Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO0588

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-12-2003
Datum publicatie
07-01-2004
Zaaknummer
AWB 03/60911
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2004:AO3954
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AC-procedure / 48-uurstermijn / amv.

De rechtbank is ten aanzien van nazoeking bij het NRI van oordeel dat met het opmaken van het rapport betreffende identiteitsonderzoek een start is gemaakt met het onderzoek naar de asielaanvraag. De 48-uurstermijn is hiermee aangevangen. Naar het oordeel van de rechtbank kan onderzoek naar een eventuele eerdere asielaanvraag in Nederland dan wel een eventuele contra-indicaties niet worden aangemerkt als een activiteit van louter beheersmatige aard. De onderzoeksresultaten kunnen van invloed zijn op het door verweerder in acht te nemen toetsingskader, in het bijzonder artikel 4:6 Awb. Daarnaast kunnen de onderzoeksresultaten van invloed zijn op de uitkomst van de beoordeling van de asielaanvraag, waarbij te denken valt aan imperatieve en/of facultatieve afwijzingsgrond(en) als genoemd in artikel 30 en 31 Vw 2000. De stelling van verweerder ter zitting dat nazoeking bij het NRI plaatsvindt om te kunnen beoordelen of de vreemdeling voor een tijdelijke noodvoorziening in aanmerking komt, acht de rechtbank niet overtuigend. Ten aanzien van de beslissing de asielzoeker aan te melden voor een leeftijdsonderzoek acht de rechtbank van belang dat deze beslissing is genomen naar aanleiding van de eigen leeftijdsopgave door de asielzoeker in combinatie met de beoordeling van die opgave door middel van optische waarneming door een medewerker van de IND. Daarmee heeft een eerste beoordeling van de opgegeven leeftijd plaatsgevonden hetgeen moet worden beschouwd als een onderzoekshandeling en is de 48-uurstermijn aanvangen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ’S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummer : AWB 03/60911

Datum uitspraak: 11 december 2003

Uitspraak op het beroep in het geschil tussen:

A, geboren op [...] 1986 en van Liberiaanse nationaliteit, eiseres,

gemachtigde mr. F.J.M. Schonkeren, advocaat te Tilburg,

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 19 november 2003 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Verweerder heeft op 22 november 2003 eiseres schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Daarop heeft eiseres haar zienswijze schriftelijk naar voren gebracht.

Bij besluit van 23 november 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Daarbij is eiseres medegedeeld dat het instellen van beroep de rechtsgevolgen niet opschort. Dit besluit is op dezelfde datum aan eiseres in persoon uitgereikt.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij schrijven van 23 november 2003 beroep ingesteld. Tevens heeft eiseres op dezelfde datum de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting van eiseres achterwege wordt gelaten totdat uitspraak zal zijn gedaan op het beroep. Het verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 03/60912.

Bij brief van 1 december 2003 heeft eiseres de gronden van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

De behandeling van het beroep en het verzoek heeft gelijktijdig plaatsgevonden ter zitting van 4 december 2003, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door mr. R.A.P.M. van der Zanden, ambtenaar ten departemente.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of het besluit van 23 november 2003 in rechte stand kan houden.

AC-procedure

Het bestreden besluit is genomen in het kader van de zogenoemde Aanmeldcentrum-procedure (AC-procedure). In hoofdstuk C3/12.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is bepaald dat die procedure zich slechts leent voor een asielaanvraag waaromtrent geen tijdrovend onderzoek nodig is en waarop binnen 48 procesuren zorgvuldig kan worden beslist.

Aanvang 48-uurs-termijn

In de onderhavige en/of vergelijkbare procedures is van de zijde van de eisende partij naar voren gebracht dat de 48-uurs-termijn is overschreden. De onderzoeksactiviteiten, welke zijn gericht op de beoordeling van de asielaanvraag en welke daarmee de 48-uurs-termijn doen aanvangen, zijn eerder begonnen dan verweerder heeft gesteld. Daarbij zijn de volgende activiteiten genoemd als onderzoeksactiviteiten gericht op de beoordeling van de asielaanvraag:

- Het plaatsen van het stempel “Dublin” op het van de asielzoeker opgemaakte dactyloscopisch signalement. Deze vermelding zou er op duiden dat het nemen van vingerafdrukken niet louter heeft plaatsgevonden uit administratieve of beheersmatige overwegingen maar ten behoeve van de beoordeling van de asielaanvraag.

- Het melding maken van “rechtmatig verblijf” op het formulier “informatie t.b.v. project GO”. Deze vermelding zou er op wijzen dat de asielaanvraag reeds door de betrokkene is ingediend, omdat anders immers geen sprake kan zijn van rechtmatig verblijf. Het onderzoek ter beoordeling van de asielaanvraag moet geacht worden daarmee te zijn aangevangen.

