Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AN9456

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
AWB 03/44233
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Terugkeervisum / dringende reden.

Het beleid in hoofdstuk A2/7.2.6 Vc 2000 dient een redelijk doel en is derhalve niet kennelijk onredelijk. In deze zaak moet beoordeeld worden of is voldaan aan het beleidscriterium dat sprake is van een dringende reden die geen uitstel van vertrek kan gedogen. Indien zoals in dit geval het visum is aangevraagd teneinde in Nederland terug te kunnen keren na een bezoek aan een ziek familielid in het land van herkomst, is volgens verweerder een levensbedreigende dan wel terminale/comateuze situatie vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat die invulling van verweerder hetgeen kan worden begrepen onder vorenvermeld criterium te buiten gaat. De voorzieningenrechter schorst het besluit en treft de voorlopige voorziening inhoudende dat verweerder binnen drie weken na de datum van verzending van deze uitspraak op het bezwaarschrift van verzoekster beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg.nr: AWB 03/44233 VISUM

inzake: A, geboren op [...] 1968, van Peruaanse nationaliteit, verzoekster,

gemachtigde: mr. J. Groen, advocaat te Den Haag,

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken (Visadienst), verweerder,

gemachtigde: mr. R. Duisterhof, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. Procesverloop

1. Op 1 augustus 2003 heeft verzoekster bij de korpschef van de regiopolitie te Den Haag een aanvraag gedaan tot verlening van een terugkeervisum.

Bij besluit van dezelfde datum heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij bezwaarschrift van 12 augustus 2003 heeft verzoekster tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2. Bij verzoekschrift van 12 augustus 2003, desgevraagd nader toegelicht bij brief van 21 augustus 2003, heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht tot het treffen van de voorlopige voorziening dat zij ware te beschouwen als zijnde in het bezit van het terugkeervisum waarom zij heeft verzocht. De op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder zijn op 16 september 2003 ter griffie ontvangen. Op 8 september 2003 heeft verweerder desgevraagd een verweerschrift ingediend.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2003. Verzoekster is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

4. Het onderzoek ter zitting is door de voorzieningenrechter geschorst als bedoeld in artikel 8:64 van de Awb, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen de ter zitting gestelde vragen te beantwoorden en verzoekster de gelegenheid te geven de ter zitting naar voren gebrachte stellingen met stukken te onderbouwen.

5. Bij brieven van 13 en 16 oktober 2003 heeft verzoekster de rechtbank een reactie doen toekomen. Bij brief van 16 oktober 2003 heeft verweerder de rechtbank een reactie doen toekomen. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid op elkaars standpunten te reageren. De voorzieningenrechter heeft, met toestemming van partijen, bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. Verzoekster is in april 1995 Nederland ingereisd voorzien van een MVV. In juni 1995 is haar een vergunning verleend voor verblijf bij haar echtgenoot geldig tot 9 mei 1998. Sedert juli 1997 is voornoemde relatie duurzaam ontwricht. Verzoekster is op 21 januari 2002 gehuwd met een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit. Uit deze relatie is op [...] 1998 een dochter, en op [...] 2003 een zoon geboren. Verzoekster verricht hier te lande arbeid in loondienst.

2. Op 9 april 1998 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om voortgezet verblijf in verband met arbeid, al dan niet in loondienst. Op 24 maart 1999 is hierop in negatieve zin beslist. Het daarop gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 juli 2001 ongegrond verklaard. Verzoekster is thans in afwachting van een beslissing op haar beroep bij de rechtbank. Bij uitspraak van 19 augustus 2003 (AWB 01/53014) is het aan die beroepszaak connexe verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat verboden is verzoekster uit Nederland te (doen) verwijderen zolang niet is beslist op het beroep. Uit het vorenstaande volgt dat verzoekster thans niet beschikt over een geldige verblijfsvergunning, doch hier te lande wel rechtmatig verblijft op grond van artikel 8 onder f, g of h Vw 2000.

3. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder – in weerwil van het bepaalde in artikel 4:1 Awb - op een mondelinge aanvraag van verzoekster heeft beslist, en derhalve zonder dat een schriftelijke aanvraag om verlening van een terugkeervisum (Model M5-B) is ingediend. Nu de mondelinge aanvraag in behandeling is genomen en afgewezen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft verzoekster aan de aanvraag tot verlening van een terugkeervisum ten behoeve van een reis naar Peru voor de duur van een à twee maanden ten grondslag gelegd dat haar aldaar verblijvende moeder ernstig ziek is en dat zij haar om die reden dringend dient te bezoeken. Daarbij heeft zij een medische verklaring gedateerd 30 juli 2003 en een vertaling daarvan overgelegd.

