Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AN9103

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-10-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/17242, 02/17245
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Azerbeidzjan / gemengd huwelijk.

Door in het bestreden besluiten slechts te verwijzen naar hetgeen in het ambtsbericht inzake gemengd gehuwden in Azerbeidzjan is vermeld, heeft verweerder de bestreden besluiten onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft niet betwist dat eisers gemengd gehuwden zijn uit Azerbeidzjan. Uitgaande van verweerders standpunt in relatie tot hetgeen in het ambtsbericht is vermeld, kan bezwaarlijk volgehouden worden dat eisers niet te vrezen hebben voor vervolging. Uit het ambtsbericht niet kan worden afgeleid dat personen van etnisch Armeense afkomst en gemengd gehuwden die Azerbeidzjan in de periode van 1988 tot en met 1992 hebben verlaten ten tijde van de bestreden besluiten bij terugkeer niet meer zouden hebben te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, enkel op basis van hun etnische afkomst. Dat na 1994 geen etnische zuiveringen of andere op personen van etnisch Armeense afkomst gerichte acties meer hebben plaats gevonden, lijkt niet zozeer het gevolg van een veranderde opstelling van de autoriteiten te zijn geweest, als wel van het feit dat, afgezien van de kleine groep die in de Azerbeidzjaanse samenleving is geïntegreerd, zich in Azerbeidzjan geen personen van etnisch Armeense afkomst meer bevinden. Voorts kunnen, eerst nadat is beoordeeld of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt verdragsvluchteling te zijn, pas de overige toelatingsgronden van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 aan de orde komen. De aan eisers tegengeworpen mogelijkheid zich in Armenië te vestigen is geen afwijzingsgrond ex artikel 30, aanhef en onder a of d, Vw 2000 dan wel artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, i of j, Vw 2000. Verweerder dient zich in een nieuw te nemen besluit zich uit te laten over de vraag of er sprake is van vluchtelingschap en of sprake is van een situatie ex artikel 3 EVRM. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, meervoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

__________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr :

AWB 02/17242 OVERIO

AWB 02/17245 OVERIO

Inzake : A en B, eisers,

gemachtigde mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. van Leeuwen, advocaat te Den Haag.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eisers hebben gesteld dat zij zijn geboren op respectievelijk [...] 1970 en [...] 1970 en dat zij de Azerbeidzjaanse nationaliteit bezitten. Zij verblijven sedert 5 mei 1999 als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op 6 mei 1999 hebben zij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Hierop is door verweerder op 4 augustus 1999 afwijzend beslist, welk besluit op 1 september 1999 aan eisers is uitgereikt. Tegen dit besluit hebben eisers op 24 september 1999 een bezwaarschrift ingediend. Eisers zijn op 8 januari 2002 gehoord door een Ambtelijke Commissie. Op 8 februari 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op 7 maart 2002 hebben eisers tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

3. De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 14 januari 2003. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting als tolk aanwezig M. Snoek.

4. De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld kenbaar te maken wat de juridische grondslag is van het vestigingsalternatief Armenië, terwijl eisers aldaar nimmer hebben verbleven. Verweerder heeft bij brief van 22 januari 2003 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eisers hebben bij brief van 24 januari 2003 hierop gereageerd.

5. De openbare behandeling van de beroepen is op 10 april 2003 voortgezet. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting als tolk aanwezig R. Vinarskaya.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 20000 tot algehele herziening van de vreemdelingenwet (Vw 2000), Stb. 2000, 495. Nu de bestreden besluiten bekend zijn gemaakt na 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het na die tijd geldende recht van toepassing.

De aanvraag van eisers om toelating als vluchteling wordt onder de Vw 2000 aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op asielgerelateerde gronden in de zin van artikel 28 Vw 2000.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar;

(…).

