Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AN9101

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-10-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/5677
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / Sazman-i-Awalya / artikel 1F VSV.

In het bestreden besluit concludeert verweerder dat eiser als lid van de DVPA en als lid van de commissie ter bestrijding van terroristische activiteiten (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door de KhAD/WAD gepleegde oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Deze conclusie is gestoeld op eisers verklaringen over zijn activiteiten voor de partij alsmede op het ambtsbericht van 16 september 1999 en een geanonimiseerd individueel ambtsbericht van 3 augustus 1999. De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft nagelaten het individuele ambtsbericht in de procedure over te leggen, waardoor eiser hierop niet heeft kunnen reageren. Daardoor kan het ambtsbericht niet bij de beoordeling worden betrokken. Voorts kan uit eisers verklaringen niet worden afgeleid dat eiser zich met spionageactiviteiten voor de DVPA bezighield. De rechtbank constateert dat de informatie over de banden tussen de Sazman-i-Awalya (de basisorganisatie van de DVPA) en de Afghaanse veiligheidsdienst zeer summier is. Het ambtsbericht vermeldt slechts dat de Sazman-i-Awalya belast was met spionage binnen de eigen instelling en als zodanig nauw verbonden waren aan de Afghaanse veiligheidsdienst. Op grond van het ambtsbericht kan niet worden uitgesloten dat er binnen de organisatie van de Sazman-i-Awalya een zekere werkverdeling plaatsvond, waarbij sommige leden zich met spionage binnen de instellingen en andere leden zich met propaganda, wervings- en sociaal-culturele activiteiten bezighielden. Gezien de functie van eiser oordeelt de rechtbank dat verweerder zich in redelijkheid niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat vanwege het enkele feit dat eiser lid was van de Sazman-i-Awalya aangenomen moet worden dat eiser (mede)verantwoordelijkheid draagt door de KhAD/WAD gepleegde misdrijven bedoeld in artikel 1F VSV. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat eiser werkzaamheden voor de KhAD/WAD heeft gefaciliteerd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, meervoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

__________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 02/5677 BEPTDN

Inzake : A, eiser,

gemachtigde mr. A.K.J. Plaisier, advocaat te Rotterdam,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te Den Haag.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1963, bezit de Afghaanse nationaliteit. Hij verblijft sedert 10 april 1998 als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op 12 april 1998 heeft eiser een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Op 3 december 2001 heeft verweerder kenbaar gemaakt voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft zijn zienswijze op deze mededeling bij schrijven van 28 december 2001 naar voren gebracht. Op 9 januari 2002 heeft verweerder conform het voornemen afwijzend op de aanvraag beslist.

2. Bij brief van 14 januari 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 19 februari 2002 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld. Bij brief van 17 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 10 april 2003. Ter zitting is verschenen eiser in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vw 2000), Stb. 2000, 495. Nu het bestreden besluit bekend is gemaakt na 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het nadien geldende recht van toepassing.

2. De aanvraag van eiser om toelating als vluchteling wordt onder de Vw 2000 aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op asielgerelateerde gronden in de zin van artikel 28 Vw 2000.

2.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.2. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. In het tweede lid, aanhef en onder k van dit artikel is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het tweede lid, onder k.

Op grond van paragraaf C1/5.13.3 juncto paragraaf B1/2.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) wordt de aanvraag afgewezen op grond van het gegeven dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, indien ten aanzien van de vreemdeling ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag van Genève, zoals dat is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967.

2.3. Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2.4. Artikel 1 (F) van het Verdrag bepaalt dat de daarin neergelegde bepalingen niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

2.5. Artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bepaalt dat indien artikel 1 (F) van het Verdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning wordt verleend op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000.

3. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag - voor zover van belang en samengevat - tijdens het nader gehoor van 4 juni 1998 het volgende naar voren gebracht. Eiser werd in 1980 (aspirant)lid van de Democratische Volkspartij Afghanistan (DVPA) bij de jongerenorganisatie. In datzelfde jaar werd hij student aan de universiteit van Kabul. Van 1983 tot 1989 heeft eiser aan het Polytechnisch instituut te Doshanbeh in Tadjikistan gestudeerd. Zijn studie had betrekking op de beheersing van drinkwater. In 1989 trad eiser als ingenieur in dienst van het waterleidingbedrijf in Kabul, dat onder het ministerie van Staatsbouw en Huisvesting valt. Na het vervullen van zijn dienstplicht bij de brandweer keerde eiser terug naar het waterleidingbedrijf, waar hij zijn dienstplicht voltooide en tot oktober 1996 is blijven werken. Eiser hield zich bij het waterbedrijf behalve met projecten met betrekking tot de drinkwatervoorziening in het land, ook bezig met het maken van propaganda voor de politiek van sociale verzoening van Najibullah. Eiser was van 1990 tot 1992 tevens lid van een commissie die belast was met de bestrijding van terroristische activiteiten. Nadat de Taliban op 28 september 1996 in Kabul aan de macht was gekomen, is eiser op 2 oktober 1996 gearresteerd, omdat hij onder andere op de radio en de televisie propaganda voor de Mujahedin tegen de Taliban had gemaakt. Tijdens zijn detentie is eiser veelvuldig mishandeld en gemarteld. Op 28 december 1997 wist eiser door omkoping en met de hulp van een zekere Najibullah te ontsnappen en uit Afghanistan te vluchten.

3.1. In het aanvullend gehoor van 6 oktober 1999 heeft eiser onder meer verklaard dat zijn propaganda-activiteiten voor de DVPA bestonden uit het uitdelen van folders en het aanspreken van jongeren. Van bovenaf werden de onderwerpen opgelegd. Eiser zorgde voor de coördinatie en organisatie van de activiteiten en hielp soms mee met de uitvoering. Na de machtsovername door de Mujahedin in 1992 heeft eiser gebruik kunnen maken van een amnestieregeling onder de voorwaarde dat hij zijn propaganda-activiteiten zou aanwenden voor het nieuwe regime. Eiser heeft voorts verklaard dat de commissie ter bestrijding van terroristische activiteiten, waarvan hij van 1990 tot 1992 deel uitmaakte, belast was met de veiligheid in regio 2 van Kabul, zijnde het economisch hart van de stad dat regelmatig doelwit was van terroristische aanslagen. De commissie bestond doorgaans uit vier (in crisistijden meer) leden van verschillende disciplines, te weten: de politie, de brandweer, het leger en de staatsveiligheidsdienst. De commissie, die onderdeel vormde van de politie, hield toezicht op de uitvoering van de plannen die de veiligheid moesten waarborgen. Deze plannen werden van bovenaf door de hoofdcommissaris van de politie opgelegd. Eiser nam voorts deel aan ondersteunende activiteiten, stelde op aanslaggevoelige momenten, zoals nieuwjaar, betrouwbare mensen van de partij beschikbaar voor bewakingsactiviteiten en nam deel aan vergaderingen en bijeenkomsten.

3.2. In het aanvullend gehoor van 1 november 2000 heeft eiser verklaard dat hij lid is geworden van de DVPA, omdat de doelstellingen en het programma van de partij hem een nationalistisch gevoel gaven. Hij had geen specifieke functie binnen de partij, althans geen hoofdfunctie. Tijdens zijn studie bestonden zijn activiteiten voor de partij voornamelijk uit het maken van propaganda, het werven en voordragen van nieuwe leden en het organiseren van sportactiviteiten en feesten. Over deze activiteiten rapporteerde eiser aan de ledenvergadering van het eerste bureau van de partij. Ook tijdens zijn verblijf in Tadjikistan heeft eiser zich beziggehouden met het organiseren van activiteiten voor de partij. Met betrekking tot zijn lidmaatschap van de commissie heeft eiser erop gewezen dat hij in 1990 in militaire dienst zat en door de DVPA is aangewezen om daarin namens de brandweer zitting te nemen. Eiser heeft verklaard dat de commissie in 1988, na een aanslag waarbij veel burgerslachtoffers zijn gevallen, in het leven is geroepen om de politie van regio 2 van Kabul te assisteren. Wanneer er bijvoorbeeld een feest gehouden werd of andere grote activiteiten plaatshadden dan kwam de commissie bijeen om te bespreken op welke wijze zij de politie kon helpen bij het handhaven van de orde en de veiligheid. Als de politie een tip had ontvangen over een geplande aanslag, werd tijdens de vergadering besproken wat de brandweer zou moeten doen indien de aanslag zou lukken. De commissie kwam iedere vijftiende van de maand bijeen, in crisistijd vaker. Over de bevoegdheden van de commissie heeft eiser verklaard dat de plannen van de commissie van bovenaf werden opgelegd en dat de commissie opdrachten en/of adviezen kon geven aan de politie, de KhAD, het leger en de brandweer voor regio 2, om onderzoek te doen, huiszoekingen te verrichten en eventueel personen te arresteren die verdacht werden van terrorisme. Het was niet de taak van de leden van commissie om zelf activiteiten te verrichten ter voorkoming van aanslagen. De commissie heeft nooit personen ondervraagd of gearresteerd. Wat er na de arrestaties met de mensen gebeurde werd niet besproken. Ook had de commissie geen inzage in de dossiers van de verdachten. Over de activiteiten van de commissie rapporteerde eiser aan het eerste bureau van de partij-afdeling van de brandweer.

