Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AN9474

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-10-2003
Datum publicatie
04-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/17612
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak / besluitmoratorium / ex-tunctoetsing.

De rechtbank stelt vast dat na het nemen van het bestreden besluit in Irak feiten en omstandigheden zijn opgekomen die relevant kunnen zijn voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning. De rechtbank houdt met die feiten en omstandigheden evenwel geen rekening bij de beoordeling van het beroep. Verweerder heeft in zijn brief van 27 juni 2003 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer aangegeven dat hij vanwege het beperkte inzicht in en de onzekerheid van de huidige situatie in Irak in beginsel niet in staat is besluiten te nemen op asielaanvragen van mensen uit dat land. Daarom moet worden aangenomen dat verweerder thans evenmin in staat is aan te geven of die situatie aanleiding is voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit. Verweerder heeft aangegeven dat het opstellen van een uitgebreid en goed onderbouwd ambtsbericht op korte termijn niet mogelijk is. Nu thans niet voorzienbaar is dat verweerder op korte termijn in staat zal zijn de consequenties van de situatie in Irak voor het bestreden besluit te beoordelen, moet worden geoordeeld dat de afdoening van de zaak ontoelaatbaar zou worden vertraagd, indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening zou houden met de bedoelde feiten en omstandigheden. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 02/17612

Datum uitspraak: 23 oktober 2003

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1966,

van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. R.E. Temmen,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(voorheen: de Staatssecretaris van Justitie),

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder,

gemachtigde mr. B.F.Th. de Moor.

Het procesverloop

Op 7 maart 1998 heeft eiser toelating als vluchteling of verlening van een vergunning tot verblijf gevraagd. Bij besluit van 13 augustus 1998, bekendgemaakt op 9 september 1998, heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd. Wel is eiser in het bezit gesteld van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv).

Eiser heeft tegen dat besluit op 25 september 1998 bezwaar gemaakt, voor zover zijn aanvragen niet zijn ingewilligd.

Op 8 februari 1999 heeft eiser gevraagd om verlenging van de geldigheidsduur van zijn vvtv. Bij besluit van 17 december 1999, bekendgemaakt op 5 januari 2000, heeft verweerder die aanvraag niet ingewilligd.

Eiser heeft daartegen op 1 februari 2000 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 februari 2002 heeft verweerder beide bezwaren ongegrond verklaard. Op 8 maart 2002 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 september 2003. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Aangezien de Vreemdelingenwet 2000 in werking is getreden voordat op het bezwaar was beslist, heeft verweerder (terecht) bezien of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

3. Gezien de gronden van het beroep heeft de rechtsstrijd betrekking op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgronden.

4. Eiser, geboren in Noord-Irak en politieagent in Baghdad, heeft ter ondersteuning van zijn aanvragen zakelijk weergegeven verklaard dat hij Irak heeft verlaten uit vrees voor vervolging door de Centraal-Iraakse autoriteiten, omdat hij thuis is bezocht door zijn broer die actief is voor het „Iraqi National Congres“ (INC) in Noord-Irak en die broer vanwege diens activiteiten door de veiligheidsdienst is opgepakt.

5. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat hij de verklaringen van eiser niet geloofwaardig acht. Bovendien kan eiser zich aan zijn gestelde problemen onttrekken door zich in Noord-Irak te vestigen. Hij heeft aldaar als Koerd gemeenschapsbanden en derhalve een vluchtalternatief. Verweerder heeft de aanvraag niet op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ingewilligd, omdat de ervaringen van eiser in dat verband geen verband houden met de redenen van zijn vertrek uit Irak. Eiser heeft voorts geen recht op inwilliging van de aanvraag op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, omdat verweerder, gelet op de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 maart 1998 en 13 november 1998, van oordeel is dat Iraakse asielzoekers niet langer in aanmerking komen voor een vvtv, welk oordeel in een brief van 20 november 1998 aan de Tweede Kamer is kenbaar gemaakt.

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen geloof hecht aan zijn verklaringen. Daarnaast zal eiser bij terugkeer problemen ondervinden vanwege zijn desertie uit de politie en zijn asielaanvraag in Nederland. Verweerder kon niet volstaan met een beroep op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Irak, van 9 april 2001, nu dat ambtsbericht geen bron noemt van de daarin vervatte informatie dat terugkerende asielzoekers geen problemen ondervinden. Eiser stelt voorts in Noord-Irak als spion te worden beschouwd vanwege zijn politiewerk in Centraal-Irak en bovendien niet tot Noord-Irak te zullen worden toegelaten, omdat eiser niet als Noord-Irakees kan worden beschouwd. Verder is het bestreden besluit volgens eiser niet toereikend gemotiveerd, omdat daarin niet is betrokken dat de traumatische ervaringen zijn verdiept. Tot slot heeft eiser gesteld dat het categoriale beschermingsbeleid dat is afgekondigd voor mensen die zijn geboren in Centraal-Irak ook op hem van toepassing is.

7. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de laatste alinea van pagina twee van het bestreden besluit daarin abusievelijk is opgenomen. Eiser heeft dat niet weersproken. De rechtbank zal die passage van het bestreden besluit derhalve niet in haar beoordeling betrekken.

8. Artikel 83, van de Vw 2000 luidt als volgt:

„1 De rechtbank houdt bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

2 Met feiten en omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, wordt alleen rekening gehouden indien deze voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33, relevant kunnen zijn.

