Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AN9466

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-11-2003
Datum publicatie
07-01-2004
Zaaknummer
AWB 03/56108
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / AC-procedure / 48-uurstermijn.

De vraag of de vrijheidsontnemende maatregel - bezien in samenhang met de gestelde overschrijding van de 48 procesuren - rechtmatig heeft voortgeduurd wordt bevestigend beantwoordt. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de onderhavige procedure zich er niet voor leent om vast te stellen of in eisers asielprocedure sprake is van overschrijding van de 48 procesuren. Een dergelijke vaststelling vereist een gedetailleerde kennisname van het zogenaamde AC-dossier. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan de AC-rechter in de AC-procedure om hierover een beslissing te nemen. Uit de uitspraak 200203525/1 van de ABRS van 5 augustus 2002 kan immers worden afgeleid dat de rechter die de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel beoordeelt geen oordeel mag geven over de kansrijkheid van de rechtsmiddelen die zijn aangewend in de asielprocedure. Eerst in het geval dat de AC-rechter van oordeel is dat de 48-procesuren zijn overschreden is aan verweerder om te bezien of, overeenkomstig hetgeen in zijn beleid is neergelegd, er aanleiding is de opgelegde vrijheidsontnemende maatregel op te heffen dan wel andere maatregelen te treffen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

Artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg.nr: AWB 03/56108 VRONTN

inzake: A, geboren op [...] 1975, gesteld staatloos Palestijn, verblijvende in Grenshospitium “De Weg”, eiser,

gemachtigde: mr. L.B. Vellenga-van Nieuwkerk, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: A.H. Kras, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Op 22 oktober 2003 is eiser op grond van artikel 3 Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000 toegepast.

2. Bij kennisgeving ex artikel 94, eerste lid, Vw 2000 van 24 oktober 2003, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op dezelfde dag, heeft verweerder de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Hiermee wordt eiser geacht beroep te hebben ingesteld tegen de vrijheidsontnemende maatregel.

3. Op 22 oktober 2003 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Bij besluit van 25 oktober 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. De ten aanzien van eiser toegepaste vrijheidsontnemende maatregel is in het besluit gehandhaafd.

4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 31 oktober 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M.A. Mohiddin als tolk in de Arabische taal.

5. De rechtbank heeft op 3 november 2003 het onderzoek heropend teneinde nadere inlichtingen van verweerder te verkrijgen. Verweerder heeft bij brief van 4 november 2003 nadere informatie verstrekt. Vervolgens heeft eiser bij brief van 5 november 2003 hierop een reactie gegeven. Beide partijen hebben in hun brieven aangegeven dat een nadere zitting achterwege kan blijven. De rechtbank heeft het onderzoek op 5 november 2003 gesloten.

II. Overwegingen

1. Namens eiser is, met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 oktober 2003 inzake nr. 200304447/1, aangevoerd dat “zonneklaar” is dat het tegen de afwijzing van het asielverzoek ingestelde beroep alsook het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening zal slagen. Er is sprake van een kennelijke overschrijding van de 48 proces-uren in de asielprocedure. De omstandigheid dat eiser naar een Opvangcentrum (OC) doorverwezen behoorde te worden, maakt dat de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw 2000 niet langer gerechtvaardigd is. Dit behoort ook in de onderhavige procedure te worden onderkend.

2. Verweerder heeft ter zitting - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De maatregel is rechtmatig opgelegd en duurt rechtmatig voort. Ter toetsing staat alleen de vrijheidsontnemende maatregel. Het is allesbehalve zonneklaar dat het beroep in de asielprocedure slaagt. Indien het beroep slaagt, wordt de maatregel ogenblikkelijk opgeheven. De maatregel kan ook in een Opvangcentrum (OC) worden opgelegd.

Bij brief van 4 november 2003 heeft verweerder het volgende naar voren gebracht. De vraag of sprake is van overschrijding van de termijn leent zich volgens verweerder slechts voor beantwoording binnen de procedure die een rechterlijk oordeel geeft over de inhoud en totstandkoming van deze beschikking. Ten overvloede merkt verweerder op dat de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2003 niet ziet op de procedure, zoals deze wordt gevolgd binnen het AC-Schiphol. De activiteiten van de Koninklijke Marechaussee op Schiphol kunnen niet worden geduid als van belang voor de vraag of de aanvraag op grond van artikel 30, aanhef en onder a, Vw 2000 of op enige nadere grond dient te worden afgewezen. Tot op heden zijn bij verweerder geen uitspraken bekend die nopen tot een ander oordeel. Voor zover de voorzieningenrechter tot het oordeel komt dat de beschikkingen tot toelating als vluchteling ten onrechte binnen het AC-model zijn afgewezen zal de maatregel worden voortgezet op grond van Hoofdstuk C 3/12.13.3.1, onder d, Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

3. De rechtbank stelt vast dat eiser op grond van artikel 3 Vw 2000 de toegang tot Nederland is geweigerd en dat hiertegen geen rechtsmiddel is aangewend.

4. Ingevolge artikel 6, eerste lid, Vw 2000 kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan een ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

5. In hoofdstuk A5/2.2.3.1 Vc 2000 is onder meer neergelegd dat de vreemdeling, die is binnengekomen via een zee- of luchthaven en aan wie de toegang geweigerd is, en die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indient, de maatregel van artikel 6, eerste en/of tweede lid, Vw 2000 kan worden opgelegd. Als de aanvraag zich niet leent voor afdoening in het Aanmeldcentrum (AC) en doorzending naar een OC plaatsvindt, wordt de asielzoeker de feitelijke toegang verschaft. De weigering van de toegang blijft evenwel in stand. De asielzoeker kan in dat geval de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 6, eerste lid, Vw 2000 worden opgelegd. Is de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel wel in het AC af te doen, dan blijft de asielzoeker in dit AC, waar de vrijheidsontnemende maatregel voortgezet ten uitvoer gelegd wordt. Uit het voorgaande volgt dat in asielzaken drie momenten zijn aan te wijzen, waarop de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000 beoordeeld wordt.

