Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO0411

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
KG 03/1337
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De rechtbank 's-Gravenhage wijst de vordering van de Nederlandse Niet-rokersvereniging Can tot het instellen van een algeheel rookverbod in attractiepark Duinrell af. De rechter overweegt eerst dat de vordering in feite neerkomt op buitenwerkingstelling van op handen zijnde regelgeving over rookvrije werkplekken in de horeca. Dat kan alleen als deze regeling onmiskenbaar onrechtmatig zou zijn. De rechter acht daarbij van belang dat er uitvoerige maatschappelijke discussies over het onderwerp hebben plaatsgevonden. Dat heeft geresulteerd in een wettelijk recht van de werknemer op een rookvrije werkplek. Ten aanzien van de horeca is echter gekozen - na uitvoerig overleg met betrokken organisaties - voor een geleidelijke en voortvarende afbouw om uiteindelijk een rookvrije horeca te realiseren. De voorzieningenrechter concludeert dat er niet gesproken kan worden van onmiskenbaar onrechtmatige regelgeving. Het attractiepark handelt dan ook niet onrechtmatig door zich aan die regelgeving te houden. Dat geldt zowel ten aanzien van de werknemers als ten aanzien van de bezoekers van het park.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 17 december 2003,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 03/1337 van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Nederlandse Nietrokersvereniging Can (Club Actieve Nietrokers),

statutair gevestigd te Oss,

eiseres,

procureur mr. H.C. Grootveld,

advocaat mr. J.F. Roth te Amersfoort,

tegen:

de besloten vennootschap Attractiepark en Camping Duinrell B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Wassenaar,

gedaagde,

procureur mr. R.A.A. Duk.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 8 december 2003 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiseres heeft als statutaire doelstelling te bevorderen dat het roken van tabak en tabaksvervangende artikelen wordt nagelaten voor zover dat hinder of schade voor anderen veroorzaakt of kan veroorzaken.

1.2. Gedaagde is een attractiepark met onder andere een groot binnenzwembad, diverse restaurants, cafés, een minibowling, een snackbar, een supermarkt, een indoor speeltuin en een camping.

1.3. Bij brief van 1 oktober 2003 heeft eiseres zich tot gedaagde gewend met de mededeling dat het rookbeleid van gedaagde volstrekt tekort schiet en heeft zij gedaagde verzocht een algeheel rookverbod binnen haar onderneming in te voeren, waarover zij met gedaagde in overleg wenst te treden.

1.4. Gedaagde heeft hierop bij brief van 24 oktober 2003 gereageerd met de mededeling dat zij zich aan de geldende wettelijke regelingen houdt en dat zij geen noodzaak ziet tot het voeren van overleg met eiseres.

1.5. Artikel 11a lid 1 van de Tabakswet – dat op 1 januari 2004 in werking zal treden – verplicht werkgevers zodanige maatregelen te treffen dat werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder dat zij daarbij hinder of overlast van roken door anderen ondervinden. Het vijfde lid van dit artikel voorziet in de mogelijkheid om bepaalde, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, categorieën van werkgevers, ruimten in gebouwen of andere plaatsen waar werkzaamheden worden verricht, uit te zonderen en hierbij nadere regels te stellen.

1.6. Op 26 september 2003 is aan de Tweede Kamer aangeboden het Ontwerpbesluit uitzonderingen rookvrije werkplek (hierna: het Ontwerpbesluit). Dit besluit bevat een uitzondering als bedoeld in lid 5 van artikel 11a van de Tabakswet ten aanzien van voor publiek bestemde delen van horeca-inrichtingen. Aan die uitzondering is geen termijn verbonden, mits Koninklijk Horeca Nederland (hierna: KHN) vóór Kerstmis 2003 een overtuigend stappenplan overlegt, dat de stappen vastlegt die zullen worden gezet op weg naar een rookvrije horeca. Bedoeld stappenplan is op 1 december jongstleden aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport overhandigd.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiseres vordert na wijziging van eis –zakelijk weergegeven– gedaagde te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een algeheel rookverbod in te voeren in de gebouwen op de vestiging van gedaagde aan Duinrell nummer 1 te Wassenaar die voor bezoekers dan wel werknemers van gedaagde toegankelijk zijn, met uitzondering van de vakantiebungalows en andere privé-vertrekken en daartoe aangewezen rokersruimten waar niet-rokers geen last van de tabaksrook ondervinden, zulks onder verbeurte van een dwangsom.

Daartoe voert eiseres het volgende aan.

Zowel de bezoekers als de bij gedaagde in dienst zijnde werknemers worden nagenoeg overal in het attractiepark geconfronteerd met tabaksrook. Het attractiepark wordt veel door gezinnen met jonge kinderen bezocht. Voor de ouders geldt dat blootstelling aan tabaksrook schadelijk is voor de gezondheid; voor de kinderen zijn de gezondheidsrisico’s nog groter. Zoals blijkt uit een rapport van de Gezondheidsraad uit 1990 als uit een op 18 november jongstleden verschenen rapport, is passief roken schadelijk voor de gezondheid. De wetgever heeft de gevaren voor tabaksrook ook onderkend, zoals onder meer blijkt uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de Tabakswet. Gedaagde handelt derhalve onrechtmatig en schiet toerekenbaar tekort in haar verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst die zij met haar bezoekers sluit. Zij dient bovendien de norm van artikel 11 van de Grondwet in acht te nemen, waarin is bepaald dat een ieder recht heeft op lichamelijke integriteit en in het bijzonder op gezondheid. Met het achterwege laten van een rookverbod ontneemt zij ten onrechte mensen met luchtwegklachten de mogelijkheid het attractiepark te bezoeken.