4. Aan de afwijzing van voornoemde aanvraag heeft verweerder de navolgende motivering ten grondslag gelegd: “Nog afgezien van het feit of het hier een ernstige ziekte betreft dient het terugkeervisum te worden geweigerd aangezien thans slechts een voorlopige voorzieningprocedure openstaat. Deze procedure is slechts gericht tegen opschorting van de uitzetting van betrokkene.”

5. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het verzoek komt voor toewijzing in aanmerking indien het belang van verzoeker bij een voorziening zwaarder weegt dan verweerders belang bij handhaving van zijn besluit. Bij de afweging van deze belangen wordt in een zaak als de onderhavige hangende het bezwaar, waarin een toewijzing van het verzoek mogelijkerwijs geen voorlopige maar een onomkeerbare voorziening betekent, mede betrokken de vraag of het bezwaar gegrond zal moeten worden verklaard en dient te leiden tot verstrekking van het visum. Gelet hierop bestaat daarbij geen beletsel de desgevraagd door verzoekster nagezonden informatie ter onderbouwing van haar ter zitting naar voren gebrachte stellingen te betrekken.

Het vorenstaande laat onverlet dat het oordeel van de voorzieningenrechter niet bindend is in de bodemprocedure die mogelijkerwijs volgt.

6. Vooropgesteld zij dat de voorzieningenrechter – anders dan verweerder heeft betoogd – van oordeel is dat sprake is van onverwijlde spoed als hiervoor bedoeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat niet reeds bij voorbaat kan worden gesteld dat verzoeksters aanvraag van ieder belang is ontbloot. Verzoekster heeft sec belang bij het bezoek aan haar moeder, waarvan op grond van de stukken moet worden aangenomen – hetgeen verweerder ter zitting ook niet heeft betwist - dat haar gezondheidssituatie op zijn minst als zorgelijk is aan te merken. Verzoeksters verblijfsrechtelijke positie hier te lande noopt tot het verkrijgen van een terugkeervisum, dat haar is geweigerd. Wanneer een beslissing op het door haar gemaakte bezwaar wordt genomen, is, blijkens het verhandelde ter zitting, niet bekend. Verweerders betoog dat de door verzoekster gestelde omstandigheid dat haar moeder ernstig ziek is niet als een spoedeisend belang is te kwalificeren, doet aan het vorenstaande, op grond waarvan de onverwijlde spoed reeds is gegeven, niet af.

7. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2. is gesteld ter zake van verzoeksters rechtmatig verblijf snijdt de hierboven onder 4. weergegeven motivering van het besluit van 1 augustus 2003 geen hout, en is verzoeksters bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter reeds daarom gegrond. Hetgeen in de motivering van het besluit terzijde is opgemerkt ter zake van de gestelde ziekte, is, indien dit al als redengevend zou kunnen worden aangemerkt, op zichzelf onvoldoende draagkrachtig om hierover anders te oordelen. Gelet op het vorenstaande is er aanleiding het besluit van 1 augustus 2003 te schorsen.

8. Het bepaalde in A2/7.2.6.3 Vc 2000 (Vreemdelingen die rechtmatig verblijven op grond van artikel 8 onder f, g of h Vreemdelingenwet) luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“(…)

Een vreemdeling aan wie het is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten komt in aanmerking voor een terugkeervisum, indien:

1 er sprake is van een dringende reden (ernstige ziekte, overlijden enz. van bloed-/aanverwanten in de 1e en 2e graad) die geen uitstel van vertrek kan gedogen;

2 de vreemdeling zich gedurende zijn verblijf in Nederland heeft gehouden aan de maatregelen van toezicht in het kader van de vreemdelingenwetgeving;

3 de vreemdeling, om de reden voor vertrek uit en terugkeer naar Nederland aannemelijk te maken, alle daarvoor noodzakelijke gegevens heeft verstrekt en bescheiden heeft overgelegd aan de verzoekende instantie;

4 de vreemdeling zelfstandig beschikt over een geldig grensoverschrijdingsdocument;

5 het Openbaar Ministerie geen bezwaar heeft tegen vertrek uit Nederland in verband met vervolging wegens strafbare feiten of tenuitvoerlegging van een vonnis;

6 de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, een bezwaar- of administratief beroepschrift, een beroep op de Rechtbank of een hoger beroep op de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State niet binnen de geldigheidsduur van het terugkeervisum wordt verwacht.

NB: Aan asielzoekers wordt geen terugkeervisum verstrekt voor eer reis naar het land van herkomst.