Allereerst gebeurt dit op het moment waarop de vreemdeling bij de grensdoorlaatpost komt (1) en te kennen geeft dat hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel wil indienen. Vervolgens wordt na het eerste gehoor of het nader gehoor een beslissing genomen omtrent plaatsing in een AC of een OC (2). Tenslotte wordt bij de beslissing op de asielaanvraag bezien of de vrijheidsontnemende maatregel voortgezet moet worden (3).

6. In de hoofdstukken C 3/12.13.3.1 en C 3/12.13.3.2 Vc 2000 is onder meer neergelegd dat na de aanmelding in het AC-Schiphol en indiening van de asielaanvraag, de Immigratie- en Naturalisatiedienst op basis van de hieronder genoemde niet-cumulatieve criteria beziet of een maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw 2000, toegepast dan wel voortgezet dient te worden:

a. de asielaanvraag kan binnen de aanmeldcentrumprocedure worden afgewezen;

b. de asielzoeker maakt deel uit van een grotere groep asielzoekers die op hetzelfde moment arriveert, waarbij aanleiding bestaat om uitgebreid onderzoek te plegen naar de herkomst of oorzaak daarvan;

c. er is sprake van 'misbruik van de asielprocedure', bijvoorbeeld doordat de asielzoeker onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn reis of identiteit, of zich van zijn al dan niet vervalste reisdocument heeft ontdaan of zijn retourticket heeft verscheurd;

d. ten aanzien van de asielzoeker, zijn identiteit en nationaliteit, asielrelaas of overgelegde documenten is nader onderzoek of analyse noodzakelijk, teneinde te bepalen of de asielaanvraag dient te worden afgewezen;

e. de toegang is geweigerd op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, Vw 2000;

f. ten aanzien van de asielzoeker zal bij een andere staat een verzoek tot overname worden ingediend op basis van de Overeenkomst van Dublin;

g. ten aanzien van de asielzoeker is een claim gelegd bij de aanvoerende maatschappij;

h. er is sprake van een evident geval waarin artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.

Bovenstaande lijst is niet uitputtend. Indien niet (langer) aan een van de bovenstaande criteria wordt voldaan kan onder bijzondere omstandigheden de maatregel toch worden opgelegd dan wel voortgezet.

Als regel geldt dat geen (verdere) toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000 zal plaatsvinden, indien er geen zicht meer is op de omstandigheid dat de vreemdeling na afloop van zijn procedure kan voldoen aan de vertrekplicht ex artikel 5 Vw 2000. Indien een beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag gegrond wordt verklaard dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening door de rechter is toegewezen zal de IND bezien of dit aanleiding vormt de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen. Als regel wordt de maatregel voortgezet indien het verzoek om een voorlopige voorziening om procedurele redenen wordt toegewezen.

7. De rechtbank stelt vast dat de maatregel ex artikel 6 Vw 2000 rechtmatig is opgelegd. Niet gebleken is dat ten tijde van het opleggen van de maatregel de asielaanvraag niet binnen de procedure in het AC-Schiphol kon worden afgedaan. Daarmee is voldaan aan een van de (niet cumulatieve) voorwaarden genoemd in hoofdstuk C3/12.13.3 Vc 2000. Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze maatregel - bezien in samenhang met de gestelde overschrijding van de 48 proces-uren - rechtmatig heeft voortgeduurd.

Deze vraag wordt bevestigend beantwoordt. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de onderhavige procedure zich er niet voor leent om vast te stellen of in eisers asielprocedure sprake is van overschrijding van de 48 proces-uren. Een dergelijke vaststelling vereist een gedetailleerde kennisname van het zogenaamde AC-dossier. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan de AC-rechter in de AC-procedure om hierover een beslissing te nemen. Toetsing van de gestelde termijnoverschrijding dient dus plaats te vinden in de aanhangige procedures gericht tegen de afwijzing van eisers asielverzoek. Eerst in het geval dat de AC-rechter van oordeel is dat de 48-procesuren zijn overschreden is aan verweerder om te bezien of, overeenkomstig hetgeen in zijn beleid is neergelegd, er aanleiding is de opgelegde vrijheidsontnemende maatregel op te heffen danwel -zo mogelijk- andere maatregelen te treffen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de onderhavige procedure los staat van het beroep tegen de afwijzing van het asielverzoek en het ter voorkoming van uitzetting in die procedure ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Eisers stelling dat de termijn van 48 proces-uren is overschreden kan dus niet tot het oordeel leiden dat de vrijheidsontnemende maatregel om die reden dient te worden beëindigd. Tot slot verwijst de rechtbank in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2002 inzake nr. 200203525/1 (LJN AH 9709). Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat de rechter die de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel beoordeelt geen oordeel mag geven over de kansrijkheid van de rechtsmiddelen die zijn aangewend in de asielprocedure.

8. De rechtbank is ook overigens van oordeel dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel thans niet in strijd is te achten met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Het beroep wordt derhalve ongegrond verklaard.

9. Nu de vrijheidsontnemende maatregel niet wordt opgeheven, komt het verzoek om toekenning van schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking.

III. Beslissing

De rechtbank:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2003 door mr. P.H. Lauryssen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Jacobsz als griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC Den Haag; zie ook www.raadvanstate.nl. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.

Tegen de beslissing inzake de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: 13 november 2003

Conc: PHL/NJ

Bp: -

D: B