- In hetzelfde rapport betreffende identiteitsvaststelling is vermeld dat van betrokkene een dactyloscopisch signalement is opgenomen en dat betrokkene bij nazoeking bij het Nederlands Recherche Instituut (NRI) te Zoetermeer niet bleek voor te komen. Een dergelijke vergelijking van vingerafdrukken moet worden aangemerkt als een onderzoeksactiviteit gericht op het beoordelen van de asielaanvraag.

- In het rapport betreffende identiteitsvaststelling is vermeld dat een medewerker van de IND naar aanleiding van de eigen leeftijdsopgave door de asielzoeker heeft besloten een aanmelding te doen voor een leeftijdsonderzoek met de indicatie “twama” of “vama”. Een dergelijke beslissing tot het laten verrichten van een leeftijdsonderzoek is gebaseerd op de eigen optische waarneming door de medewerker van de IND, hetgeen als een onderzoeksactiviteit moet worden beschouwd die alleen relevantie heeft in het kader van de beoordeling van de asielaanvraag.

Juridisch toetsingskader

Ingevolge artikel 3.109 van het Vb 2000 worden van de vreemdeling die te kennen geeft de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, in te willen dienen, door Onze Minister identificatiefoto's vervaardigd en wordt een dactyloscopisch signalement opgemaakt. De vreemdeling verleent hieraan zijn medewerking.

Voorts blijkt uit hoofdstuk C3/12.2.3 van de Vc 2000 dat in het aanmeldcentrum ten behoeve van het vreemdelingentoezicht de volgende handelingen worden verricht:

a) het (eventueel opnieuw) controleren of de asielzoeker voorkomt in het opsporingsregister of in het Nationaal Schengen-informatiesysteem;

b) het laten ondertekenen van een antecedentenverklaring;

c) eventueel de handelingen genoemd in artikel 3.109 Vreemdelingenbesluit;

d) fouillering en het maken van fotokopieën van alle aangetroffen bescheiden, zoals paspoort, identiteitsbewijzen, reisbiljetten, diploma's e.d.

De handelingen betreffende het controleren of de vreemdeling voorkomt in het opsporingsregister of in het nationaal Schengen-informatiesysteem, alsmede handelingen genoemd in artikel 3.109 van het Vb 2000, betreffende het vervaardigen van identificatiefoto’s en het opmaken van een dactyloscopisch signalement, doen de AC-procedure blijkens hoofdstuk C3/12.2.1 van de Vc2000 echter niet aanvangen, omdat deze niet zien op de behandeling van de asielaanvraag, maar worden gedaan vanuit beheersmatige redenen.

Uit de uitspraak van de ABRS van 15 april 2002 (200201124/1) blijkt dat ingevolge hoofdstuk C3/12.2.3 van de Vc 2000 de 48-uurstermijn aanvangt op het moment dat het eerste onderzoek naar de eerste fase begint, hetgeen in beginsel wil zeggen op het moment dat het onderzoek naar de asielaanvraag is aangevangen.

Blijkens hoofdstuk C3/12.1 van de Vc 2000 betreft de eerste fase in ieder geval het onderzoek naar de asielzoeker, zijn identiteit en nationaliteit. Dat onderzoek kan onder meer bestaan uit het vergelijken van vingerafdrukken.

“Dublin”-stempel

Zoals de ABRS reeds in haar uitspraak van 17 juli 2002 (200203035/1) heeft overwogen kan uit het enkele feit dat op het van de asielzoeker opgemaakte dactyloscopisch signalement het stempel “Dublin” is geplaatst niet worden afgeleid of, en zo ja, wanneer er onderzoek is gedaan naar de vraag of de asielzoeker heeft verbleven in één van de bij het Overeenkomst van Dublin aangesloten landen. Het plaatsen van genoemd stempel doet de 48-uurs-termijn derhalve niet aangevangen.

Vermelding “rechtmatig verblijf”

Ten aanzien van het vermelden van “rechtmatig verblijf” van de betrokken asielzoeker in Nederland op de informatie ten behoeve van het project GO volgt de rechtbank de uitleg die daaraan door verweerder is gegeven. Volgens die uitleg kan uit de bedoelde vermelding niet anders worden afgeleid dat de betrokken asielzoeker op het punt staat een asielaanvraag te doen of reeds een asielaanvraag heeft ingediend en om die reden niet zal worden uitgezet. Aan enige concrete onderzoeksactiviteit is bedoelde vermelding niet gerelateerd. De vermelding kan daarom niet worden beschouwd als een onderzoekshandeling, waarmee een aanvang is gemaakt met het onderzoek naar de – in te dienen – asielaanvraag, doch wordt gedaan vanuit beheersmatige redenen.

