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving gevoed.

Wat betreft de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het rapport d.d. 28 november 2003 van F.R. Kruisdijk, psychiater en A.J. de Groot, psycholoog beide vast gerechtelijk deskundige bij het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht. In dit rapport wordt enerzijds geconcludeerd dat verdachte ten tijde van de gekwalificeerde doodslag en de poging doodslag weliswaar leed aan een gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, doch dat deze beide feiten hem volledig kunnen worden toegerekend. Anderzijds wordt ten aanzien van de verkrachting en beroving van de zwakbegaafde man (parketnummer 091598-03) geconcludeerd dat verdachte de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat zou zijn geweest zijn wil in vrijheid – overeenkomstig een dergelijk besef – te bepalen. Verdachte leed dan ook ten tijde van deze misdrijven aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat deze feiten hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Op basis van deze conclusies zijn de psychiater en psycholoog tot het volgende advies gekomen: verdachte heeft een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale (psychopathiforme) trekken. De stoornis is inmiddels uitgehard; in tegenstelling tot het vorige verblijf van verdachte in het Pieter Baan Centrum is er thans geen sprake meer van onrijpheid: schaamte en onzekerheid worden niet meer aangetroffen. Verdachte heeft weinig remmingen en controle opgebouwd in zijn persoonlijkheid: hij is impulsief ingesteld en ervaart weinig terughoudendheid in de zin dat anderen er feitelijk niet toe doen. De onderhavige bevindingen stemmen nagenoeg overeen met de bevindingen in het verleden (RIJ het Nieuwe Lloyd, PBC, Meijers Instituut, Kijvelanden).

Ten aanzien van de telastgelegde verkrachting lijkt een grote mate van berekening aanwezig die teruggevonden wordt in het delictscenario. Verdachte koos een weerloos slachtoffer (een zwakbegaafde man) en misbruikte deze. Daarnaast valt een planmatig optreden op met betrekking tot de gekwalificeerde doodslag en de poging doodslag na de overval op de juwelier in Rotterdam: het in het bezit hebben van een vuurwapen bij beide feiten, het helpen met oversteken en toegang tot de woning verschaffen, het dragen van een masker.

Onduidelijk is gebleven of deze feiten mogelijk drugsgerelateerd zijn, maar mocht dit het geval zijn, dan is verdachte geheel verantwoordelijk te houden voor de keuze om drugs te gebruiken en het hieruit voortvloeiende criminele gedrag. Hij was hierin voldoende voorgelicht binnen zijn tbs-behandeling.

Wegens het geringe verband tussen de persoonlijkheidspathologie van verdachte en het telastgelegde onthouden de deskundigen zich van een advies tot behandeling van verdachte in een strafrechtelijk kader. Beschouwenderwijs stemt de behandelprognose somber. Behandeling lijkt nauwelijks geïnternaliseerd. Verdachte lijkt zelfs manipulatiever te zijn geworden. Alle behandelprognoses ten spijt kan verdachte er onverminderd voor kiezen zich crimineel en/of seksueel gewelddadig te manifesteren, maar er bestaat ook gevaar voor geweld als een conflict zijn narcistisch antisociale kernpathologie raakt.

De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt die tot de hare.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit het algemeen documentatieregister meermalen voor ernstige gewelds- en zedendelicten is veroordeeld, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Verdachte heeft, blijkens het onderstaande vanaf 1990 zijn leven grotendeels doorgebracht in verschillende gevangenissen en behandelinrichtingen:

In 1990 is hij veroordeeld voor de verkrachting van een 11-jarig meisje en is geplaatst in een inrichting voor buitengewone behandeling.

Nadat hij in juni 1992 vrijkwam heeft hij binnen een korte periode, te weten binnen 5 maanden, de heer [slachtoffer 2] verkracht en beroofd en in maart 1993 wederom een verkrachting gepleegd, ditmaal van zijn voormalige schoonzus.

Tijdens zijn voorarrest voor dit laatstgenoemde feit gijzelde hij een bewaarster. Voor beide feiten, de verkrachting en de gijzeling werd hij veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf. Tot maart 1995 verbleef verdachte in verschillende gevangenissen.