4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om hem een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Verweerder heeft zijn standpunt zoals verwoord in het voornemen en in het bestreden besluit als volgt gemotiveerd. Naar de mening van verweerder zijn er ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1 (F) van het Verdrag. Verweerder doelt daarbij op de activiteiten van eiser als lid van de DVPA ten tijde van zijn universitaire studie te Kabul en als lid van de commissie ter bestrijding van terrorisme van regio 2 van Kabul, waarvan hij als lid van de brandweer in de periode 1990 tot 1992 deel uitmaakte. Eiser heeft consistente en aannemelijke verklaringen afgelegd over zijn lidmaatschap en activiteiten voor de DVPA alsmede over de werkzaamheden die hij heeft verricht ten tijde van het communistisch bewind, die overeenkomen met hetgeen over de toenmalige situatie in Afghanistan bekend is. Op grond van de verklaringen van eiser over deze activiteiten en het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 september 1999 neemt verweerder aan dat eiser werkzaam was voor de basisorganisatie van de DVPA, de Sazman-i-Awalya. Deze organisatie die in elke overheidsinstelling in Afghanistan aanwezig was, was in de eerste plaats belast met spionage binnen de eigen instelling en als zodanig nauw verbonden aan de Afghaanse veiligheidsdienst. De leden van de Sazman-i-Awalya’s, die geacht werden op geregelde tijden verslag uit te brengen over hun leidinggevenden en collega’s, werden vanwege hun werkzaamheden en hun macht alom gevreesd. Tevens verwijst verweerder naar het (in een andere zaak uitgebracht) geanonimiseerd individueel ambtsbericht van 3 augustus 1999, waaruit blijkt dat elke faculteit op de universiteit van Kabul over haar eigen Sazman-i-Awalya beschikte. De leden van de Sazman-i-Awalya werden geacht geregeld verslag uit te brengen over hun professoren, docenten en medestudenten, waarbij bijzondere aandacht uitging naar hun loyaliteit jegens de DVPA. Een lid van de Sazman-i-Awalya was bevoegd eigenhandig professoren te arresteren indien deze zich naar de mening van het lid schuldig maakten aan staatsvijandig gedrag. Leden van de Sazman-i-Awalya genoten op de universiteit dan ook een vrij ongenaakbare positie. Met betrekking tot de contacten van eiser met de Khadimat-e-Atal’at-e Dowlati/Wazarat-e Amaniat-e Dowlati (hierna: KhAD/WAD) uit hoofde van zijn activiteiten voor de Sazman-i-Awalya en uit hoofde van zijn functie als lid van de commissie ter bestrijding van het terrorisme verwijst verweerder naar het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 over de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan. Uit dit ambtsbericht blijkt dat de KhAD/WAD zich bezighielden met het lokaliseren, arresteren, detineren en laten folteren en executeren van politieke tegenstanders van het bewind. Deze gedragingen zijn volgens verweerder aan te merken als misdrijven dan wel handelingen als bedoeld in artikel 1 (F) aanhef en onder a en b van het Verdrag.

