Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO0545

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-07-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/57759
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Driejarenbeleid / overgangsrecht.

De rechtbank stelt vast dat de termijn voor het bepalen van relevant tijdsverloop is aangevangen op 23 maart 1999, de datum waarop de aanvraag is ingediend. De driejarentermijn is volgelopen op 23 maart 2002, derhalve ná de inwerkingtreding van de Vw 2000 op 1 april 2001. De Vw 2000 heeft onmiddellijke werking. De rechtbank dient te toetsen aan hoofdstuk B1/2.2.11 Vc 2000. De rechtbank vindt hiervoor steun in de REK-uitspraak AWB 98/1090 van 18 juni 1998.

In hoofdstuk B1/2.2.11 Vc 2000 is bepaald dat in een reguliere procedure het driejarenbeleid wordt uitgewerkt als een beperking van de afwijzingsgronden. Ingeval de procedure drie jaar heeft geduurd wordt voorbij gegaan aan twee gronden waarop een aanvraag afgewezen zou kunnen worden, te weten het middelenvereiste en het mvv-vereiste. De overige afwijzingsgronden van artikel 16 Vw 2000 blijven van toepassing, waaronder de onder g genoemde voorwaarde dat voldaan moet zijn aan de beperking, verband houdende met het verblijfsdoel. Verweerders standpunt waar het gaat om het driejarenbeleid indien de vreemdeling verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard beoogt, betekent impliciet dat in een dergelijk geval de vreemdeling nimmer in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning wegens drie jaar relevant tijdsverloop hoewel hiervan sprake is. De rechtbank verwijst naar de uitspraak AWB 01/53788 van 11 juli 2002 en maakt de daarin gestelde overwegingen tot de hare. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

UITSPRAAK

Reg.nr : AWB 02/57759 BEPTDN

Inzake : A, eiser,

gemachtigde mr. E. C. Gelok, advocaat te Amsterdam,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. R. W. W. Raspe, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1956, bezit de Turkse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op 23 maart 1999 heeft hij een aanvraag om een vergunning tot verblijf ingediend. Bij besluit van 7 juni 1999 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Hiertegen heeft eiser op 21 juni 1999 bezwaar gemaakt. Op 27 juni 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en heeft besloten dat de aanvraag van 23 maart 1999 alsnog in behandeling dient te worden genomen. Bij besluit van 7 december 2001 is bovengenoemde aanvraag niet ingewilligd. Op 4 januari 2002 heeft eiser tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Eiser is op 21 mei 2002 omtrent zijn bezwaar gehoord door een ambtelijke commissie (AC). Bij besluit van 1 juli 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

2. Op 26 juli 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 27 januari 2003. Ter zitting is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig als tolk, K. Efe.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495 (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw 2000). De Vreemdelingenwet (hierna Vw), Stb. 1965, 40 is per deze datum ingetrokken. Het toepasselijke overgangsrecht brengt in hoofdlijnen mee, dat nu het bestreden besluit is bekendgemaakt na 1 april 2001 het nadien geldende recht van toepassing is.

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het sinds de inwerkingtreding van de Vw 2000 op 1 april 2001-ook in overgangssituaties- niet langer mogelijk is een verblijfsvergunning zonder beperking te verlenen. Het is uitsluitend mogelijk een verblijfsvergunning te verlenen onder één van de beperkingen genoemd in artikel 3.4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). "Klemmende redenen van humanitaire aard" zijn niet in artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000 als beperking opgenomen. Eiser heeft verzuimd hiervoor in de plaats een beperking als bedoeld in dit artikel aan te geven, aldus verweerder. Eiser komt volgens verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning om een medische behandeling in Nederland te ondergaan, nu Nederland niet het meest aangewezen land voor de betrokken behandeling is. Daarnaast is verweerder van mening dat eiser niet voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid in aanmerking komt. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat voorzover eiser het verblijfsdoel "klemmende redenen van humanitaire aard" beoogt, geen vergunning op grond van het driejarenbeleid kan worden verleend, aangezien deze beperking sedert 1 april 2001 niet meer bestaat. Voorzover eiser het verblijfsdoel "medische behandeling" beoogt, kan naar de mening van verweerder evenmin een vergunning op grond van het driejarenbeleid worden verleend, daar eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een vergunning met als beperking "medische behandeling".

