Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO0419

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-07-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/12636
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8 EVRM / intensiteit rechterlijke toetsing.

Gelet op recente jurisprudentie van het EHRM waarin aan artikel 8 EVRM is getoetst, ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of zij ex tunc dient te toetsen of dat ze gestelde mogelijk relevante gebeurtenissen van na het bestreden besluit bij de beoordeling dient te betrekken. Verweerder stelt dat er geen regel van internationaal recht aanwijsbaar is, die inhoudt dat het nationale recht, meer specifiek de toetsing 'naar toen', niet door de beugel zou kunnen. Verweerder verwijst naar de EHRM-uitspraak van 19 februari 1998. In deze uitspraak wordt gesteld dat artikel 35 vereist dat de klachten die men in Straatsburg wil voorleggen eerst bij de aangewezen nationale instantie moeten worden voorgelegd 'at least in substance and in compliance with the formal requirements and timelimits laid down in domestic law and, further, that any procedural means that might prevent a breach of the Convention should have been used.' De betrokkene dient de nationale rechtsmiddelen uit te putten alvorens hij een inhoudelijke beoordeling van het EHRM kan krijgen. De voorwaarde hierbij is dat deze rechtsmiddelen beschikbaar en effectief zijn. In casus betekent dit ten aanzien van het feit, opgekomen na het bestreden besluit de rechtsmiddelen niet uitgeput zijn, aldus verweerder. Verweerder stelt terecht dat het besluit ex tunc dient te woren getoetst. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Proc.nr. : AWB 02/12636

Inzake : A, eiser,

gemachtigde mr. G.J. Lemmen, advocaat te Heythuysen,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 22 juli 2002 is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Justitie als het bevoegde bestuursorgaan inzake vreemdelingenzaken. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de Staatssecretaris van Justitie.

Bij schrijven van 18 februari 2002 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 januari 2002. Bij dat besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning met als doel “verblijf bij partner en kind” ongegrond verklaard. Tevens is bij schrijven van 18 februari 2002 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De gronden van het verzoek en beroep zijn bij schrijven van 22 maart 2002 aangevuld.

Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek en beroep de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Nadat het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting op 9 december 2002, heeft de voorzieningenrechter bij beschikking van 16 april 2003 bepaald dat het onderzoek niet volledig is geweest. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek heropend en het beroep verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Bij brief van 29 april 2003 is partijen voorgelegd welke kwestie de rechtbank in de beroepszaak in elk geval nog aan de orde wil stellen.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 mei 2003, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. G.J. Lemmen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.M.H. Hoogvliet.

II. OVERWEGINGEN

Op 12 april 1994 heeft eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling.

Bij besluit van 11 april 1995 heeft verweerder de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling niet ingewilligd en ambtshalve besloten eiser geen vergunning tot verblijf te verlenen. Bij brief van 8 mei 1995 heeft eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 juli 1995 is het bezwaar ongegrond verklaard. Op 11 november 1996 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het op 10 augustus 1995 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Op 4 februari 1998 heeft eiser een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning met als doel “verblijf bij partner en kind”.

Op 11 september 1998 heeft eiser bezwaar ingediend tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag.

Op 6 november 2001 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden, waarna verweerder op 21 januari 2002 het bestreden besluit heeft genomen.

Eiser en zijn partner mevrouw B hebben samengewoond van omstreeks februari 1998 tot en met september 1999. Op [...] 1997 is uit deze relatie het kind C geboren. Bij akte van 5 maart 1998 heeft eiser het kind als het zijne erkend. Gekozen werd voor de geslachtsnaam A.

Verweerder heeft eisers aanvraag voor wat betreft het verblijf bij partner afgewezen, omdat er geen sprake meer is van een duurzame en exclusieve relatie. Bij de Vreemdelingendienst heeft mevrouw B op 25 oktober 1999 verklaard dat de relatie tussen haar en eiser sinds enkele maanden definitief is beëindigd. Ter zitting van de ambtelijke commissie heeft eiser ook zelf aangegeven dat de relatie met mevrouw B in 1999 is verbroken.