4.1. Verweerder meent dat er sprake is van “knowing en personal participation van eiser aan genoemde misdrijven”. Het standpunt dat sprake is van “knowing participation” motiveert verweerder door te verwijzen naar hetgeen eiser over zijn activiteiten voor de DVPA en voor de commissie ter bestrijding van terrorisme heeft verklaard en naar voornoemd ambtsbericht van 29 februari 2000. Uit dit ambtsbericht blijkt ondubbelzinnig dat het wrede karakter van de KhAD/WAD binnen Afghanistan algemeen bekend moet zijn geweest. Zo wordt op pagina 12 van dit ambtsbericht aangegeven dat met hun nietsontziende en veelal willekeurige optreden de KhAD en de WAD bewust een klimaat van terreur creëerden dat tot doel had elk verzet onder de burgerbevolking tegen het communistisch bewind bij voorbaat in de kiem te smoren. Uit een groot aantal rapportages van gezaghebbende instanties zoals de speciale rapporteur van de mensenrechten van de Verenigde Naties en Amnesty International komt naar voren dat de misdrijven waarmee dat terreurklimaat gepaard ging gedurende de gehele periode dat de KhAD/WAD heeft bestaan op grote schaal en door het gehele land verspreid door deze organisatie werden gepleegd. Gelet hierop, alsmede op hetgeen eiser verklaard heeft over zijn werkzaamheden en de contacten die hij uit hoofde hiervan met de veiligheidsdienst heeft onderhouden, is het niet geloofwaardig dat hij hiervan niets heeft geweten.

4.2. De “personal participation“ wordt gegrond op de verklaringen van eiser in combinatie met de informatie uit voornoemde ambtsberichten over de Sazman-i-Awalya, waaruit - aldus verweerder - blijkt dat eiser met zijn spionage-activiteiten nauw verbonden is geweest met de KhAD/WAD en in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen dat de KhAD/WAD gevangenen heeft gefolterd, buitengerechtelijke executies en moordaanslagen heeft gepleegd en buitengerechtelijk personen heeft gearresteerd en gedetineerd. Tevens komt uit de verklaringen van eiser naar voren dat hij als lid van de commissie ter bestrijding van terrorisme opdracht heeft gegeven aan de KhAD/WAD om onderzoek in te stellen om aanslagen te voorkomen, huiszoekingen te verrichten en mensen te ondervragen en te arresteren. Eisers stelling dat hij zich slechts heeft beziggehouden met het maken van propaganda en het werven van nieuwe leden en slechts zeer beperkte bevoegdheden had, dient te worden beschouwd als een duidelijke poging om zijn activiteiten als lid van de DVPA voor het eerste bureau te bagatelliseren. Het betoog van eiser dat hij niet wist waarom hij voor de commissie werd gevraagd, dat de plannen van de commissie van boven af werden opgelegd, dat in de commissie niet besproken werd wat er na de arrestatie met de mensen zou gaan gebeuren en dat de commissie slechts in het leven geroepen was om de politie van regio 2 van Kabul te assisteren wordt als ongeloofwaardig van de hand gewezen.

Gelet op de universitaire opleiding van eiser moet worden aangenomen dat eiser kennis had of had behoren te hebben van de beginselen en de doelstelling van de Verenigde Naties. Daarom bestaat aanleiding om hem verantwoordelijk te houden voor handelen dat indruist tegen de beginselen en doelstellingen van de Verenigde Naties en eiser, naast het bepaalde in artikel 1 (F) aanhef en onder a en b, ook het bepaalde in artikel 1 (F), aanhef en onder c van het Verdrag tegen te werpen. Mitsdien komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a van de Vw 2000. Gelet op het bepaalde in artikel 3.107 van het Vb 2000 komt eiser evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000.

5. In zijn zienswijze betwist eiser nadrukkelijk dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan de door verweerder ten laste gelegde handelingen. Zijn activiteiten voor de DVPA zagen op het werven van leden, het maken van propaganda en het organiseren van sportactiviteiten en feesten. Er is geen sprake geweest van enige betrokkenheid bij KhAD/WAD. Met nadruk stelt hij dat hij niet heeft geweten en ook niet heeft moeten en kunnen weten dat door de KhAD misdrijven in de zin van artikel 1 (F) van het Verdrag werden begaan. In beroep herhaalt eiser dit betoog. Subsidiair stelt eiser zich op standpunt dat, voor zover de rechtbank van oordeel is dat hij zich wel aan deze handelingen heeft schuldig gemaakt, bedacht moet worden dat hij zijn werkzaamheden niet vrijwillig heeft uitgevoerd, omdat het onmogelijk was om zonder vrees voor eigen leven en veiligheid afstand te nemen van de werkzaamheden voor de partij.

6. De rechtbank overweegt allereerst dat tussen partijen niet in geschil is de kwalificatie van de ten laste gelegde misdrijven door verweerder onder 4 weergegeven en evenmin dat uit de door verweerder genoemde bronnen valt af te leiden dat dergelijke misdrijven zijn gepleegd door de KhAD/WAD. Ook de rechtbank gaat hiervan uit.