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gebaseerd op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Het beleid ten aanzien van asielzoekers van Azerbeidzjaanse nationaliteit is neergelegd in hoofdstuk C8 van de Vc 2000.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet voor toelating in aanmerking komen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eisers ongeloofwaardig is, omdat zij geen documenten hebben en omdat niet aannemelijk is dat eisers na 1992 nog in Azerbeidzjan verbleven, nu uit het ambtsbericht van 14 augustus 2001 (DPC/AM 708848) inzake Azerbeidzjan blijkt dat gemengd gehuwden waarvan de man etnisch Armeens is niet meer voorkomen in Azerbeidzjan. Voor zover eisers wel gevolgd dienen te worden in hun relaas acht verweerder het relaas onvoldoende zwaarwegend. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat er geen sprake is van schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor zover eisers aanvoeren dat zij niet naar Nagorno Karabach kunnen, stelt verweerder dat zij zich in Armenië kunnen vestigen. In het verweerschrift stelt verweerder dat er geen sprake is van een reëel risico van schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Azerbeidzjan. Het eerdergenoemde vestigingsalternatief in Armenië wordt in het verweerschrift in 3.12 gezien als een stellingname ten overvloede.

3. Eisers stellen dat zij in aanmerking komen voor toelating in Nederland. Daartoe is het volgende aangevoerd. Eiser is van Armeense afkomst, eiseres is van gemengd Azerische en Armeense afkomst. Beiden zijn afkomstig uit Azerbeidzjan. In 1989 hebben de Armeniërs de Azeri uit het dorp verjaagd. De ouders van eiseres hebben toen hun woning moeten verlaten, waar eisers toen zijn gaan wonen. Eiseres kwam in die tijd bijna niet buiten, behalve om water te halen bij de waterput. In 1990 is zij bij de waterput in elkaar geslagen, waardoor zij een miskraam kreeg. In 1992 hebben de Azeri het dorp heroverd op de Armeniërs. Er werden bombardementen uitgevoerd waarbij de ouders en de zuster van eiser zijn omgekomen. Een paar dagen later kwam de vader van eiseres terug in het dorp; hij was militair in het Azerbeidzjaanse leger geworden. De moeder van eiseres was overleden. In 1992 is eiser, terwijl hij het graf van zijn ouders bezocht, mishandeld door Azeri. Na die tijd leefden eisers zeven jaar lang binnenshuis, en gingen zij alleen af en toe naar de moestuin achter het huis. De vader van eiseres en een bevriende Azeri buurman beschermden hen. Op 21 april 1999 kwam die bevriende buurman hen vertellen dat de vader van eiseres was overleden en dat zij het huis moesten verlaten. Hij kon hen niet alleen beschermen. Op 22 april 1999 hebben eisers het huis verlaten en zijn zij met de auto via onder andere Georgië, Rusland en de Oekraïne naar Nederland gekomen.

In beroep is aangevoerd dat de stelling van verweerder, zoals ook in het ambtsbericht staat, dat er geen enkel gemengd huwelijk meer in Azerbeidzjan zou bestaan, onvoldoende onderbouwd is en in feite nooit een grondslag van een beslissing kan zijn. Voorts stellen eisers dat hen geen vestigingsalternatief in Armenië kan worden tegengeworpen, nu eiseres Azeri is. Hierbij verwijzen zij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle (17 april 2001, AWB 00/61889), waarin wordt overwogen dat de enkele mogelijkheid dat eisers in aanmerking komen voor een Armeens staatsburgerschap niet betekent dat Armenië als vestigingsalternatief kan gelden. Bovendien stellen eisers dat het vreemd is om een vestigingsalternatief tegen te werpen, nu Azerbeidzjan en Armenië formeel nog steeds met elkaar in oorlog zijn. Eisers stellen dat nu uit geen enkel ambtsbericht blijkt hoe daadwerkelijk, door de Armeense autoriteiten, wordt omgegaan in het geval, waarbij de man etnisch Armeens is en de vrouw Azeri, niet gesteld kan worden dat een vestigingsalternatief in dit land zomaar voorhanden is.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

In de bestreden besluiten wordt met betrekking tot de vraag of eisers te vrezen hebben voor vervolging als gevolg van een gemengd huwelijk, geen motivering gegeven, anders dan door te stellen dat het niet aannemelijk is dat eisers na 1992 nog in Azerbeidzjan verbleven, nu uit het ambtsbericht van 14 augustus 2001 (DPC/AM 708848) inzake Azerbeidzjan blijkt dat gemengd gehuwden waarvan de man etnisch Armeens is en de vrouw van Azeri afkomst is tussen 1988 en 1990 Azerbeidzjan hebben verlaten.