3. Eiser stelt dat hij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning zonder beperking met ingang van 23 maart 1999, die per 1 april 2001 dient om te klappen in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Het is volgens eiser niet aan hem een beperking aan te geven waaronder de verblijfsvergunning verleend dient te worden. In dit verband heeft hij erop gewezen dat hij alle gegevens heeft aangedragen die naar zijn mening tot vergunningverlening dienen te leiden. Voorts heeft eiser aangevoerd dat Nederland het meest aangewezen land is voor zijn medische behandeling. Daarnaast is eiser van mening dat verweerder het driejarenbeleid onjuist heeft toegepast. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser gewezen op de beschikking van verweerder van 26 april 2002 (crv-nummer: 802.400.1824) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 11 juli 2002 (AWB 01/53788).

4. De rechtbank overweegt het volgende.

4.1. Ten aanzien van het toepasselijke materiële recht in een situatie als in dit geding aan de orde, is bij de Vw 2000 geen overgangsrecht tot stand gebracht. Gegeven het onmiddellijkheidsbeginsel van wetgeving leidt dit tot de conclusie dat direct toetsing aan het nieuwe materiële recht dient plaats te vinden.

Ingevolge artikel 13 Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning -voor zover hier van belang- slechts ingewilligd indien klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Op grond van artikel 14, tweede lid, Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

In artikel 3.4, eerste lid, onder a tot en met y, Vb 2000, zijn beperkingen opgenomen waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw 2000, kan worden verleend. In artikel 3.4, derde lid, Vb 2000, is bepaald dat Onze Minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw 2000, kan verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid.

De artikelen 20 en 21 van de Vw 2000 en de artikelen 3.92 tot en met 3.96 van het Vb 2000 hebben betrekking op het verlenen/weigeren van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

Gezien bovenstaande bepalingen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het onder de Vw 2000 niet mogelijk is om aan eiser met ingang van 23 maart 1999 een verblijfsvergunning zonder beperking te verlenen, die per 1 april 2001 omklapt in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

4.2. De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn aanvraag van 23 maart 1999 geen verblijfsdoel heeft aangegeven, eiser heeft het verblijfsdoel immers niet ingevuld op het aanvraagformulier. Echter bij besluit van 7 juni 1999, waarbij deze aanvraag buiten behandeling is gesteld, heeft de korpschef een doel geformuleerd te weten “klemmende redenen van humanitaire aard c.q. medische behandeling”. In het bezwaarschrift dat daarop volgt is af te leiden dat eiser kennelijk ook van bovenstaand verblijfsdoel is uit gegaan.

Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat bij onderhavige aanvraag als verblijfsdoel is beoogd “klemmende redenen van humanitaire aard c.q. medische behandeling”.

4.3. Ten aanzien van verweerders standpunt dat eiser heeft verzuimd in de plaats van "klemmende redenen van humanitaire aard" een beperking als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, Vb 2000 aan te geven, overweegt de rechtbank als volgt.