De korpschef is, indien aan alle hierboven genoemde voorwaarden is voldaan, gemachtigd om zelfstandig een visum voor terugkeer af te geven. Daarbij geldt dat aan vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning hebben ingediend, eerst na een periode van 6 maanden gerekend vanaf het moment van de indiening van deze aanvraag kan worden overgegaan tot het verlenen van een terugkeervisum, indien zij op het tijdstip van het verzoek om een terugkeervisum nog steeds in afwachting zijn van een beslissing in eerste aanleg over hun verblijf in Nederland.

Het visum voor terugkeer mag in alle gevallen alleen kort voor het vertrek van de vreemdeling worden afgegeven, voor één reis en met een geldigheidsduur voldoende voor het beoogde doel, met een maximum van drie maanden. De geldigheidsduur van het noodzakelijke grensoverschrijdingsdocument dient ten minste één maand langer te zijn dan de termijn waarbinnen de vreemdeling op grond van zijn terugkeervisum kan terugkeren.”

9. Verweerder heeft zich in het verweerschrift alsook ter zitting op het standpunt gesteld dat verzoekster op grond van het hiervoor aangehaalde beleid niet voor verlening van een terugkeervisum in aanmerking komt nu niet is voldaan aan het vereiste onder 1. Daarbij heeft verweerder betoogd dat geen sprake is van een dringende reden die geen uitstel van vertrek kan gedogen, nu gesteld noch gebleken is dat verzoekster gelet op de gezondheidssituatie van haar moeder onverwijld naar Peru moet vertrekken. Daarbij is aangevoerd dat verweerder ter invulling van “ernstige ziekte” vereist dat sprake is van een levensbedreigende danwel terminale/comatueuze situatie.

10. Naar aanleiding van het onder 9. gestelde heeft de voorzieningenrechter verweerder de navolgende vragen gesteld:

- wat is de grondslag van het beleid zoals neergelegd in A2/7.2.6 Vc 2000?;

- wat zijn in het algemeen, in het licht van het restrictieve toelatingsbeleid, de met de afwijzing van een terugkeervisum te dienen doelen?;

wat is het (algemene) belang van verweerder dat in dit geval kan worden gezet tegen het belang van verzoekster – die thans rechtmatig verblijf heeft in Nederland – om voor een korte periode (bijvoorbeeld 1 à 2 maanden) haar moeder in Peru te bezoeken, en daarna naar Nederland terug te keren om vervolgens de definitieve beslissing in de lopende procedure verder af te wachten?

11. Bij brief van 16 oktober 2003 heeft verweerder – zakelijk weergegeven - op navolgende wijze geantwoord:

“Visumverlening is vanouds en primair een instrument in het kader van de buitenlandse betrekkingen. Dit komt onder meer tot uitdrukking bij de toepassing van internationale sanctiemaatregelen jegens bepaalde staten. Dergelijke maatregelen kunnen er mede toe strekken dat onderdanen van die landen niet voor toegang tot Nederland in aanmerking komen. Visumverlening heeft daarnaast betekenis als controle voorafgaand aan de buitengrenscontrole en in het kader van het handhaven van het nationale restrictieve toelatingsbeleid. Een visum treedt niet in de plaats van een reisdocument, zoals een paspoort, maar heeft een complementaire functie.

De visumplicht dient meerdere doeleinden: naast de primaire functie ten behoeve van de buitenlandse betrekkingen is visumplicht ook van belang voor de beleidsterreinen van onder meer justitie (opsporing en vervolging, vreemdelingenrecht), binnenlandse zaken (staatveiligheid) en economische zaken (economische betrekkingen).

De afgifte van visa en delegatie hiervan is gebaseerd op het Soeverein Besluit van 12 december 1813.

(Volgt aanhaling van artikel 3, lid 1, aanhef en onder a en lid 2 Vw, artikel 2.3 lid 1, sub d, Vb, artikel 72, lid 2 Vw, delen van het beleid zoals neergelegd in A2/7.2.6 Vc en verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudende te Amsterdam van 10 juni 2003 inzake AWB 02/58315 e.a.)

Verweerder is van mening dat niet is voldaan aan het beleid ter zake van de eis dat er sprake dient te zijn van een dringende reden. Ten aanzien van de vraag welk belang wordt gediend in de onderhavige zaak om verzoekster niet naar Peru te laten terugkeren (de voorzieningenrechter begrijpt: na een bezoek aan Peru met een terugkeervisum naar Nederland te kunnen laten terugkeren) verwijst verweerder naar het bovenstaande. Ten overvloede merkt verweerder op dat voor zover de vraag ziet op het mogelijk afwijken van het toepasselijke beleid gesteld noch gebleken is van bijzondere omstandigheden die verweerder tot gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid nopen.”