Slechts 5 maanden later (augustus 1995) pleegde verdachte een reeks delicten, ditmaal een poging tot verkrachting van een zwangere vrouw, diefstal met geweld, afpersing en bedreiging, en werd daarvoor veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf. Daarbij werd hem de maatregel tbs met dwangverpleging opgelegd. Tijdens zijn verblijf in de gevangenis voor deze feiten stak verdachte een medegevangene neer.

Vanaf 1999 verbleef verdachte in een tbs-inrichting tot 16 december 2002, op die datum keerde hij niet terug van een proefverlof. Twee dagen later pleegde verdachte de overval op een juwelier in Rotterdam en op 16 januari 2003 de doodslag op de heer [slachtoffer 1].

De afgelopen 13 jaren is verdachte slechts een enkele maanden op vrije voeten geweest. Tussen het beëindigen van de vrijheidsstraffen en het plegen van wederom zeer ernstige delicten zat telkens slechts luttele maanden, zodat verdachte direct weer hoge vrijheidsstraffen kreeg opgelegd. Blijkbaar hebben deze straffen, die verdachte de afgelopen jaren heeft moeten ondergaan, hem er nooit van weerhouden om in herhaling te vallen. Zelfs behandeling in een tbs-instelling heeft niets veranderd aan het gedrag van verdachte. Sterker nog, verdachte pleegde tijdens een proefverlof van de tbs-inrichting delicten die wellicht nog ernstiger genoemd kunnen worden dan alle voorgaande. De kans op herhaling lijkt, alle straffen en maatregelen ten spijt, op geen enkele wijze verminderd te kunnen worden.

De ernst en het aantal van de bewezenverklaarde feiten, alsmede de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd, maar evenzeer het belang van normbevestiging rechtvaardigen op zichzelf de levenslange gevangenisstraf welke de officier van justitie geëist heeft.

Slechts levenslange vrijheidsstraf kan leiden tot adequate vergelding van de door verdachte begane strafbare feiten en tot effening van de schade die verdachte door de bewezenverklaarde feiten aan de rechtsorde heeft toegebracht.

De rechtbank heeft zich echter nadrukkelijk beraden omtrent de vraag of er in het onderhavige geval redenen zijn om in plaats van voornoemde levenslange gevangenisstraf een zeer langdurige doch tijdelijke gevangenisstraf van 20 jaren op te leggen, of een tijdelijke gevangenisstraf met een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de uitgangspunten van de Nederlandse strafrechtspleging dat er vanuit humanitaire overwegingen ook bij zeer ernstige misdrijven in beginsel voor de verdachte perspectief op terugkeer in de samenleving behoort te zijn.

Bij deze afweging omtrent de duur van de vrijheidstraf is groot gewicht toegekend aan de vraag in hoeverre het gevaar bestaat dat verdachte na vrijlating opnieuw een feit van vergelijkbare ernst begaat. Daarbij is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de kans op herhaling van feiten zoals de thans aan de verdachte bewezen verklaarde groot is. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden dat de verdachte zich in de toekomst anders dan voorheen zal gedragen. Integendeel, zelfs een langdurige tbs met verpleging is nutteloos gebleken; verdachte pleegde tijdens een verlof van de behandeling in de Kijvelanden een gekwalificeerde doodslag en een poging daartoe. Naar aanleiding van het advies van het Pieter Baan Centrum en met het oog op het feit dat verdachte zich zelfs tijdens behandeling in een Tbs-inrichting schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ernstige misdrijven, is de rechtbank van mening dat hernieuwde behandeling van verdachte het recidive risico van verdachte niet kan beperken.