Het standpunt dat eiser de beperking dient aan te geven waaronder hij de verblijfsvergunning verleend wenst te zien, acht de rechtbank niet redelijk. Voor deze stellingname is geen enkele wettelijke basis te vinden. Artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt deze grondslag naar het oordeel van de rechtbank niet. Evenmin volgt deze verplichting uit de Vw 2000 of het Vb 2000. Van de vreemdeling mag worden verwacht dat de feiten en omstandigheden naar voren worden gebracht op grond waarvan hij/zij van mening is dat deze tot vergunningverlening zouden moeten nopen. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser dit heeft gedaan. Hij heeft immers aangegeven dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard vanwege het langdurige verblijf in Nederland, het feit dat hij tijdens zijn verblijf hier te lande nauwe banden met Nederland en met in Nederland wonende personen heeft aangeknoopt, hij hier te lande werkzaamheden heeft verricht waarvoor belastingen en premies zijn afgedragen aan de Nederlandse Staat alsmede het feit dat hij arbeidsongeschikt is geraakt en onder medische behandeling staat. Van het ontbreken van een toetsingskader voor verweerder kan dan ook geen sprake zijn. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank vervolgens op de weg van verweerder om de aanvraag van eiser te toetsen aan een bestaande beperking als neergelegd in artikel 3.4, eerste lid, Vb 2000, dan wel gebruik te maken van zijn in artikel 3.4, derde lid, Vb 2000 gegeven bevoegdheid om een verblijfsvergunning onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid, te verlenen. In de Nota van Toelichting bij het Vb 2000 (Staatsblad 2000, 497, pag. 94) is immers vermeld dat het derde lid van artikel 3.4 Vb 2000, niet uitsluit dat in strikt individuele gevallen een noodzaak aanwezig is om een verblijfsvergunning te verlenen onder een andere beperking dan die zijn genoemd in het eerste lid.

De rechtbank wijst voorts op de beschikking van verweerder van 26 april 2002 (crv-nummer 802.400.1824). Uit deze beschikking blijkt dat verweerder de betreffende vreemdeling -die eveneens een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning vanwege klemmende redenen van humanitaire aard onder de Vw (oud) had ingediend- met gebruikmaking van de bevoegdheid neergelegd in artikel 3.4, derde lid, Vb, in het bezit heeft gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking "Conform beschikking staatssecretaris van Justitie". Ook in dit geval had de vreemdeling kenbaar gemaakt in aanmerking te willen komen voor verblijf in Nederland op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, dan wel op grond van het bepaalde in artikel 3.4, derde lid, Vb 2000. Verweerders motivering dat de bevoegdheid neergelegd in artikel 3.4, derde lid, Vb 2000, ziet op zeer uitzonderlijke gevallen waarin de Vw 2000 niet heeft voorzien en dat verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking "klemmende redenen van humanitaire aard" daar niet onder te brengen is, kan derhalve geen standhouden.

4.4. De regelgeving respectievelijk het beleid inzake medische behandeling is neergelegd in artikel 3.46 Vb 2000 en hoofdstuk B8 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Wat betreft het verblijfsdoel "medische behandeling" heeft verweerder advies gevraagd aan het Bureau Medische Advisering (BMA). Het BMA heeft op 26 november 2001 advies uitgebracht. Blijkens dit advies heeft eiser medische klachten en wordt hij hiervoor in Nederland behandeld. Deze behandeling kan volgens dit advies ook in Turkije plaatsvinden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt, noch is anderszins gebleken dat de uitkomst van het betrokken onderzoek onjuist zou zijn. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiser, gelet op het advies van het BMA, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning om in Nederland een medische behandeling te ondergaan. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf met het verblijfsdoel "medische behandeling" in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden.

4.5. De rechtbank zal zich voorts buigen over de vraag of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in het kader van het driejarenbeleid.

De rechtbank stelt vast dat de termijn voor het bepalen van relevant tijdsverloop is beginnen te lopen met de indiening van de aanvraag op 23 maart 1999. Daar de driejarentermijn is volgelopen op 23 maart 2002, derhalve ná de inwerkingtreding van de Vw 2000 op 1 april 2001 en deze wet onmiddellijk werking heeft, dient de rechtbank te toetsen aan het bepaalde in hoofdstuk B1/2.2.11 Vc 2000. De rechtbank vindt hiervoor tevens steun in de uitspraak van de Rechtseenheidskamer (REK) van deze rechtbank van 18 juni 1998 (AWB 98/1090, JV 1998, 133) waar is overwogen dat het beroep op het driejarenbeleid moet worden beoordeeld naar de stand van dit beleid ten tijde van het vollopen van de driejarentermijn.