3 De rechtbank verzoekt Onze Minister om zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de wederpartij en de rechtbank te laten weten of de ingeroepen feiten en omstandigheden aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit.“

9. De rechtbank stelt vast dat er na het nemen van het bestreden besluit in Irak feiten en omstandigheden zijn opgekomen die relevant kunnen zijn voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De rechtbank zal met die feiten en omstandigheden evenwel geen rekening houden bij de beoordeling van het beroep. Daartoe is het volgende redengevend.

10. Verweerder heeft in zijn brief van 27 juni 2003 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (TK, 2002/2003, 19 637, nr. 750) aangegeven dat hij vanwege het beperkte inzicht in, en de onzekerheid van de huidige situatie in Irak, in beginsel niet in staat is besluiten te nemen op asielaanvragen van mensen uit dat land. Daarom moet worden aangenomen dat verweerder thans evenmin in staat is aan te geven of die situatie aanleiding is voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit. Verweerder heeft in evenbedoelde brief verder aangegeven dat het opstellen van een uitgebreid en goed onderbouwd ambtsbericht binnen korte termijn niet mogelijk is. Nu gelet daarop thans niet voorzienbaar is dat verweerder op korte termijn wel in staat zal zijn de consequenties van de situatie in Irak voor het bestreden besluit te beoordelen, moet worden geoordeeld dat de afdoening van de zaak ontoelaatbaar zou worden vertraagd, indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening zou houden met de hierboven bedoelde feiten en omstandigheden.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn broer actief was voor, en lid was van het INC. Verweerder heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat eiser zeer vaag en onduidelijk heeft verklaard over de activiteiten van zijn broer en dat eiser niet met documenten heeft onderbouwd dat zijn broer lid was van het INC. Eiser miskent met zijn stelling dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of de broer van eiser lid was van het INC, dat het gelet op het eerste lid van artikel 31 van de Vw 2000, aan hem is om zijn verklaringen aannemelijk te maken. Verweerder heeft voorts aanleiding kunnen zien aan de kopieën van het pasje van de broer van eiser, die in bezwaar zijn overgelegd, geen gevolgen te verbinden, nu van deze kopieën geen vertaling is overgelegd. Dat die vertaling in beroep alsnog is overgelegd kan daaraan, evenmin als het aanbod van eiser ter zitting om het originele pasje alsnog over te leggen, afdoen. Blijkens het bezwaarschrift van 25 september 1998 heeft eiser de kopieën van het pasje reeds toen ter vertaling aangeboden. Niet valt derhalve in te zien waarom de vertaling niet vóór het nemen van het besluit op bezwaar op 7 februari 2002 is overgelegd, maar eerst in beroep. Eiser miskent met zijn stelling dat verweerder in staat moet worden geacht zelf zorg te dragen voor een vertaling, dat hij ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 zelf verantwoordelijk is voor het aannemelijk maken van zijn verklaringen. Voor zover al wordt aangenomen dat eiser over het originele pasje beschikt, had het eiser in ieder geval na afloop van het gehoor bij de Ambtelijke Commissie op 18 mei 1999 duidelijk moeten zijn dat hij dat pasje diende over te leggen. Dat heeft hij niet gedaan.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de verklaringen van eiser in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten.

12. Eiser kan voorts niet worden gevolgd in zijn standpunt dat hij vanwege zijn asielaanvraag in Nederland en zijn desertie uit de politie van Baghdad verdragsvluchteling is, dan wel een reëel risico loopt op een behandeling waartegen artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming beoogt te bieden. Nog daargelaten of die omstandigheden de door eiser voorgestane conclusies rechtvaardigen, heeft verweerder zich op goede, in het bestreden besluit genoemde gronden op het standpunt gesteld dat eiser in Noord-Irak een vluchtalternatief heeft, waar hij zich aan die problemen kan onttrekken. Dat de autoriteiten in Noord-Irak inmiddels de toegang van personen tot hun grondgebied hebben beperkt, kan daaraan niet afdoen, omdat de rechtbank die omstandigheid, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 9 en 10 is overwogen, niet bij zijn beoordeling betrekt. De rechtbank gaat aan eisers stelling dat hij in Noord-Irak als gevolg van zijn politiewerk als spion wordt beschouwd voorbij, omdat hij die stelling in het geheel niet heeft geadstrueerd.

13. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen grond voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel b, van de Vw 2000 aanwezig hoeven achten. Hetgeen verweerder ter zake verder heeft overwogen en wat daar zijdens eiser tegen in is gebracht, behoeft derhalve geen bespreking.

14. Verweerder heeft voorts op goede gronden geoordeeld dat de door eiser als traumatiserend ervaren gebeurtenissen geen verband houden met de redenen van vertrek en dat om die reden geen grond bestaat voor inwilliging van de aanvraag op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Dat het trauma is verdiept kan daaraan niet afdoen.

15. Dat verweerder voor asielzoekers uit Irak ten tijde van het bestreden besluit geen categoriaal beschermingsbeleid voerde, is niet kennelijk onredelijk. Daartoe verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 13 september 1999 (JV 1999/240). Eiser heeft zulks in beroep niet betwist. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 9 en 10 is overwogen, betrekt de rechtbank de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het instellen van een categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Irak die in Centraal-Irak zijn geboren, niet in haar beoordeling. Voor zover het beroep zich op die feiten en omstandigheden richt kan het niet leiden tot het oordeel dat het besluit onrechtmatig is en behoeft het derhalve geen bespreking.

16. Het beroep is derhalve ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.E.M. Messer-Dinnissen en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2003 in tegenwoordigheid van mr. L.M. van den Berg als griffier.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel: tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.