Verweerder stelt voorts dat er ook overigens geen grond is voor verlening van een vergunning tot verblijf. In het bestreden besluit wordt erkend dat tussen eiser en zijn minderjarig kind C familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Nu de aanvraag voor een verblijfsvergunning bij C niet wordt ingewilligd, aan eiser toelating tot Nederland wordt ontzegd, en C – naar alle waarschijnlijkheid – in Nederland bij zijn moeder zal blijven, vormt het besluit een inmenging in het recht op eerbiediging van het familieleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, aldus verweerder. Verweerder acht deze inmenging echter gerechtvaardigd in het belang van het economisch welzijn van Nederland. Afweging van de belangen leidt in dit geval tot het oordeel dat in redelijkheid aan het algemeen belang meer gewicht kan worden toegekend. Daarbij is in aanmerking genomen dat op het moment waarop eiser zijn relatie met mevrouw B is aangegaan- uit welke relatie hun zoon is geboren – het eiser niet was toegestaan om, althans voor langere tijd, in Nederland te verblijven, terwijl eiser ook nadien niet heeft beschikt over een verblijfstitel.

Uit informatie van eiser zelf ter zitting van de ambtelijke commissie is voorts gebleken dat er geen omgangsregeling is getroffen met de moeder van het kind, waar het kind verblijft. Van enig contact tussen vader en het kind is geen sprake. Bovendien draagt de vader niet, danwel onvoldoende, althans niet aantoonbaar, bij in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind. Tenslotte is niet gebleken dat de vader met enig gezag over zijn zoon is belast, aldus verweerder.

In beroep bestrijdt eiser dat de nieuwe Vreemdelingenwet van toepassing is. Voorts bestrijdt hij dat er geen sprake meer is van familie- of gezinsleven. Er is nog sprake van enige gezinssituatie. Omdat mevrouw B leidt aan een Borderline Stoornis is het moeilijk om met haar afspraken te maken over een (juridische) omgangsregeling en gezagsrelatie. Zij stemt er nu mee in dat eiser iedere week op dinsdag en donderdag omgang heeft met zijn zoon. Eiser koopt kleren voor hem en neemt hem mee uit. Met de afwijzing van de aanvraag wordt artikel 8 EVRM geschonden. Het algemene belang van de Nederlandse staat dient in dit geval te wijken voor het bijzondere belang van eiser en zijn zoon. Gelet op de ziekte van mevrouw B is van belang dat C omgang met eiser heeft. Ter zitting heeft eiser nog naar voren gebracht dat hij ook met de andere zoon van mevrouw B contact onderhoudt en activiteiten onderneemt.

In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Paragraaf B2/13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) geeft aan dat er van familie- en gezinsleven sprake kan zijn tussen de erkenner en het kind, mits aan de relatie tussen het kind en de erkenner daadwerkelijk inhoud wordt gegeven. Hiervan is geen sprake nu er ten tijde van de bestreden beschikking van enig contact tussen de vader en het kind geen sprake was. Gelet op de ex tunc toetsing kan het feit dat (niet nader onderbouwd) wordt gesteld dat er nu wel contact is, niet meegenomen worden. Bovendien draagt eiser niet bij in de kosten van verzorging en opvoeding en is niet gebleken dat de vader met enig gezag over het kind is belast.

Indien er wel sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM is er geen sprake van inmenging nu er geen eerder verleende verblijfstitel wordt ontnomen. Er is geen sprake van een positieve verplichting, omdat het een eerste toelating betreft en de belangen die verweerder dient met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid een groter gewicht hebben. Daarbij is van belang de omstandigheid dat eiser ten tijde van de aanvang van het familie-of gezinsleven wist, althans behoorde te weten, dat dit niet steunde op een aan de Vreemdelingenwet ontleende titel; dat er ten tijde van het slaan van de bestreden beschikking geen sprake was van enig contact tussen eiser en het kind en dat er geen omgangsregeling tussen het kind en eiser bestaat. Eiser draagt niet dan wel onvoldoende althans niet aantoonbaar bij in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind en voorts is niet gebleken dat hij met enig gezag is belast.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan en overweegt daartoe als volgt.

Eiser heeft (overigens niet onderbouwd) gesteld dat op het bestreden besluit de bepalingen van de ‘oude’ Vreemdelingenwet van toepassing dienen te zijn. De rechtbank overweegt dat op 1 april 2001 in werking is getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495 (Vreemdelingenwet 2000, hierna te noemen Vw 2000). De Vreemdelingenwet, Stb. 1965, 40 (hierna Vw) is per deze datum ingetrokken. Aangezien het bestreden besluit dateert van na 1 april 2001 en andersluidende overgangsbepalingen ontbreken heeft verweerder het bestreden besluit terecht gebaseerd op de Vw 2000.