Door slechts te verwijzen naar hetgeen in dit ambtsbericht is vermeld heeft verweerder met betrekking tot de gestelde herkomst van eisers en hun gemengd huwelijk, de bestreden besluiten onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder door dit standpunt in te nemen niet betwist dat eisers gemengd gehuwden zijn uit Azerbeidzjan. Naar het oordeel van de rechtbank kan uitgaande van dit standpunt in relatie tot hetgeen in het ambtsbericht is vermeld bezwaarlijk volgehouden worden dat eisers niet te vrezen hebben voor vervolging. Het ambtsbericht van augustus 2001 vermeldt op pagina 18 als volgt:

“In de Azerbeidzjaanse steden Bakoe en Sumgait werden in de jaren 1988 en 1989 etnische Armeniërs gedood en verjaagd, hetgeen weer leidde tot hevige etnische spanningen tussen Azeri en Armeniërs in de enclave Nagorny Karabach. De spanningen ontaardden tenslotte in etnische zuiveringen, zowel in de enclave als in Armenië en Azerbeidzjan.”

Op pagina 52 van dit ambtsbericht staat vermeld:

“Alle families waarvan de man etnisch Armeens is en de vrouw etnisch Azeri hebben Azerbeidzjan tussen 1988 en 1990 verlaten, een enkeling nog tussen 1990 en 1992. Dit geldt ook voor verreweg de meeste gemengd gehuwden waarvan de man etnisch Azeri en de vrouw etnisch Armeens is. Deze groepen mensen zijn op de vlucht geslagen voor etnische zuiveringen die destijds hebben plaats gevonden en hebben doorgaans gegronde redenen gehad om te vluchten.”

De rechtbank is van oordeel dat uit deze passages volgt dat in de periode van 1988 tot en met 1992 in Azerbeidzjan sprake was van groepsvervolging van personen van etnisch Armeense afkomst en gemengd gehuwden, hetgeen ook impliciet door de Minister van Buitenlandse Zaken wordt geconcludeerd. In het procesdossier heeft verweerder de feiten die aan de conclusie van de Minister van Buitenlandse Zaken ten grondslag lagen, niet betwist.

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het ambtsbericht niet kan worden afgeleid dat personen van etnisch Armeense afkomst en gemengd gehuwden die Azerbeidzjan in de periode van 1988 tot en met 1992 hebben verlaten ten tijde van de bestreden besluiten bij terugkeer niet meer zouden hebben te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, enkel op basis van hun etnische afkomst. Daartoe verwijst de rechtbank naar de pagina’s 51 en 52 van het ambtsbericht waarin wordt weergegeven welke aantallen etnische Armeniërs nog in Azerbeidzjan voorkomen. Alleenstaande jonge Armeense mannen komen niet meer voor, evenmin gemengde huwelijken waarbij de man van etnisch Armeense afkomst is. Sinds de wapenstilstand in 1994 is geen sprake meer van etnische zuiveringen of gerichte acties van de Azerbeidzjaanse autoriteiten tegen personen van Armeense afkomst. Degenen die ervoor gekozen hebben om na 1992 in Azerbeidzjan te blijven, zijn doorgaans geïntegreerd in de Azerbeidzjaanse samenleving; het gaat om een groep die de Azerbeidzjaanse naam van hetzij de echtgenoot hetzij de vader heeft aangenomen. De buurt is doorgaans bekend met de etnische afkomst van de buurtgenoten, zeker in een land waar de sociale controle groot is.