6.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de conclusie van verweerder in het bestreden besluit, inhoudende dat eiser als lid van de DVPA en als lid van de commissie ter bestrijding van terroristische activiteiten (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door de KhAD/WAD gepleegde oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder artikel 1F van het Verdrag terecht op eiser van toepassing heeft geacht, stelt de rechtbank voorop dat dit artikel, als uitsluitingsgrond, restrictief moet worden uitgelegd. Dit brengt volgens vaste jurisprudentie met zich dat de motivering van verweerders conclusie dat dit artikel van toepassing is aan hoge eisen moet voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank schiet de door verweerder in het bestreden besluit gegeven motivering te kort. Hiertoe acht de rechtbank het navolgende redengevend.

6.2. Met betrekking tot de activiteiten van eiser voor de DVPA heeft verweerder geconcludeerd dat eiser met zijn spionage-activiteiten nauw verbonden is geweest met de KhAD/WAD. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder deze conclusie gestoeld op eisers eigen verklaringen over zijn activiteiten voor de partij alsmede op het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 september 1999 en een geanonimiseerd individueel ambtsbericht van 3 augustus 1999. De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft nagelaten dit geanonimiseerde individuele ambtsbericht in de procedure over te leggen, waardoor eiser hierop niet heeft kunnen reageren. Gelet hierop kan dit ambtsbericht niet bij de beoordeling van dit aspect van het bestreden besluit worden betrokken. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser noch in het nader gehoor van 4 juni 1998 noch in de aanvullende gehoren van 6 oktober 1999 en 1 november 2000 op enigerlei wijze heeft verklaard over spionage-activiteiten voor de DVPA binnen de universiteit of het waterleidingbedrijf. De verklaringen van eiser komen er op neer dat hij zich tijdens zijn studietijd in Kabul in de periode 1980-1983 bezighield met het maken van propaganda, het werven van leden en het organiseren van sportactiviteiten en feesten en dat hij over deze activiteiten aan het eerste bureau rapporteerde. Over zijn DVPA-activiteiten bij het waterleidingbedrijf in de periode 1989-1992 heeft eiser verklaard dat deze activiteiten bestonden uit het maken van propaganda en het werven van nieuwe leden. Mitsdien kan, anders dan verweerder meent, uit eisers eigen verklaringen niet worden afgeleid dat hij zich met spionage-activiteiten voor de DVPA bezighield.

6.3. Uit het algemeen ambtsbericht van 16 september 1999 blijkt dat de basisorganisatie van de DVPA, de Sazman-i-Awalya, de laagste trede binnen de hiërarchie van de communistische partij vormde. De leden van de Sazman-i-Awalya waren personen die ofwel nog in hun proeftijd voor de DVPA zaten ofwel kortgeleden als volwaardig lid waren toegelaten. De leiding van de organisatie bestond uit loyale, volwaardige leden van de DVPA. Elke overheidsinstelling in Afghanistan (zoals ministeries, fabrieken, bedrijven, het leger, universiteiten, scholen etc.) kende haar eigen Sazman-i-Awalya. Deze organisaties waren in de allereerste plaats belast met spionage binnen de eigen instelling en als zodanig nauw verbonden aan de Afghaanse veiligheidsdienst. De leden van de Sazman-i-Awalya's werden geacht op geregelde tijden verslag uit te brengen over hun leidinggevenden en collega's. Bijzondere aandacht ging daarbij uit naar hun loyaliteit jegens de DVPA. Indien een leidinggevende of collega zich naar de mening van een lid van de Sazman-i-Awalya schuldig maakte aan staatsvijandig gedrag, dan was hij gemachtigd om deze persoon eigenhandig te arresteren. In tegenstelling tot de leiding van de Sazman-i-Awalya's, die een maandelijkse vergoeding kreeg van de Afghaanse veiligheidsdienst, werden gewone leden niet voor hun werkzaamheden betaald. Vanwege hun werkzaamheden en macht werden de Sazman-i-Awalya's en hun leden alom gevreesd. Behalve met spionage hielden de Sazman-i-Awalya's zich bezig met de werving van kandidaat-leden en de organisatie van politieke, sociale en culturele activiteiten.