Voor zover de rechtbank de stukken en het verhandelde ter zitting verstaat, beoogt eiser thans niet meer verblijf bij partner B, maar (uitsluitend nog) verblijf bij zijn kind C. Nu de gronden van het beroep zich ook niet richten tegen het onderdeel van het bestreden besluit, waarbij de aanvraag voor een vergunning tot verblijf bij partner wordt afgewezen, behoeft dit onderdeel van het besluit verder geen bespreking meer.

Ingevolge artikel 14 van de Vw 2000 is verweerder bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen. In artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 is bepaald dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan, en dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften. Bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Vreemdelingenbesluit (Besluit van 23 november 2000, Stb. 497), verder te noemen Vb 2000. In artikel 3.4, eerste lid, aanhef en sub a, van het Vb 2000 is bepaald dat de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperkingen verband houden met (gezinshereniging of) gezinsvorming.

In artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 is bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met (gezinshereniging of) gezinsvorming, wordt verleend indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 genoemde voorwaarden. In het tweede lid van genoemd artikel is bepaald dat in de overige gevallen de in het eerste lid bedoelde vergunning kan worden verleend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het tweede lid van artikel 3.13 van het Vb 2000 een bevoegdheid van verweerder behelst, zodat de rechtbank een terughoudende toets toekomt.

In hoofdstuk B2/13.2.1 van de Vc 2000 is opgenomen dat er sprake kan zijn van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM tussen de erkenner en het kind, mits aan de relatie tussen het kind en de erkenner daadwerkelijk invulling wordt gegeven.

Door eisers gemachtigde is ter zitting van 9 december 2002 gesteld dat eiser ten tijde van de aanvraag om een verblijfsvergunning bij partner en kind rechtmatig verblijf had in Nederland, op grond van het feit dat hij een uitkering ontving van de Stichting Nidos. De rechtbank is van oordeel dat, wat hier verder ook van zij, het enkele ontvangen van een uitkering van de Stichting Nidos, niet leidt tot rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van de Vw 2000.

Eisers aanvraag om toelating als vluchteling is bij onherroepelijke uitspraak d.d. 11 november 1996 van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, afgewezen. Gelet op de geboortedatum van C ([...] 1997) dient het ervoor te worden gehouden, dat eiser ten tijde van de conceptie en geboorte van C, alsmede ten tijde van de aanvraag van de in geding zijnde verblijfsvergunning, geen rechtmatig verblijf in Nederland had.

Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 8 EVRM. Hierin is – voor zover hier van belang – bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Allereerst dient vastgesteld te worden of er tussen eiser en zijn zoon familie- en gezinsleven is als bedoeld in artikel 8 EVRM. Ter zitting op 26 mei 2003 heeft gemachtigde van verweerder verklaard dat de stelling in het verweerschrift dat er tussen eiser en zijn zoon geen familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM bestaat, als niet geschreven dient te worden beschouwd. Derhalve is tussen partijen niet in geschil dat er in dit geding sprake is van een familie- en gezinsverhouding waarvoor de bescherming van artikel 8 EVRM ingeroepen kan worden.

De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of zij, gelet op recente jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waarin aan het bepaalde in artikel 8 EVRM is getoetst, dient te volstaan met toetsing van het bestreden besluit (ex tunc) of dat zij de door eiser gestelde mogelijk relevante gebeurtenissen van na het bestreden besluit (het bestaan van een omgangsregeling tussen eiser en zijn zoon) bij de beoordeling dient te betrekken. Bij de beantwoording van deze vraag dient als kader het in de Algemene wet bestuursrecht bepaalde dat het bestreden besluit voorwerp van beroep is. Beoordeling van dit besluit geschiedt door de rechtbank in beginsel ex tunc, waarbij de rechtbank als maatstaf hanteert of het besluit in rechte stand kan houden gelet op het recht en de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.

In onder meer de volgende uitspraken van het EHRM is het toetsmoment aan artikel 8 EVRM door het Hof gelegd bij het doen van een uitspraak door de nationale rechter. De rechtbank wijst op EHRM 31 oktober 2002, Yildiz: hier toetst het Hof aan artikel 8 EVRM op het moment dat de ongewenstverklaring definitief werd (dat was met de uitspraak van de nationale rechter waarbij het beroep tegen de ongewenstverklaring afgewezen werd) en EHRM 13 februari 2001, Ezzouhdi, waar het Hof eveneens toetst aan artikel 8 EVRM op het moment dat de maatregel definitief is geworden.