Het door verweerder gevoerde driejarenbeleid met betrekking tot reguliere aanvragen is gepubliceerd in paragraaf B1/2.2.11 van de Vc 2000. Hierin is onder meer bepaald dat in een reguliere procedure het driejarenbeleid wordt uitgewerkt als een beperking van de afwijzingsgronden. Ingeval de procedure drie jaar heeft geduurd wordt voorbij gegaan aan twee gronden waarop een aanvraag afgewezen zou kunnen worden, te weten het middelenvereiste en het mvv-vereiste. De overige afwijzingsgronden van artikel 16 van de Vw 2000 blijven van toepassing, waaronder de onder g genoemde voorwaarde dat voldaan moet zijn aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor verblijf wordt gewenst.

Verweerders standpunt waar het gaat om het driejarenbeleid indien de vreemdeling het verblijfsdoel 'klemmende redenen van humanitaire aard" beoogt, betekent impliciet dat in een dergelijk geval de vreemdeling nimmer in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning wegens drie jaar relevant tijdsverloop hoewel hiervan sprake is.

Verweerders motivering dienaangaande kan geen standhouden. Te dezen aanzien wijst de rechtbank op de navolgende overwegingen in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 11 juli 2002 (AWB 01/53788 e.v.), welke overwegingen de rechtbank onderschrijft en tot de hare maakt.

"De rechtbank acht dit in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een aanvraag wegens klemmende redenen van humanitaire aard, een onredelijke uitkomst van het driejarenbeleid. Immers, toetsing aan een aanvraag om een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard behelst een toetsing aan het geheel van feiten en omstandigheden. Inwilliging van de aanvraag vindt plaats als aan één voorwaarde is voldaan, namelijk dat deze feiten en omstandigheden dusdanig klemmend zijn dat in het verblijf van de vreemdeling in Nederland moet worden berust. Hierin wijkt deze toets af van toetsing van aanvragen om verlening van een reguliere verblijfsvergunning op grond van bijvoorbeeld gezinshereniging- of vorming. In dit laatste geval zijn er meerdere voorwaarden waaraan getoetst moet worden (vaste relatie, voldoende middelen van bestaan, passende huisvesting). In die gevallen kan, indien niet voldaan wordt aan één van de vereisten, toch recht bestaan op een verblijfsvergunning wegens tijdsverloop omdat nog wel sprake is van de belangrijkste voorwaarde namelijk een bestaande relatie of huwelijk.

Waar bij een aanvraag om een verblijfsvergunning om klemmende redenen van humanitaire aard slechts aan één voorwaarde behoeft te worden voldaan, leidt dit tot de conclusie dat het driejarenbeleid bij dergelijke aanvragen niet wordt toegepast. In de praktijk zou dit betekenen dat het driejarenbeleid in dergelijke gevallen een dode letter is. De rechtbank acht dit in strijd met de ratio van het driejarenbeleid. Immers, ingevolge B1/2.2.11 Vc 2000 heeft het driejarenbeleid zich gevormd vanuit de volgende overweging: als gevolg van het tijdsverloop in een verblijfsrechtelijke procedure kan, onder omstandigheden, enerzijds bij de vreemdeling de gedachte opkomen dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie in zijn verblijf zal berusten en kan anderzijds de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in redelijkheid niet meer gebruik maken van zijn bevoegdheid de vreemdeling op bepaalde gronden verblijf te weigeren."

4.6. Met verwijzing naar hetgeen in overweging 4.4 is overwogen is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in het kader van het driejarenbeleid waar het gaat om het verblijfsdoel "medische behandeling".

4.7. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb te worden vernietigd.

4.8. De rechtbank acht termen aanwezig om ingevolge artikel 8:72, vijfde lid, Awb een voorlopige voorziening te treffen als hieronder nader is aangegeven.

4.9. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,00 en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt, met inachtneming van deze uitspraak;

4. treft de voorlopige voorziening dat uitzetting van eiser achterwege dient te blijven tot en met vier weken na de bekendmaking van verweerders nieuwe beslissing;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

6. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad € 109,00 vergoedt.

Aldus gedaan door mr. R. F. de Knoop, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2003, in tegenwoordigheid van mr. K. Kandemir-Akkal, griffier.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

afschrift verzonden op: 23 juli 2003