6.4. De rechtbank constateert dat de informatie over de banden tussen de Sazman-i-Awalya en de Afghaanse veiligheidsdienst zeer summier is. Het ambtsbericht vermeldt slechts dat de Sazman-i-Awalya’s belast waren met spionage binnen de eigen instelling en als zodanig nauw verbonden waren aan de Afghaanse veiligheidsdienst. Op grond van bovengenoemde passage uit het ambtsbericht kan niet worden uitgesloten dat er binnen de organisatie van de Sazman-i-Awalya een zekere werkverdeling plaatsvond, waarbij sommige leden zich met spionage binnen de instellingen en andere leden zich met propaganda, wervings- en sociaal-culturele activiteiten bezighielden. In aanmerking genomen dat eiser geen hoge functie bekleedde binnen de DVPA oordeelt de rechtbank dat verweerder zich in redelijkheid niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat vanwege het enkele feit van zijn lidmaatschap van de Sazman-i-Awalya aangenomen moet worden dat eiser (mede)verantwoordelijkheid draagt door de KhAD/WAD gepleegde misdrijven bedoeld in artikel 1 (F) van het Verdrag. De rechtbank acht in dit verband van belang dat eiser over zijn lidmaatschap, zijn activiteiten voor de DVPA en zijn werkzaamheden bij het drinkwaterbedrijf en de brandweer consistente verklaringen heeft afgelegd, die niet op voorhand onaannemelijk zijn.

6.5. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder zijn conclusie over de activiteiten van eiser voor de commissie ter bestrijding van terroristische activiteiten gebaseerd op eisers eigen verklaringen over zijn activiteiten alsmede op het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 over de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan. De rechtbank stelt evenwel vast dat noch het ambtsbericht van 29 februari 2000 over de veiligheidsdiensten noch de andere door verweerder aangehaalde algemene ambtsberichten inzake Afghanistan informatie bevatten over deze commissie en/of over de functie en werkzaamheden van eiser binnen deze commissie. Voorts overweegt de rechtbank dat eiser niet werkzaam was voor de KhAD/WAD, maar in de bewuste periode als dienstplichtig soldaat te werk was gesteld bij in eerste instantie de brandweer en later bij het waterleidingbedrijf en dat eiser als vertegenwoordiger van de brandweer zitting had in deze commissie. Uit de verklaringen van eiser over zijn taakuitoefening in de commissie blijkt niet dat hij zelf daadwerkelijk verdachten van terroristische aanslagen aan de politie of de KhAD/WAD heeft uitgeleverd en aldus betrokken is geweest bij de schending van mensenrechten. Voor zover verweerder eiser tegenwerpt dat de personen, naar wie op advies of in opdracht van de commissie een onderzoek werd ingesteld, konden worden overgedragen aan de politie of de KhAD/WAD, merkt de rechtbank op dat onvoldoende blijkt in hoeverre eiser gezien zijn functie in de commissie als vertegenwoordiger van de brandweer op voorhand verantwoordelijk kan worden gehouden voor de arrestatie van deze verdachten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat er onvoldoende duidelijkheid bestaat over de inhoud van de door eiser vervulde functie. De omstandigheid dat eiser lid was van deze commissie acht de rechtbank ontoereikend om reeds uit dien hoofde aannemelijk te achten dat eiser werkzaamheden voor de KhAD/WAD heeft gefaciliteerd. Evenmin duidt de aard van functies die eiser in deze periode heeft bekleed als brandweerman en als ingenieur bij het waterleidingbedrijf hier op het eerste gezicht op. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te doen naar de commissie en de functie die eiser hierin vervulde. Tenslotte acht de rechtbank van belang dat eiser tijdens het nader gehoor en de aanvullende gehoren niet is geconfronteerd met hetgeen het ambtsbericht over de KhAD/WAD vermeldt. De sprong die gemaakt moet worden van de verklaringen van eiser naar hetgeen uit het ambtsbericht blijkt is hierdoor onnodig groot.

7. Het vorenstaande voert de rechtbank tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en zijn standpunt dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1 (F) van het Verdrag onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd.

8. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep is derhalve gegrond.

9. Nu het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op 644,00 euro (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van 322,00 euro en wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met in achtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten van 644,00 euro, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.

Aldus gedaan door mr. P. Vrolijk als voorzitter en mr. E.R. Houweling en mr. R.F. de Knoop als leden van de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2003, door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. Kandemir-Akkal, griffier.

IV. RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van deze uitspraak. Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ‘s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u zich wenden tot www.raadvanstate.nl.

afschrift verzonden op: 11 november 2003