NRI-onderzoek

De ABRS heeft bij uitspraak van 28 oktober 2003 (200304447/1) overwogen dat, bij het ingestelde identiteitsonderzoek naar aanleiding van de aanmelding op het AC, waarbij vingerafdrukken zijn opgenomen die tevens zijn vergeleken in het Eurodac-systeem, teneinde eerder verblijf na te gaan in een van de bij de Overeenkomst van Dublin aangesloten landen, gelet op de aard van de informatie op het vergaren waarvan deze niet in artikel 3.109 van het Vb 2000 vermelde activiteiten zijn gericht, moet worden geoordeeld dat met het opmaken van het rapport betreffende identiteitsonderzoek een aanvang is gemaakt met het onderzoek naar de – in te dienen – aanvraag. De vergelijking van de vingerafdrukken en de daarmee samenhangende vraagstelling kunnen niet worden aangemerkt als zijnde van louter administratieve of beheersmatige aard. De uitkomst van die vergelijking en het antwoord op de hiervoor bedoelde vraag vormen de eerste resultaten van het onderzoek naar de beoordeling of de aanvraag op grond van artikel 30, aanhef en onder a, van de Vw 2000 dient te worden afgewezen. Daarmee is de 48-uurs-termijn aangevangen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met nazoeking bij het NRI, gelet op de aard van de informatie op het vergaren waarvan deze evenmin in artikel 3.109 van het Vb 2000 vermelde activiteiten zijn gericht, moet worden geoordeeld dat met het opmaken van het rapport betreffende identiteitsonderzoek evenzeer een aanvang is gemaakt met het onderzoek naar de – in te dienen – asielaanvraag. Immers, het gaat hier om onderzoeksactiviteiten in de vorm van het vergelijken van de bij de asielzoeker afgenomen vingerafdrukken met de vingerafdrukken uit een elektronisch gegevensbestand, waarbij verweerder heeft aangegeven dat bedoeld onderzoek een “A” (asielbekend) en/of een “C” (contra-indicatie) kan opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank kan onderzoek naar een eventuele eerdere asielaanvraag in Nederland dan wel een eventuele contra-indicaties niet worden aangemerkt als een activiteit van louter beheersmatige aard. De onderzoeksresultaten kunnen van invloed zijn op het door verweerder in acht te nemen toetsingskader, in het bijzonder artikel 4:6 van de Awb dat van toepassing is bij een herhaalde asielaanvraag. Daarnaast kunnen de onderzoeksresultaten van invloed zijn op de uitkomst van de beoordeling van de – in te dienen – asielaanvraag, waarbij te denken valt aan imperatieve en/of facultatieve afwijzingsgrond(en) als genoemd in artikel 30 en 31 van de Vw 2000.

De nazoeking bij het NRI doet derhalve de 48-uurs-termijn aanvangen.

De stelling van de gemachtigde van verweerder ter zitting dat nazoeking bij het NRI plaatsvindt om te kunnen beoordelen of de vreemdeling voor een tijdelijke noodvoorziening in aanmerking komt, acht de rechtbank niet overtuigend. Immers, in hoofdstuk C3/12.2.1. van de Vc 2000 zijn criteria aangegeven die gehanteerd worden ter bepaling of een asielzoeker al dan niet moet worden doorgeplaatst naar een tijdelijke noodvoorziening. Van informatie afkomstig van het NRI wordt in dat verband in de Vc 2000 geen melding gemaakt, terwijl ook overigens niet valt in te zien hoe bedoelde informatie anders dan bijvoorbeeld de in de Vc 2000 genoemde evidente minderjarigheid of aanwezigheid van een medische noodsituatie van invloed zou kunnen zijn op de doorplaatsing naar een tijdelijke noodvoorziening.

Beslissing inzake leeftijdsonderzoek

Ten aanzien van de beslissing om de betrokken asielzoeker aan te melden voor een leeftijdsonderzoek op grond van de indicatie “twama” acht de rechtbank van belang dat deze beslissing is genomen naar aanleiding van de eigen leeftijdsopgave door de asielzoeker in combinatie met de beoordeling van die opgave door middel van optische waarneming door een medewerker van de IND. Ingeval van twijfel over de door de asielzoeker gestelde minderjarigheid wordt besloten tot aanmelding voor een leeftijdsonderzoek. In geval van evidente minderjarigheid wordt besloten om van aanmelding af te zien. In beide gevallen heeft evenwel een eerste beoordeling van de door de asielzoeker opgegeven leeftijd plaatsgevonden. Een dergelijke eerste beoordeling van de leeftijd van de asielzoeker moet daarom worden beschouwd als een onderzoekshandeling, waarmee een aanvang is gemaakt met het onderzoek naar de – in te dienen – asielaanvraag en welke de 48-uurs-termijn doet aanvangen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande is de 48-uurs-procedure reeds bij het opmaken van het rapport betreffende identiteitsonderzoek op 9 november 2003 aangevangen en ruimschoots overschreden.

Het beroep is derhalve gegrond.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

? 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

? 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

? waarde per punt € 322,-;

? wegingsfactor 1.

Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.J. Groothedde als griffier op 11 december 2003.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ’s-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschriften verzonden: 11 december 2003