Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AO0278

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-11-2003
Datum publicatie
06-01-2004
Zaaknummer
AWB 03/44989, 03/44986
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2004:AO7578
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Burundi / categoriaal beschermingsbeleid.

Verzoekster beroept zich uitsluitend op het ten aanzien van Burundi gevoerde categoriaal beschermingsbeleid. Bij de aanvraag heeft zij een originele Burundische identiteitskaart overgelegd. De afdeling Falsificaten kan geen oordeel vellen over de echtheid van het document, omdat zij daarvan geen specimen heeft. Verweerder heeft in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 kunnen tegenwerpen. Indien artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 in geding is, is slechts van belang te weten uit welk herkomstland een vreemdeling komt. De geloofwaardigheid van het asielrelaas is niet van belang. Bepalend voor de toekenning van de verblijfsvergunning asiel op grond van het categoriaal beschermingsbeleid is slechts de nationaliteit van de vreemdeling. Verweerder stelt niet dat verzoekster afkomstig is uit Rwanda en de Rwandese nationaliteit bezit, maar stelt niet geloofwaardig is dat verzoekster uit Burundi afkomstig is. Verzoekster heeft de conclusie uit de taalanalyse niet weersproken en heeft verklaard dat zij een groot deel van haar leven in Rwanda heeft doorgebracht. Cruciale betekenis wordt toegekend aan het originele identiteitsdocument. Verweerder kon hieraan niet zonder nader onderzoek voorbij gaan. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

Voorlopige voorziening

Uitspraak

artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 03/44989 BEPTDN (voorlopige voorziening)

AWB 03/44986 BEPTDN (beroep)

IND-nr: 0307.07.0403

inzake: A, geboren op [...] 1975, van gestelde Burundese nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium “Tafelbergweg” te Amsterdam, verzoekster,

gemachtigde: mr. M. Woudwijk, medewerker van de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. B.J. van Benschop, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 19 augustus 2003 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 augustus 2003, uitgereikt op 18 augustus 2003, waarbij de aanvraag van verzoekster om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van verzoekster achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist.

2. Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 31 oktober 2003. Verzoekster is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was L. Bukuru als tolk in de Kirundi / Kinyarwanda taal ter zitting aanwezig.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Op 7 juli 2003 is verzoekster op grond van artikel 3 van de Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van verzoekster is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast. De vrijheidsontnemende maatregel is op grond van hoofdstuk C3/13.3.1 onder d, van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 jo hoofdstuk C3/13.3.2 van de Vc 2000 voortgezet.

2. Verzoekster heeft bij haar aanvraag een origineel nationaal identiteitsbewijs van Burundi, afgegeven op 25 december 2001, overgelegd waaruit blijkens het verslag van het eerste gehoor (pagina 5) de nationaliteit en identiteit van verzoekster blijkt.

3. In het proces-verbaal van 9 juli 2003 van de Koninklijke Marechaussee (KM) District Schiphol is vermeld dat uit paspoortkopieën, gemaakt door het personeel van de KLM te Johannesburg, blijkt dat verzoekster heeft gereisd op een paspoort van Rwanda. Het paspoort is afgegeven te Kigali en op naam gesteld van B, geboren op [...] 1975 in Kayenzi en met Rwandese nationaliteit. Het paspoort is afgegeven op 8 maart 2001 en geldig tot 8 maart 2006 en voorzien van een goedgelijkende foto van verzoekster.

4. Op 28 juli 2003 heeft een taalanalyse plaatsgevonden. Het resultaat hiervan luidt dat verzoekster eenduidig niet herleidbaar is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Burundi. Ze is eenduidig te plaatsen in Rwanda.

5. Uit de dossiernotitie van 17 augustus 2003 (gedingstuk nummer 46) blijkt dat de identiteitskaart van verzoekster op verzoek van verweerder is aangeboden aan de afdeling Falsificaten, maar dat deze afdeling geen oordeel kan vellen over de echtheid van het document omdat zij daar geen specimen van heeft.

6. Verweerder voert ten aanzien van Burundi een beleid van categoriale bescherming (Tussentijdsbericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2001/23, geldig van 8 augustus 2001 tot 8 augustus 2003 en eveneens neergelegd in hoofdstuk C8 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 met betrekking tot Burundi).