12. De wetgever heeft verweerder de ruimte gelaten om een eigen beleid te voeren bij de uitvoering van de wetgeving die betrekking heeft op het al dan niet verlenen van visa, waaronder het terugkeervisum. Vorenbedoelde vrijheid laat onverlet dat de invulling van gegeven beleidsvrijheid enig redelijk doel heeft te dienen, welk doel zich vertaalt in enig concreet belang zijdens verweerder, dat, indien dit belang in het gedrang komt, aan een weigering ten grondslag wordt gelegd. In de Vc 2000 is in A2/7.6.2.3 bepaald hoe de door de wetgever gegeven beleidsvrijheid wordt gebruikt ter zake van vreemdelingen die rechtmatig verblijven op grond van artikel 8 onder f, g of h Vw.

Vorenstaande beleidsvrijheid heeft zijn weerslag gevonden in het zestal genummerde beleidscriteria alsook het drietal criteria onder de NB zoals neergelegd in A2/7.2.6.3 Vc 2000, welke criteria zijn te herleiden tot doeleinden en belangen die zijn gelegen in een of meer door verweerder in zijn reactie van 16 oktober 2003 vermelde beleidsterreinen. De te onderscheiden beleidscriteria dienen een redelijk doel en zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter derhalve niet kennelijk onredelijk te achten.

13. Beoordeeld moet worden of is voldaan aan het materiële criterium dat sprake is van een dringende reden die geen uitstel van vertrek kan gedogen. Verweerders invulling van de daarbij bij wijze van voorbeeld gegeven situatie als een ernstige ziekte van bloed/aanverwanten in de 1e en 2e graad, in die zin dat een levensbedreigende danwel terminale/comatueuze situatie is vereist, gaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter hetgeen kan worden begrepen onder vorenvermeld criterium te buiten. Het materiële criterium zoals dit is neergelegd in het beleid sluit niet uit dat sprake kan zijn van een dringende reden gelegen buiten de door verweerder gegeven invulling. Uit de zinsnede “dat uitstel van vertrek niet kan worden gedoogd” kan verweerders nadere invulling niet worden begrepen. Gesteld noch gebleken is voorts dat deze invulling in het licht van vorenvermelde doeleinden en belangen gelegen in een of meer beleidsterreinen een redelijk doel dient.

14. Verzoekster heeft bij haar aanvraag een verklaring van een arts gedateerd 30 juli 2003 overgelegd waaruit blijkt dat de moeder van verzoekster – mevrouw B - draagster is van kleine gezwellen in de linkerborst (geen tastbaar letsel) en chirurgische behandeling nodig heeft. Ter zitting is gebleken dat zij deze behandeling reeds heeft ondergaan en dat genoemde gezwellen niet kwaadaardig waren. Voorts heeft zij een – niet vertaalde - verklaring van een arts overgelegd gedateerd 9 oktober 2003 waaruit - naar zij stelt – blijkt dat de moeder van verzoekster, 58 jaar oud, in behandeling is wegens nierinsufficiëntie, nierdialyse ondergaat en lijdt aan diabetes mellicus en nog een paar andere ziekten. Voorts heeft zij een – niet vertaalde - verklaring van een arts overgelegd gedateerd 9 oktober 2003 waaruit - naar zij stelt – blijkt dat de grootvader van verzoekster, C, 84 jaar oud, lijdt aan diabetes mellicus en een zwak hart.

15. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het vorenstaande, bezien in samenhang met hetgeen ter zitting is aangevoerd, thans onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een dringende reden die geen uitstel van vertrek kan gedogen. Daarbij is, mede gelet op het in A2/7.6.2.3 Vc 2000 onder 3 neergelegde vereiste, in aanmerking genomen dat het ontbreken van vertalingen van laatstgenoemde verklaringen daaraan reeds in de weg staat. Gelet op het vorenstaande is er geen aanleiding de gevraagde voorziening te treffen. Gelet op het hetgeen hiervoor onder 7 en 13 is overwogen ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding de voorziening te treffen inhoudende dat verweerder binnen de na te melden termijn op het bezwaar van verzoekster beslist. Daarbij zij opgemerkt dat het op de weg van verzoekster ligt verweerder tijdig van vertalingen van de door haar overgelegde verklaringen te voorzien.

16. Voor een proceskostenveroordeling zijn termen aanwezig.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter

I schorst het besluit van verweerder van 1 augustus 2003;

II treft de voorlopige voorziening inhoudende dat verweerder binnen drie weken na de datum van verzending van deze uitspraak op het bezwaarschrift van verzoekster van 12 augustus 2003 beslist;

III veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ten bedrage van eur 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden;

IV wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht ten bedrage van eur 109,--.

De uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2003, door mr. P.H. Lauryssen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Doesburg, griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: 30 oktober 2003

Conc.: PHL

Bp:-

D: b