In andere uitspraken is een minder duidelijk toetsingmoment aan te wijzen, maar houdt het Hof rekening met feiten die zich na (in casu) de ongewenstverklaring hebben voorgedaan, zie EHRM 2 augustus 2001, JV 2001/254, Boultif, en EHRM 11 juli 2002, JV 2002/289, Amrollahi.

Verweerder heeft zich ter zitting van 26 mei 2003 op het standpunt gesteld dat in de zaken Boultif, Amrollahi en Sen (EHRM 21 december 2001, JV 2002/30), niet zonder meer duidelijk is of feiten en omstandigheden na het bestreden besluit worden meegenomen. Verweerder leidt uit deze zaken af dat het gaat om een beoordeling van het bestreden besluit waarbij niet een volle ex nunc toetsing is uitgevoerd. Er is verder nog geen uitspraak van het Hof aan te wijzen waarin het toetsingsmoment een concreet voorwerp van geschil was.

Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat er geen regel van internationaal recht aanwijsbaar is, die inhoudt dat het nationale recht, meer specifiek de toetsing “naar toen”, niet door de beugel zou kunnen. Verweerder voert aan dat hem geen enkele uitspraak bekend is, waaruit af te leiden zou zijn dat de nationale procedureregels in dit opzicht niet gehanteerd behoren te worden. Verweerder verwijst in dit kader naar de uitspraak van het EHRM van 19 februari 1998, JV 1998/ 45. In deze uitspraak, waarin vermeende schending van artikel 3 EVRM aan de orde is, oordeelt het Hof over (het huidige) artikel 35 van het EVRM (de “uitputtingsregel’). In de uitspraak wordt gesteld dat artikel 35 vereist dat de klachten die men in Straatsburg wil voorleggen eerst bij de aangewezen nationale instantie moeten worden voorgelegd “at least in substance and in compliance with the formal requirements and timelimits laid down in domestic law and, further, that any procedural means that might prevent a breach of the Convention should have been used.” De betrokkene dient de nationale rechtsmiddelen uit te putten alvorens hij een inhoudelijke beoordeling van het Hof kan krijgen. Voorwaarde hierbij is dat deze rechtsmiddelen beschikbaar en effectief zijn.

Voor de onderhavige casus betekent dit dat wat betreft het nieuwe feit, opgekomen na het bestreden besluit (de omgangsregeling), de rechtsmiddelen niet uitgeput zijn, aldus verweerder.

Nu het bestuursorgaan dit nieuwe feit niet bij zijn besluitvorming heeft kunnen betrekken leidt dit ertoe, gelet op het nationale procesrecht, dat de rechter het evenmin bij zijn beoordeling kan betrekken. De gewijzigde omstandigheid kan in een nieuwe aanvraag ingebracht worden waarna er wederom nationale rechtsmiddelen openstaan.

Verweerder wijst nog op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 7 april 2003, nr 200301231/1, waaruit naar het oordeel van verweerder voortvloeit dat artikel 8 EVRM in de visie van de Afdeling de nationale procedureregels niet opzij zet. Nu de beginselen van de ex tunc-toetsing eveneens zijn gebaseerd op nationale procedureregels geldt hiervoor mutatis mutandis hetzelfde, aldus verweerder.

Gelet op deze door verweerder gegeven motivering, die de rechtbank overneemt en tot de hare maakt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beoordeling van het onderhavige besluit ex tunc dient te geschieden. Eiser kan de door hem gestelde nieuwe feiten of veranderde omstandigheden desgewenst in een nieuwe aanvraag naar voren brengen en de beslissing op die aanvraag ter toetsing aan de rechter voorleggen.

De rechtbank overweegt vervolgens dat het bestreden besluit, gelet op de ten tijde van het nemen van dit besluit bekende informatie, de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Eiser’s relatie met mevrouw B was reeds geruime tijd beëindigd. Eiser had geen omgangsregeling met zijn zoon en droeg niet (substantieel) bij in de kosten van de opvoeding en verzorging van het kind. Voorts is niet gebleken van een gezagsrelatie tussen eiser en zijn zoon. Derhalve is niet aannemelijk gemaakt dat aan de relatie tussen eiser en zijn zoon daadwerkelijk invulling werd gegeven. Nu niet voldaan is aan de vereisten voor vergunningverlening naar nationaal recht heeft verweerder de gevraagde vergunning kunnen weigeren. Voorts zijn geen argumenten aangevoerd die leiden tot de conclusie dat verweerder niet in redelijkheid van het gebruik van zijn bevoegdheid, neergelegd in artikel 3.13, tweede lid, van het Vb 2000, had mogen afzien.