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verzoekster stelt dat zij de Burundese nationaliteit bezit en behoort tot de Hutu-bevolkingsgroep. Haar moeder was een Tutsi en bezat de Rwandese nationaliteit. Verzoekster heeft vanaf haar 13e tot haar 26e in Rwanda gewoond waardoor zij voornamelijk Kinyarwanda spreekt. Haar vader is in 1998 vanwege zijn Hutu-afkomst vermoord. Haar moeder is in 2000 vermoord omdat zij met een Hutu was getrouwd. Twee broers zijn in 2000 en 2001 omgekomen toen zij gedwongen werden te vechten tegen de Tutsi’s. Vanaf haar aankomst in 2001 in Burundi ondervond verzoekster problemen vanwege haar afkomst. De mensen bedreigden haar en zij kreeg de ouderlijke woning, die op dat moment werd bewoond door Tutsi’s, niet terug.

2. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

Verzoekster heeft onvoldoende documenten overgelegd om haar identiteit en nationaliteit te kunnen vaststellen. Aan de door haar overgelegde Burundese identiteitskaart kan niet de door haar gewenste waarde worden gehecht, omdat niet geloofwaardig is dat zij de Burundese nationaliteit bezit. Voorts heeft zij geen documenten met betrekking tot haar reisroute overgelegd en hierover onvoldoende verifieerbare verklaringen afgelegd. Zij heeft ook misleidende verklaringen afgelegd over het door haar gebruikte Rwandese paspoort. Gelet op het toerekenbaar ontbreken van documenten is de oprechtheid van het relaas op voorhand aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid ervan. Ook op zichzelf is het relaas ongeloofwaardig. Niet geloofwaardig is dat verzoekster afkomstig is uit Burundi en de Burundese nationaliteit bezit waardoor geen waarde kan worden gehecht aan de verklaringen van verzoekster omtrent de door haar ondervonden problemen. Zij komt dan ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op een van de in artikel 29 van de Vw 2000 genoemde gronden.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen dan wel het of het besluit van verweerder in rechte stand kan houden.

2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de rechtbank na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Verzoekster is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

3. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

4. Op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

5. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel worden bij het onderzoek naar de aanvraag de omstandigheid betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

6. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting overweegt de rechtbank dat slechts in geschil is of verweerder in redelijkheid het toerekenbaar ontbreken van documenten aan verzoekster heeft kunnen tegenwerpen en of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

7. De rechtbank overweegt vervolgens dat door verzoekster ter zitting niet is weersproken dat zij geen documenten met betrekking tot haar reis en reisroute heeft overgelegd en dat zij voor het ontbreken van deze documenten geen afdoende verklaring heeft kunnen geven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder reeds hierom het ontbreken van documenten in de zin van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, in redelijkheid aan verzoekster kunnen tegenwerpen waardoor op voorhand twijfel is ontstaan over de oprechtheid van haar verklaringen en afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van haar relaas.

8. De rechtbank overweegt voorts dat het tegenwerpen van het ontbreken van documenten op zichzelf genomen onvoldoende is om een asielrelaas ongeloofwaardig te achten. In het relaas mogen, om het geloofwaardig te achten, geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet in dat geval een positieve overtuigingskracht uitgaan.

9. In het onderhavige geval wordt door verzoekster uitsluitend een beroep gedaan op het door verweerder ten aanzien van Burundi gevoerde categoriale beschermingsbeleid. Dit beleid wordt, zoals door verweerder ter zitting desgevraagd is medegedeeld, gecontinueerd op basis van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van maart 2003 (hierna: het ambtsbericht). Volgens dit beleid komen asielzoekers uit Burundi, behoudens contra-indicaties, in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