Dat na 1994 geen etnische zuiveringen of andere op personen van etnisch Armeense afkomst gerichte acties meer hebben plaats gevonden, lijkt derhalve niet zozeer het gevolg van een veranderde opstelling van de autoriteiten te zijn geweest, als wel van het feit dat, afgezien van de kleine groep die in de Azerbeidjaanse samenleving is geïntegreerd, zich in Azerbeidzjan geen personen van etnisch Armeense afkomst meer bevinden.

5. De rechtbank is voorts van oordeel dat dit ambtsbericht ook een rol speelt bij de beoordeling of er sprake is van schending van artikel 3 EVRM. De vraag blijft immers of gemengd gehuwden uit Azerbeidzjan, gezien dit ambtsbericht, terug kunnen naar Azerbeidzjan.

Hiervoor heeft de rechtbank reeds geconcludeerd dat de bestreden besluiten een deugdelijke motivering ontberen. Ook aan de passages van het ambtsbericht, hierboven weergegeven, kan verweerder – naar het oordeel van de rechtbank – niet zonder meer ontlenen dat personen met een gemengd huwelijk waarvan de man etnisch Armeens is, bij terugkeer niet meer te vrezen hebben voor vervolging.

6. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder in de bestreden besluiten gesteld heeft dat eisers, bij eventuele problemen in hun land van herkomst, zich kunnen vestigen in Armenië. Eisers hebben zich in het aanvullend beroepschrift van 24 januari 2003 terzake op het standpunt gesteld dat aan toetsing van het vestigingsalternatief niet wordt toegekomen als er van vluchtelingschap wordt uitgegaan. Verweerder heeft in onderliggende zaak in het verweerschrift het vestigingsalternatief Armenië als een stellingname ten overvloede aangemerkt.

De rechtbank trekt daaruit de conclusie dat verweerder aan de bestreden besluiten ook op dit punt geen draagkrachtige motivering ten grondslag heeft gelegd voor zover het betreft de toetsing aan de a-grond van artikel 29, eerste lid van de Vw 2000. Onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRS van 13 maart 2003, nummer 200300008/1 dient, gelet op de verplichtingen die voortvloeien uit het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM, eerst te worden beoordeeld, of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt verdragsvluchteling te zijn. Pas daarna kunnen de overige toelatingsgronden van artikel 29, eerste lid, aan de orde komen. De aan eisers tegengeworpen mogelijkheid zich in Armenië te vestigen en aldaar bescherming te zoeken is geen afwijzingsgrond als bedoeld in artikel 30, aanhef en onder a of d, dan wel artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, i of j van de Vw 2000.

De rechtbank is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat de vraag of er een vestigingsalternatief in Armenië tegengeworpen kan worden, thans niet aan de orde is. Immers in het onderhavige geval dient verweerder in een nieuw te nemen besluit zich uit te laten over de vraag of er sprake is van vluchtelingschap en of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

7. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden besluiten vernietigd zullen worden wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepen zullen gegrond worden verklaard.

8. Nu verweerder geen schorsende werking aan het bezwaar heeft verleend en bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar op grond van artikel 118, tweede lid, Vw 2000 het procedurele recht moet worden toegepast zoals dat gold voor 1 april 2001, ziet de rechtbank aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, Awb een voorziening te treffen als in het dictum vermeld.

9. Nu de beroepen gegrond zijn, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op 966,00 euro (1 punt voor het beroepschrift en 2 punten voor het twee keer verschijnen ter zitting met een waarde per punt van 322,00 euro en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart de beroepen gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten op de bezwaren neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. bepaalt dat uitzetting van eisers achterwege dient te blijven tot en met vier weken na de bekendmaking van verweerders nieuwe beslissing;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten van 966,00 euro, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.

Aldus gedaan door mr. A. van 't Laar, voorzitter, mr. P. Vrolijk en mr. R. F. de Knoop, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2003, door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. Kandemir-Akkal, griffier.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

afschrift verzonden op: 3 november 2003