Met betrekking tot eisers beroep op artikel 8 EVRM overweegt de rechtbank als volgt. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er met het nemen van het bestreden besluit geen sprake is van inmenging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De gemachtigde van verweerder heeft desgevraagd ter zitting van 26 mei 2003 verklaard dat deze stelling gelezen dient te worden als aanvulling op het bestreden besluit. De rechtbank overweegt hieromtrent dat in een verweerschrift aanvullingen en een nadere onderbouwing kunnen worden gegeven ten aanzien van eerder ingenomen standpunten in het bestreden besluit. In het verweerschrift kan echter geen zodanige correctie ten opzichte van het eerder ingenomen standpunt gegeven worden dat daardoor het bestreden besluit (op een fundamenteel onderdeel) een andere motivering krijgt, tenzij verweerder hierdoor tevens aanleiding ziet het bestreden besluit op dit punt niet langer te volgen. Nu gemachtigde van verweerder ter zitting van 26 mei 2003 desgevraagd heeft verklaard dat het bestreden besluit wordt gehandhaafd, zal de rechtbank (de motivering van) het bestreden besluit als uitgangspunt nemen voor haar beoordeling.

De bestreden beschikking strekt er niet toe eiser een verblijfstitel op grond van artikel 9 of 10 van de Vw 2000 te ontnemen die hem tot uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande in staat stelde. Aangezien het in dit geval gaat om een aanvraag om eerste toelating, is de rechtbank gelet op vaste jurisprudentie, anders dan verweerder in het bestreden besluit, van oordeel, dat er geen sprake is van inmenging als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM. Nu verweerder zich echter op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van inmenging zal de rechtbank dit standpunt van verweerder als uitgangspunt van haar toetsing nemen, teneinde eiser niet in een nadeliger positie te brengen.

Om de vraag te beantwoorden of er sprake is van inmenging die de toets aan het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van het EVRM kan doorstaan, dient een op de individuele zaak toegespitste belangenafweging te worden gemaakt, waarbij de Nederlandse Staat een “certain margin of appreciation” toekomt. Daarbij moet in elk geval worden vastgesteld of sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

Als gevolg van de bestreden beschikking zal eiser het land dienen te verlaten en zal zijn zoon zeer waarschijnlijk bij zijn moeder in Nederland blijven. Van C kan niet verwacht worden dat hij, als in Nederland geboren en opgegroeid kind uit een Nederlandse moeder die eveneens hier te lande verblijft en waarmee eiser geen relatie meer heeft, eiser volgt naar Nigeria. Deze omstandigheid kan echter niet aangemerkt worden als een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval aan het door de overheid te behartigen belang van de bescherming van het economisch welzijn van Nederland – welk belang wordt gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid ten aanzien van vreemdelingen – meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven met C hier te lande. Hierbij acht de rechtbank van belang dat aan eiser nooit een verblijfsvergunning voor Nederland is verleend, en dat eiser de relatie met mevrouw B, waaruit C is geboren, is aangegaan tijdens een periode waarin hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Voorts had eiser ten tijde van het bestreden besluit geen omgang met zijn zoon, droeg hij niet bij aan de verzorging en opvoeding van het kind en is niet gebleken van enige gezagsrelatie tussen hem en zijn zoon.

Het feit dat eiser, zoals hij ter zitting naar voren heeft gebracht, ook met een andere zoon van mevrouw B contact onderhoudt en activiteiten onderneemt, kan in het kader van de toetsing aan artikel 8 EVRM geen rol spelen, nu eiser niet in een door artikel 8 EVRM te beschermen relatie staat tot dit kind.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden gezegd dat de weigering om eiser in Nederland verblijf toe te staan een schending oplevert van artikel 8 EVRM.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep ongegrond is.

Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Aangezien de rechtbank beslist op een beroep tegen een besluit dat is aangemerkt als een besluit op bezwaar en is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000, terwijl er geen sprake is van een (primair) besluit bekendgemaakt voor de inwerkingtreding van de Vw 2000, kan op grond van het bepaalde in artikel 120 van de Vw 2000 hoger beroep tegen deze uitspraak worden ingesteld.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs P.J. Voncken, B.W.P.M. Corbeij-Smits en J.M.E. Derks (voorzitter), in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Utteren-Hoving als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2003.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden op: 16 juli 2003

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.