Hetgeen hiervoor met betrekking tot de persoon van verdachte is overwogen staat aan oplegging van een levenslange vrijheidsstraf niet in de weg. Weliswaar kunnen de in 1992 door verdachte begane strafbare feiten aan hem in enigszins verminderde mate worden toegerekend (de verkrachting en beroving van de zwakbegaafde man), maar daar staat tegenover dat verdachte - zoals hiervoor is beschreven - desondanks een ernstig verwijt treft en volledig toerekeningsvatbaar verklaard is ten aanzien van de andere bewezenverklaarde feiten (gekwalificeerde doodslag en poging daartoe). Dit verwijt wordt nog versterkt door het feit, dat verdachte twee bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd, terwijl hij op proefverlof was (en daarvan niet terugkeerde) van de Tbs-inrichting waar hij op dat moment verbleef wegens het plegen van een zedendelict, geweldsdelicten en vermogensdelicten. De rechtbank acht daarom de gevorderde levenslange gevangenisstraf passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2354,71. In feite is er een bedrag van € 4469,12 terzake van uitvaartkosten en € 267,59 terzake van notariskosten gevorderd, de verzekering van benadeelde heeft reeds een gedeelte van de schade, een bedrag van € 2382,=, vergoed. Daarnaast heeft de benadeelde partij een immateriële schadevergoeding gevorderd groot

€ 75.000,=.

Deze vordering, voorzover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de verdediging niet weersproken, en is door de bij het Voegingsformulier gevoegde overgelegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding met parketnummer 09/757053-03 onder feit 1 primair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij gedeeltelijk, tot een bedrag van

€ 2354,71, ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering in zoverre toewijzen.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen, aangezien de nabestaanden van het slachtoffer volgens vaste jurisprudentie geen recht hebben op immateriële schadevergoeding.

[benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3880,-. Hiervan is een bedrag van

€ 3700,- gevorderd terzake van immateriële schade en een bedrag van € 180,- voor materiële schade.

Deze vordering, voorzover deze betrekking heeft op de materiële schade is door de verdediging niet weersproken, en is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die gedeeltelijk eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in de bij dagvaarding onder feit 2 en 3 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij gedeeltelijk ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering deels toewijzen, tot een bedrag van fl. 1500,- (€ 680,67),

(€ 130,= materiële schadevergoeding en € 550,67 immateriële schadevergoeding).

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen, aangezien het bedrag van fl. 1500,- (€ 680,67) ten tijde van het misdrijf het maximaal toewijsbare geacht werd.

[benadeelde partij 3], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot materiële schadevergoeding, groot € 350,-.

Deze vordering, is door de verdediging niet weersproken, en gedeeltelijk eenvoudig van aard en rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in de bij dagvaarding met parketnummer 09/0916421-03 onder het primair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering toewijzen.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens de nabestaanden van slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit onder feit 1 van dagvaarding met parketnummer 09/757053-03 is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 2354,71 ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer [nabestaande slachtoffer 1].

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feiten onder het primaire van de dagvaarding met parketnummer 09/091641-03 is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 350,= ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 24c, 36f, 45, 47, 57, 63, 242, 288, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht;

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/757053-03 onder 1 primair, (ter berechting gevoegd met met parketnummer 091598-03) en de onder 2 primair en 3 vermelde feiten, en dat verdachte het bij dagvaarding met parketnummer 09/091641-03 primair vermelde feit heeft begaan, en dat het bewezene uitmaakt:

dagvaarding met parketnummer 09/757053-03:

feit 1 primair:

Doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

ter berechting gevoegde dagvaarding met parketnummer 091598-03

feit 2 primair:

Verkrachting;

feit 3:

Diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

dagvaarding met parketnummer 09/091641093:

primair:

Poging doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

levenslange gevangenisstraf;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toe en veroordeelt verdachte voorts:

- Om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 1], [adres], een bedrag van € 2354,71

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 2354,71 ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer [nabestaande slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 47 dagen;

- Om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 2], [adres], een bedrag van € 680,67

- Om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 3], [adres], een bedrag van € 350,-

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 350,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 7 dagen;

bepaalt dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de staat doet vervallen, alsmede dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen doet vervallen;

bepaalt dat de benadeelde partijen, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] voor het overige niet ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding, en dat deze de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Timmermans, voorzitter,

Van Steen en Moussault, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Hertzberger, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2003.