10. In hoofdstuk C1/5.1 van de Vc 2000 is - voor zover hier relevant - bepaald dat bij de beoordeling of een verblijfsvergunning op de d-grond moet worden verleend, niet in de eerste plaats wordt gekeken of de verklaringen van de asielzoeker die de inhoud van het asielrelaas betreffen, geloofwaardig zijn. Het gaat hier in beginsel om de vraag of de asielzoeker behoort tot een categorie die in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op deze grond. Vanzelfsprekend moeten de identiteits- en nationaliteitsgegevens wel buiten twijfel staan.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet geloofwaardig is dat verzoekster afkomstig is uit Burundi en de Burundese nationaliteit bezit. Verweerder heeft hiertoe mede in aanmerking genomen dat verzoekster toerekenbaar onvoldoende documenten met betrekking tot haar identiteit, nationaliteit en reisroute heeft overgelegd. Voorts heeft verzoekster onvoldoende vragen juist kunnen beantwoorden met betrekking tot Burundi en haar woonomgeving. De bij verweerder gerezen ernstige twijfel omtrent de identiteit en nationaliteit van verzoekster is naar aanleiding van de uitslag van de taalanalyse versterkt. Een verdere aanwijzing dat verzoekster niet de Burundese nationaliteit bezit, vormt voor verweerder de kopie van het paspoort van Rwanda waarmee verzoekster heeft gereisd. Gezien het voorgaande stelt verweerder zich op het standpunt dat aan het door verzoekster overgelegde originele identiteitsdocument niet de door haar gewenste waarde kan worden gehecht. Volledigheidshalve heeft verweerder getracht een onderzoek in te stellen naar de authenticiteit van voornoemd document. Gebleken is echter dat onderzoek naar de echtheid van het document thans niet mogelijk is nu de afdeling Falsificaten niet in het bezit is van een specimen van een authentiek Burundees identiteitsdocument.

12. De rechtbank overweegt dat indien artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 in geding is, slechts van belang is om te weten uit welk herkomstland een vreemdeling afkomstig is. Niet van belang is of het relaas van de vreemdeling inhoudelijk geloofwaardig is. Bepalend voor de toekenning van de verblijfsvergunning asiel op grond van het categoriale beschermingsbeleid is immers slechts de nationaliteit van de vreemdeling. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd nogmaals bevestigd dat verweerder zich niet op het standpunt stelt dat verzoekster afkomstig is uit Rwanda en de Rwandese nationaliteit bezit, maar dat niet geloofwaardig is dat verzoekster uit Burundi afkomstig is en de Burundese nationaliteit bezit. Door verzoekster is voorts de conclusie uit de taalanalyse - te weten dat zij eenduidig is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap van Rwanda - niet weersproken. Zij heeft hiervoor als verklaring gegeven dat zij een groot deel van haar leven in Rwanda heeft doorgebracht en ook in Burundi Kinyarwanda kon spreken omdat deze taal zeer verwant is aan het in Burundi gesproken Kirundi. Derhalve overweegt de rechtbank dat in het onderhavige geval cruciale betekenis toekomt aan het door verzoekster overgelegde originele identiteitsdocument.

13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet zonder nader onderzoek voorbij kon gaan aan het originele Burundese identiteitsdocument. Ook indien er van uit wordt gegaan dat verzoekster door middel van haar verklaringen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt afkomstig te zijn uit Burundi en het grootste deel van haar leven in Rwanda heeft gewoond, kan niet worden uitgesloten dat zij in het bezit is van de Burundese nationaliteit op grond waarvan zij in aanmerking dient te komen voor categoriale bescherming. Dit klemt te meer nu uit het ambtsbericht blijkt dat de Burundese administratie (burgerlijke stand, kerk- en schooladministraties) ondanks de burgeroorlog goed functioneert en dat de wijze waarop verzoekster heeft gesteld de identiteitskaart te hebben verkregen eveneens overeenkomt met de wijze waarop dit in het ambtsbericht staat beschreven.

14. De rechtbank is, gelet op het vorenoverwogene, van oordeel dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Het bestreden besluit dient op die gronden te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking.

15. Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in gegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. Op grond van het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens schending van de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Dat brengt mee dat het verzoek om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang dient te worden afgewezen.

16. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van beide zaken bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

V. BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 03/44986 BEPTDN :

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 7 juli 2003;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 03/44989 BEPTDN:

4. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

in beide zaken:

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderden zesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Gewezen door mr. C. Klomp, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. Tajik-Smeets, griffier en openbaar gemaakt op 6 november 2003.

Afschrift verzonden op: 6 november 2003

Conc.: DT

Coll: Mbl

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.