Ook ten aanzien van haar werknemers schiet gedaagde toerekenbaar tekort. Op grond van lid 1 van artikel 11a van de Tabakswet, dat met ingang van 1 januari 2004 in werking treedt, zijn werkgevers verplicht een rookvrije werkplek voor hun werknemers te creëren. Hoewel de Minister van Volksgezondheid vooralsnog de horeca van het in dit artikel bedoelde rookverbod wil uitzonderen, kunnen werknemers in de horeca op grond van overige wetgeving (en jurisprudentie) nu al, zomede na invoering van meergenoemd artikellid van de Tabakswet, aanspraak maken op een rookvrije werkplek. Ingevolge artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW) rust op gedaagde als werkgever immers een bijzondere zorgplicht, inhoudende dat een werkgever dient te voorkomen dat werknemers tijdens hun werkzaamheden gezondheidsschade lijden. Artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet bepaalt voorts dat de werkgever verplicht is de arbeid zodanig te organiseren en arbeidsplaatsen zodanig in te richten dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de gezondheid van de werknemer. Artikel 4.9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bepaalt tenslotte dat de werkgever doeltreffende maatregelen dient te nemen teneinde te voorkomen dat werknemers bij hun arbeid worden blootgesteld aan schadelijke stoffen.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Ter beantwoording ligt voor de vraag of gedaagde, door geen algeheel rookverbod in te stellen, zich schuldig maakt aan wanprestatie dan wel aan onrechtmatig handelen.

3.2. Eiseres legt aan haar eis de stelling ten grondslag dat bezoekers en werknemers van gedaagde ongewild blootgesteld worden aan tabaksrook, waardoor zij schade aan hun gezondheid ondervinden. Het spoedeisend belang is hiermee gegeven.

3.3. Gedaagde heeft allereerst betoogd dat zij haar horecagelegenheden verpacht heeft en zij om die reden niet kan worden aangesproken op het aldaar gevoerde rookbeleid. Wat hier ook van zij, gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen, kan de vraag of gedaagde hieraan een gegrond verweer kan ontlenen thans onbeantwoord blijven, nu de vordering van eiseres reeds op andere gronden niet voor toewijzing in aanmerking komt.

3.4. De vordering van eiseres komt in de kern neer op buitenwerkingstelling jegens gedaagde van (op handen zijnde) regelgeving betreffende de invoering van rookvrije werkplekken in de horeca, te weten het Ontwerpbesluit. Dergelijke regelgeving kan alleen dan door de rechter in kort geding buiten werking gesteld worden als zij onmiskenbaar onrechtmatig is. Dit vereist een terughoudende toetsing.

3.5. In dit verband acht de voorzieningenrechter het volgende van belang. Aan de totstandkoming van het op korte termijn in te voeren lid 1 van artikel 11a van de Tabakswet en het Ontwerpbesluit zijn uitvoerige maatschappelijke discussies voorafgegaan, waarbij als uitgangspunt is genomen dat blootstelling aan andermans tabaksrook zeer schadelijk is voor de gezondheid. Dit heeft geleid tot een wettelijk recht van de werknemer op een rookvrije werkplek. Hierbij werd onderkend dat het realiseren van een rookvrije werkplek in de horeca niet eenvoudig te bewerkstelligen is, aangezien er in de horeca veel gerookt wordt en het invoeren van een rookverbod vanuit economisch oogpunt de nodige consequenties met zich zou kunnen brengen. Om die reden is – na uitvoerig overleg met de betrokken maatschappelijke organisaties – gekozen voor een geleidelijke en voortvarende afbouw om uiteindelijk een rookvrije horeca te realiseren. Onder die omstandigheden meent de voorzieningenrechter dat voorshands van onmiskenbaar onrechtmatige regelgeving niet kan worden gesproken. Gedaagde handelt dan ook niet onrechtmatig door zich aan die regelgeving te houden. Zulks geldt evenzeer ten aanzien van de bezoekers van gedaagde. Nog daargelaten dat er geen algemene rechtsregel geldt op grond waarvan bezoekers van een attractiepark als het onderhavige een recht op rookvrije ruimten zou toekomen, heeft het onder 1.6 genoemde stappenplan – naar onweersproken vast staat – niet enkel betrekking op werknemers, maar zijn ook bezoekers van horecagelegenheden hierbij als doelgroep genomen. Van gedaagde kan voorshands derhalve niet verlangd worden dat zij de op haar terrein aanwezige horecagelegenheden en andere voor bezoekers en werknemers toegankelijke ruimten rookvrij maakt. Voor zover gewenst kan eiseres deze kwestie in een bodemprocedure (nogmaals) aan de orde te stellen.

3.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden afgewezen.

3.7. Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

Wijst het gevorderde af.

Veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 908,--, waarvan € 205,-- aan griffierecht en € 703,-- aan procureurssalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 17 december 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

hf